ECLI:NL:RBGEL:2026:786

ECLI:NL:RBGEL:2026:786

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 16-01-2026
Datum publicatie 03-02-2026
Zaaknummer 05/238465-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt een 26-jarige man voor het medeplegen van het dealen en het in bezit hebben van heroïne en cocaïne. De rechtbank legt een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, op.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer: 05/238465-24

Datum uitspraak : 16 januari 2026.

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1999 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres 1] .

Raadsman: mr. A. Wijburg, advocaat in Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 23 juli 2024 in de gemeente Apeldoorn, in ieder geval in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.hij op of omstreeks 23 juli 2024 in de gemeente Apeldoorn, in ieder geval in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 25,19 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 0,44 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard ten aanzien van feit 1 op de dagvaarding wegens strijd met het ne bis in idem-beginsel ex artikel 68 Sr. Cliënt is namelijk binnen de ten laste gelegde periode vervolgd en in hoger beroep veroordeeld voor respectievelijk:

In de onderhavige zaak is ook (het medeplegen van) handel in cocaïne en heroïne tenlastegelegd, en de pleegdata uit de eerdere veroordelingen vallen binnen de nu ten laste gelegde periode. Gelet hierop stelt de verdediging zich op het standpunt dat er sprake is van ‘hetzelfde feit’ als bedoeld in artikel 68 Sr.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld er sprake is van overlap in de periode maar dat dit geen strijd oplevert met het ne bis in idem-beginsel ex artikel 68 Sr. Met de eerdere veroordelingen kan bij het bepalen van de strafmaat rekening worden gehouden in de zin van artikel 63 Sr.

Beoordeling door de rechtbank

Verdachte is volgens de verdediging onherroepelijk veroordeeld voor de handel in heroïne gepleegd op 9 december 2021 te Apeldoorn. Ook is hij onherroepelijk veroordeeld voor het medeplegen van de handel in cocaïne gepleegd op 15 juni 2023 te Twello. De rechtbank constateert dat deze twee data vallen binnen de ten laste gelegde periode onder feit 1. De rechtbank merkt daarnaast op dat het hier gaat om hetzelfde feitencomplex als beoogd in de in deze zaak uitgebrachte en zeer ruim geformuleerde tenlastelegging en daarmee als bedoeld in artikel 68 Sr.

De rechtbank zal de officier van justitie dan ook partieel niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van feit 1, namelijk voor zover de tenlastelegging ziet op de data 9 december 2021 en 15 juni 2023.

3a. Overwegingen ten aanzien van de rechtmatigheid van het bewijs

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 bepleit dat er sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek dat niet hersteld kan worden. De verdediging stelt zich, met verwijzing naar de Landeck-jurisprudentie, op het standpunt dat met het onderzoek op de telefoons van verdachte een niet-gerechtvaardigde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte is gemaakt. Gelet daarop verzoekt de verdediging om de resultaten van het onderzoek naar de telefoons uit te sluiten van het bewijs. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat strafvermindering moet volgen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft primair gesteld dat de Landeck-jurisprudentie hier niet opgaat. Ten aanzien van de dealtelefoon is er geen sprake van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte. Ten aanzien van de privé-telefoon ziet de officier van justitie ook geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer omdat het onderzoek duidelijk afgebakend is gedaan. Daarnaast heeft de raadsman niet geconcretiseerd en onderbouwd welk persoonlijk nadeel daardoor is veroorzaakt. Tot slot stelt de officier van justitie dat als het aan de rechter-commissaris was voorgelegd, er hoogstwaarschijnlijk toestemming voor was gegeven. Als subsidiair standpunt heeft de officier van justitie gesteld dat, wanneer de rechtbank concludeert dat er wel sprake is geweest van een vormverzuim, dit niet tot een rechtsgevolg moet leiden.

Beoordeling door de rechtbank

Privé-telefoon van verdachte

De rechtbank is van oordeel dat er weliswaar sprake is geweest van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv, maar dat hier geen rechtsgevolg aan moet worden verbonden.

De rechtbank is van oordeel dat volgens de recente Landeck-jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie en de daarop voortbouwende Hoge Raad-jurisprudentie voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris is vereist voor onderzoek aan een smartphone, als te verwachten is dat dit onderzoek een meer dan geringe inbreuk zal opleveren op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker. Van zo’n inbreuk is volgens de Hoge Raad al sprake, wanneer door het onderzoek meer dan oppervlakkig inzicht wordt verkregen in de communicatie die door middel van de smartphone is uitgewisseld. Nu het hoofddoel van het onderzoek aan de telefoon was om inzicht te krijgen in de communicatie die daarmee was uitgewisseld, had het Openbaar Ministerie voorafgaand aan het onderzoek toestemming moeten vragen aan de rechter-commissaris. Doordat dit niet is gedaan, is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv.

De rechtbank zal echter geen rechtsgevolgen verbinden aan dit vormverzuim, op grond van het volgende.

