RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 oktober 2026
op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 26/4682 en 26/4683
(gemachtigde: mr. J.H.L. Antonides),
en
(gemachtigde: mr. M. Ouhbib).
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een
voorlopige voorziening van eiser tegen de ongeldigverklaring van het rijbewijs van eiser vanaf 15 mei 2026. Met het bestreden besluit van 12 augustus 2026 heeft het CBR het bezwaar van eiser tegen die ongeldigverklaring ongegrond verklaard. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld tegen dit besluit en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiser daartegen.
De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De voor de beoordeling van beroep en het verzoek belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop
2. Bij besluit van 8 mei 2026 heeft het CBR het rijbewijs van eiser ongeldig verklaard vanaf 15 mei 2026, omdat uit onderzoek is gebleken dat er sprake is van alcoholmisbruik, dat niet gestopt is, ten tijde van de keuring op 14 januari 2026.
Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Bij beslissing op bezwaar van 12 augustus 2026 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het beroep en het verzoek op 23 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser met mr. M. Draaijers als waarnemer van de gemachtigde en de gemachtigde van het CBR.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
De totstandkoming van de ongeldigverklaring
3. Eiser is in het kader van de vorderingsprocedure op grond van artikel 130 en verder van de Wegenverkeerswet 1994 onderzocht met betrekking tot alcoholmisbruik. Het betreft een eerste onderzoek binnen dit kader. Eiser is de afgelopen vijf jaar één keer aangehouden in verband met rijden onder invloed van alcohol, namelijk op 12 september 2025 met een promillage van 1,863 ‰. Tijdens het verhoor verklaarde eiser dat hij drie biertjes had gedronken en dat hij vanwege een feestje in Dubai de afgelopen 24 uur 24 halve liters bier had gedronken.
Uit het verslag van bevindingen dat is opgesteld naar aanleiding van het onderzoek op 14 januari 2026 blijkt dat de keurend arts (psychiater) op basis van alle relevante gegevens is gekomen tot de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik. Hierbij heeft de psychiater opgemerkt dat hij het aannemelijk achtte dat eiser ten tijde van de keuring niet was gestopt met het alcoholmisbruik. Uit het onderzoek komen de volgende, in dit kader relevante, afwijkende bevindingen naar voren:
ondanks het verhoogde promillage bij de aanhouding voelde eiser zich niet dronken en bemerkte ook geen andere ernstige intoxicatieverschijnselen. Het feit dat hiervan bij eiser geen sprake was vormt een aanwijzing voor tolerantie, indicatief voor een voorgaande periode van overmatig alcoholgebruik.
er is sprake van een discrepantie tussen de beschreven tolerantie enerzijds en de algemene alcoholanamnese anderzijds. Bij het opgegeven alcoholgebruik is een dergelijke tolerantie minder waarschijnlijk. Aannemelijk is dat sprake is van onderrapportage van het normale alcoholgebruik.
gezien de betrekkelijk lage pakkans is het niet direct aannemelijk dat eiser ondanks een betrekkelijk normale alcoholanamnese - één dag doorschiet en vervolgens juist die dag wordt aangehouden tijdens een routinecontrole. Waarschijnlijker is sprake van onderrapportage van het normale alcoholgebruik.
er is sprake van een discrepantie tussen het opgegeven alcoholgebruik ten tijde van de laatste aanhouding en de AAG/BAG. Deze discrepantie duidt op onderrapportage van het normale alcoholgebruik.
Hoewel bovenstaande bevindingen afzonderlijk niet concludent hoeven te zijn, is juist de
combinatie suspect voor alcoholproblematiek ten tijde van de laatste aanhouding. Zeker ook indien deze worden bezien in het licht van de duidelijk verhoogde prevalentie van stoornissen in het gebruik van alcohol in de populatie die is aangehouden vanwege het rijden onder invloed van alcohol. Dit overwegende dient volgens de psychiater de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik in de zin van de wet te worden gesteld.
