beslissing
RECHTBANK GELDERLAND, locatie Arnhem
Wrakingskamer
zaaknummer: C/05472813 KG RK 26-755
Beslissing van 1 oktober 2026
van de wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
verblijvende bij [naam] te [plaats],
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. G.F. van den Berg,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit het proces-verbaal van 22 september 2026 waarin het mondelinge wrakingsverzoek is vermeld, met hieraan gehecht een schriftelijke uiteenzetting van verzoeker.
2. Het wrakingsverzoek
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer C/05/472177 / FZ RK 26-2391.
Verzoeker heeft blijkens de schriftelijke uiteenzetting het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd.
Op 30 mei 2002 is door de rechtbank Utrecht een uitspraak gedaan die inmiddels definitief en onherroepelijk is geworden. Op 17 mei 2025 en 10 oktober 2025 is deze uitspraak genegeerd door mr. C.A.W. van Apeldoorn en mr. A.E. Crosscourt (de rechtbank begrijpt: Grosscurt). Hiermee is door hen in strijd met het fundamentele rechtsbeginsel van de kracht van gewijsde gehandeld. De huidige rechter negeert de bindende uitspraak van 30 mei 2002 volledig en staat toe dat er telkens opnieuw in strijd met het ne bis in idem-beginsel (artikel 4 van het 7e protocol van het EVRM) dezelfde procedure wordt gestart.
Tijdens eerdere zittingen op 27 mei 2025 en 10 oktober 2025 zijn verzoeker en zijn advocaat door de betrokken rechters genegeerd en is hen niet de gelegenheid geboden hun verweer effectief te voeren. Door het opnieuw plannen van een zitting, het herhaaldelijke negeren van eerdere rechtbankuitspraken en niet te luisteren (hoor en wederhoor) naar verzoeker en diens raadsman blijkt de vooringenomen houding van de rechter.
Er is een medische verklaring opgesteld die in strijd is met de wettelijke zorgvuldigheidseisen. Tijdens eerdere zittingen op 27 mei 2025 en 10 oktober 2025 is het verzoeker en zijn advocaat niet toegestaan de gebreken en schendingen van artikel 24, 26 en 28 van de Wet zorg en dwang (Wzd) aan te voeren. Er was dan ook sprake van vooringenomenheid bij de betrokken rechters dat een eerlijk proces (artikel 6 EVRM) onmogelijk maakte.
De rechter heeft de verweren van verzoeker en zijn advocaat ten aanzien van de betrouwbaarheid van de medische stukken genegeerd. Er was dan ook sprake van schending van hoor en wederhoor en het wekte de schijn dat de uitkomst van de zitting al bij voorbaat vaststond.
3. De beoordeling
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
Uit het verzoek blijkt niet dat dit verzoek betrekking heeft op de rechter die, op dit moment, met de behandeling van de zaak belast is. De gronden die verzoeker aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag heeft gelegd, hebben immers betrekking op de rechters die op 27 mei 2025 en 10 oktober 2025 eerdere zittingen behandeld hebben waarbij verzoeker betrokken was. Het handelen en de beslissingen van de rechters van die eerdere zittingen, kunnen niet worden toegeschreven aan de rechter van de zitting van 22 september 2026.
De wrakingskamer zal het verzoek tot wraking daarom afwijzen.
Voor een behandeling van het verzoek op een mondelinge behandeling bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.
4. De beslissing
De wrakingskamer van de rechtbank wijst het verzoek tot wraking af.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.