Ten eerste is de privé-telefoon onderzocht in 2023. Onder de destijds geldende jurisprudentie was het niet zonder meer duidelijk dat voor een dergelijk onderzoek toestemming van een rechter-commissaris nodig was. Er kan dus niet gezegd worden dat het Openbaar Ministerie destijds willens en wetens een rechtsnorm heeft geschonden door de telefoon zonder deze toestemming te onderzoeken. Dit relativeert de ernst van het vormverzuim, en maakt dat sanctionering om het Openbaar Ministerie ervan te weerhouden dergelijke vormverzuimen in de toekomst te blijven plegen, zoals de raadsman heeft bepleit, niet nodig is.

Ten tweede gaat de rechtbank, gelet op de ernst en de aard van de verdenking (handel in verdovende middelen op redelijk grote schaal en gedurende langere tijd) in het kader waarvan de doorzoeking is verricht, er vanuit dat de rechter-commissaris, indien daartoe verzocht, toestemming zou hebben gegeven om de privé-telefoon te onderzoeken. Ook dit relativeert de ernst van het vormverzuim.

Ten derde heeft de verdediging het nadeel voor de verdachte als gevolg van het vormverzuim maar zeer beperkt concreet gemaakt, door bijvoorbeeld te wijzen op specifieke privacygevoelige gegevens die door het onderzoeksteam zijn ingezien.

Bovenstaande leidt ertoe dat de rechtbank geen rechtsgevolg verbindt aan het vormverzuim, en de informatie die door het onderzoek van de privé-telefoon is verkregen voor het bewijs zal gebruiken.

Dealtelefoon

De rechtbank is van oordeel dat de Landeck-jurisprudentie niet van toepassing is op de zogenoemde ‘dealtelefoon’, nu deze telefoon niet privé werd gebruikt, maar enkel voor de handel in verdovende middelen.

3b. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan beide feiten. Volgens de officier van justitie volgt uit het dossier dat verdachte zich ook al in 2020 en 2021 heeft bezig gehouden met de handel in verdovende middelen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van een deel van de ten laste gelegde periode, nu op basis van dit dossier niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat hij (met een ander) gedeald zou hebben in de periode voorafgaand aan de twee jaar sinds zijn aanhouding. Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging geen verweer gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1:

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 29 t/m 32;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 46;

- het proces-verbaal forensisch onderzoek verdovende middelen, p. 52 t/m 61;

- rapporten NFiDENT, p. 62 t/m 68;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 96 t/m 97;

- het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 36 t/m 39;

- het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] bij de rechter-commissaris, p. 2;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 december 2025.

Periode

De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende overtuigend bewijs is dat de verdachte in de periode van 1 januari 2020 tot 1 januari 2022 bezig was met de handel in cocaïne en heroïne. Getuige [getuige 1] heeft op 23 juli 2024 verklaard dat hij ongeveer sinds 2 jaar cocaïne bij verdachte en medeverdachte heeft gekocht. Getuige [getuige 2] heeft op 18 februari 2025 bij de rechter-commissaris verklaard dat hij tot het verhoor bij de politie op 1 augustus 2024 ongeveer vanaf 2 tot 2,5 jaar geleden cocaïne afnam van de verdachte en de medeverdachte. Gelet op de verklaring van verdachte, die ondersteund worden door de verklaringen van [getuige 1] en van [getuige 2] , stelt de rechtbank de periode waarin verdachte cocaïne en heroïne heeft gedeald vast op 1 januari 2022 tot en met 23 juli 2024. De rechtbank merkt daarbij nog op dat uit de notitie, die voor het eerst is aangemaakt in 2020, die op de telefoon is aangetroffen met namen en telefoonnummers van afnemers, niet met voldoende zekerheid kan worden afgeleid dat verdachte en de medeverdachte zich toen al bezighielden met dealen. Er is niet vastgesteld wat de inhoud van de notitie was in 2020, terwijl de inhoud wel tussentijds kan zijn gewijzigd, zodat de enkele constatering dat het bestand in 2024 een bepaalde inhoud had, nog niet de conclusie rechtvaardigt dat het die inhoud ook bevatte in 2020.

Feit 2:

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 29 t/m 32;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 46;

- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 52 t/m 61;

- meerdere schriftelijke bescheiden, te weten: Rapporten NFiDENT, p. 62 t/m 68;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 december 2025.

4. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2022 tot en met 14 juni 2023 en van 16 juni 2023 tot en met 23 juli 2024 in de gemeente Apeldoorn, in ieder geval in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.hij op of omstreeks 23 juli 2024 in de gemeente Apeldoorn, in ieder geval in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 25,19 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 0,44 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

feit 2:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

6. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

8. De overwegingen ten aanzien van de straf

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en met bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, de redelijke termijn en artikel 63 Sr, een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest bepleit. De verdediging stelt zich op het standpunt dat er ook een forse, deels voorwaardelijke, taakstraf kan worden opgelegd als stok achter de deur.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim 2,5 jaar samen met medeverdachte schuldig gemaakt aan het medeplegen van de handel in cocaïne en heroïne. Het gebruik van harddrugs levert grote gezondheidsrisico’s voor de gebruikers op. Verder gaat de handel in harddrugs vaak gepaard met andere strafbare feiten die ondermijnend en maatschappij-ontwrichtend werken. Verdachte heeft door harddrugs in te kopen en weer te verkopen een bijdrage geleverd aan het in stand houden van deze markt. Daarnaast heeft verdachte een hoeveelheid cocaïne en heroïne voorhanden gehad.