Over de stopdatum merkt de psychiater op dat eiser heeft verklaard dat het gebruik van alcohol sinds de laatste aanhouding in essentie onveranderd is gebleven. Dit betekent dat de gronden waarop de diagnose is gesteld nog voortduren. Ongeacht de bloeduitslagen is het derhalve niet aannemelijk dat eiser met het alcoholmisbruik is gestopt.
Het CBR is vervolgens overgegaan tot de bestreden besluitvorming.
Heeft het CBR terecht het rijbewijs ongeldig verklaard?
4. De voorzieningenrechter stelt vast dat eiser de conclusies van de psychiater over het alcoholmisbruik niet weerspreekt. Wel bestrijdt hij dat er geen stopdatum is vastgesteld. Hij vindt dat het CBR onvoldoende heeft onderbouwd waarom het niet aannemelijk is dat hij na zijn aanhouding met het alcoholmisbruik is gestopt. Het rapport is daarom op dit punt onvoldoende concludent. Het CBR mocht zich daarom hierop bij de besluitvorming over de stopdatum niet baseren.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. Uit de overgelegde stukken blijkt dat eiser tijdens het gesprek met de psychiater zelf heeft verklaard dat zijn alcoholinname voor en na de periode van de aanhouding hetzelfde was. De psychiater is op basis van deze verklaring en de beschikbare gegevens tot de conclusie gekomen dat er sprake is van alcoholmisbruik voor en na de aanhouding. Eiser is het niet eens met de conclusie van de psychiater ten aanzien van het stopmoment, maar heeft er ondanks de mogelijkheid daartoe voor gekozen om geen tweede onderzoek te laten verrichten. Hij heeft ook geen stukken ingebracht die tot een andere conclusie zouden moeten leiden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter mocht het CBR daarom bij de besluitvorming uitgaan van het rapport en de conclusies van de psychiater en het rijbewijs van eiser op grond daarvan ongeldig verklaren.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wegenverkeerswet 1994
Artikel 130, eerste lid
Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.
Artikel 131, eerste lid
Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen, respectievelijk tot:
a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of
b. een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid.
Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen.
Artikel 133
1. In de in artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel b, bedoelde gevallen legt het CBR bij het in dat artikel bedoelde besluit betrokkene de verplichting op zich te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.
2. Het CBR bepaalt de aard van het onderzoek en bepaalt door welke deskundige of deskundigen het onderzoek zal worden verricht.
Artikel 134
1. Het CBR stelt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de bevindingen van de deskundige of deskundigen, de uitslag van het onderzoek vast. Van deze uitslag doet het CBR mededeling aan betrokkene. Indien een of meer deskundigen bij hun bevindingen hebben aangetekend dat inzage daarvan naar hun oordeel kennelijk ernstig nadeel voor betrokkene zou opleveren, deelt het CBR de bevindingen schriftelijk mede aan de door betrokkene aangewezen vertrouwensarts.
2. Het CBR besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.
3. Indien het CBR voornemens is het rijbewijs ongeldig te verklaren, deelt het dit mede aan de houder, tevens onder mededeling van de bevoegdheid van betrokkene om binnen twee weken een tweede onderzoek te verlangen.
Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011
Artikel 27
Het CBR besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, bedoeld in artikel 134, derde lid, van de wet, indien de uitslag van het onderzoek, respectievelijk de onderzoeken, inhoudt dat betrokkene:
a. niet de rijvaardigheid bezit voor de desbetreffende categorie of categorieën motorrijtuigen;
b. niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijk en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën motorrijtuigen.
Regeling eisen geschiktheid 2000
Bijlage, paragraaf 8.8. Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)
Voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen is een specialistisch rapport vereist.
Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt.
Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport geschikt - kunnen worden geacht.
Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.
8.8.1. Het regelmatig gebruik maken van psychoactieve middelen in dusdanige hoeveelheden dat het rijgedrag daardoor ongunstig wordt beïnvloed, valt mede onder het begrip misbruik van psychoactieve middelen, als bedoeld in paragraaf 8.8. Paragraaf 8.8 is daarmee ook van toepassing op personen die regelmatig gebruik maken van psychoactieve middelen in zodanige hoeveelheden dat daardoor de rijvaardigheid ongunstig wordt beïnvloed.