Uit de justitiële documentatie van verdachte van 6 november 2025 blijkt dat hij eerder voor soortgelijke feiten met politie en justitie in aanraking is gekomen.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 13 maart 2025 waaruit volgt dat verdachte dit keer een andere houding heeft laten zien dan de vorige keren dat hij contact had met de reclassering, dat hij zich coöperatief opgesteld heeft richting de reclassering en openstaat voor hulpverlening. Het algemene recidiverisico wordt desalniettemin op hoog ingeschat, kijkend naar het delictverleden. Er worden nog diverse problematische leefgebieden gezien. Verdachte gebruikte voorafgaand aan de preventieve hechtenis gemiddeld vijf gram cannabis per dag, hij heeft geen opleiding afgerond, heeft geen werkervaring en door problemen thuis woonde hij bij zijn oma die geen zicht op hem had. Daarnaast wordt er nog een risico gezien in het feit dat verdachte en de medeverdachte pas de helft van hun ‘investering’ hadden afbetaald. De reclassering vraagt zich af of dit nog gevolgen voor hen gaat krijgen vanuit het criminele milieu. Gezien de veranderende houding van verdachte ziet de reclassering nu wel de mogelijkheid om met hem aan de slag te gaan en in te zetten op het vergroten van de beschermende factoren. De reclassering denkt dat een reclasseringstoezicht met voorwaarden verdachte gemotiveerd kan houden voor gedragsverandering en het opbouwen van een maatschappelijk geaccepteerd bestaan. Een voorwaardelijke straf kan ook dienen als stok achter de deur. De reclassering adviseert om de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen:

Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim 30 maanden in vereniging beziggehouden met de handel in cocaïne. Daar komt bij dat hij 25,19 gram cocaïne en 0,44 gram heroïne aanwezig heeft gehad. In beginsel rechtvaardigen deze feiten een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank houdt rekening met de proceshouding van verdachte en het feit dat verdachte een goede weg is ingeslagen en echt bereid lijkt te zijn om het drugscircuit achter zich te laten. De rechtbank is echter van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest in combinatie met een forse, deels voorwaardelijke, taakstraf, zoals bepleit door de verdediging,onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de lange pleegperiode. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur is daarom passend en geboden.

Omdat de rechtbank het wel van groot belang vindt dat verdachte de positieve ontwikkelingen die hij doormaakt doorzet, zal de rechtbank een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen als flinke stok achter de deur.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de dagen die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht met een proeftijd van drie jaren passend en geboden. De rechtbank legt daarbij de bijzondere voorwaarden op zoals geadviseerd door de reclassering, met uitzondering van het contactverbod. De rechtbank is van oordeel dat dit contactverbod niet langer noodzakelijk is.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

9. De beoordeling van het beslag

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de telefoons moeten worden onttrokken aan het verkeer.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het beslag.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank zal de telefoons met behulp waarvan feit 1 is begaan of voorbereid verbeurdverklaren.

De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

10. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:

- 14 a, 14b, 14c, 33, 33a, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;

- 2 en 10 van de Opiumwet.

11. De beslissing

De rechtbank:

 verklaart de officier van justitie partieel niet-ontvankelijk in de strafvervolging ten aanzien van feit 1, voor de data 9 december 2021 en 15 juni 2023;

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden;

 stelt als bijzondere voorwaarden dat:

1. verdachte zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij [kliniek]

verslavingsreclassering op het adres [adres 2] . Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

2. verdachte zich laat behandelen door [kliniek] verslavingszorg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;

3. verdachte gedurende zes maanden op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op het verblijfadres. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met verdachte en mede afhankelijk van de dagbesteding. Bij de start hoeft verdachte op doordeweekse dagen met dagbesteding een aaneengesloten blok van 12 uur niet op het verblijfadres te zijn. Op dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 2 uur. In de weekenden heeft verdachte een aaneengesloten blok van 4 uur per dag vrij te besteden. Verdachte werkt mee aan elektronische monitoring op dit locatiegebod. Het huidige verblijfadres is [adres 1] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft. Verdachte gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische monitoring nodig is dat betrokkene in Nederland blijft. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering de genoemde bloktijden veranderen of het locatiegebod laten vervallen;

4. verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk of een opleiding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;

5. verdachte meewerkt aan controle van het gebruik van drugs (waaronder THC) om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd.

 geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de bovengenoemde voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

 Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis;

 verklaart verbeurd de twee mobiele telefoons (Apple iPhones met goednummers 3258544 en 3258551).

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. A. Bril
  • mr. I.S. Termaat

Griffier

  • mr. D. van Doorn

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?