RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Tegenspraak
Parketnummer: 05/238465-24
Datum uitspraak : 16 januari 2026.
uitspraak van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1999 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] .
Raadsman: mr. A. Wijburg, advocaat in Amsterdam.
1. De inhoud van de vordering
De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en dat de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie primair is geschat op € 312.919,88.
2. De procedure
De zaak is op een openbare terechtzitting onderzocht.
De officier van justitie heeft primair ter terechtzitting gepersisteerd bij de vordering. Subsidiair heeft de officier van justitie, als er wordt uitgegaan van de verklaringen van verdachte, ter terechtzitting de vordering aangepast en gevorderd dat de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel vaststelt op een totaal van € 201.112,95.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel onjuist is berekend. Allereerst heeft de verdediging bepleit dat de onderzoeksperiode onjuist is vastgesteld en dat er moet worden gerekend vanaf 1 januari 2022. In plaats van dat er met 1655 dagen wordt gerekend, moet aldus worden gerekend met 934 dagen. Ook is er bij de berekening van het wedderrechtelijk verkregen voordeel volgens de verdediging geen rekening gehouden met het feit dat de inkoopprijzen van cocaïne in de jaren voorafgaand aan 2023 een stuk hoger lagen dan in 2023. De verdediging heeft bepleit dat het gemiddelde van 2022 en 2023 moet worden genomen, hetgeen uitkomt op € 29,62. Tot slot stelt de verdediging zich op het standpunt dat er rekening gehouden moet worden met de kosten die verdachte en de medeverdachte hebben gemaakt voor het afbetalen van de dealerlijn. Beide verdachten hebben verklaard dat zij uiteindelijk ongeveer de helft van de lijn hebben afbetaald, hetgeen uitkomt op een bedrag van € 50.000,- . De verdediging schat het wederrechtelijk verkregen voordeel op € 41.184,98.
3. De beoordeling van de vordering
De rechtbank heeft kennisgenomen van het op 16 januari 2026 tegen veroordeelde gewezen vonnis waarbij veroordeelde ter zake van het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en met aftrek van het voorarrest.
De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten en baseert zich op de volgende bewijsmiddelen.
Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel neemt de rechtbank het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex artikel 36e lid 2 Wetboek van Strafrecht (hierna: het rapport) als uitgangspunt. In het rapport heeft de politie een berekening gemaakt van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank zal wel enkele nuanceringen aanbrengen in de berekening van het rapport.
De ontnemingsperiode
In het rapport is de politie uitgegaan van een periode lopend van 1 januari 2020 tot en met 23 juli 2024. De rechtbank brengt de periode waarover het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt berekend op grond van de in het strafvonnis bewezenverklaarde periode terug van 1665 dagen naar 935 dagen. De rechtbank gaat aldus uit van een periode lopend van 1 januari 2022 tot en met 23 juli 2024.
Het aantal transacties
Het aantal transacties wordt in het rapport vastgesteld op gemiddeld 7,6 per dag. Dat komt de rechtbank aannemelijk voor. De rechtbank gaat daarom uit van gemiddeld 7,6 deals per dag in de periode van 1 januari 2022 tot en met 23 juli 2024. Zoals hierboven vastgesteld gaat de rechtbank uit van een periode van 935 dagen. Dit levert de volgende berekening op: 935 x 7,6 = 7.106 aantal transacties.
Inkomsten
Voor de berekening van de inkomsten wordt in het rapport uitgegaan van een verkoopprijs van € 40,- per ponypack (die werd verkocht als een gram aan de afnemers).
De verkoopopbrengst kan dan worden gesteld op 7.106 x € 40,- (verkoopprijs grote ponypack die verkocht werd als 1 gram) = € 284.240,-
Kosten
Om het wederrechtelijk verkregen voordeel te bepalen, dienen van de hiervoor genoemde omzet de kosten te worden afgetrokken.
Inkoopprijs
Veroordeelde en [medeveroordeelde] hebben verklaard dat zij een grote ponypack verkochten als één (1) gram, maar dat er daadwerkelijk maar 0,7 gram in een grote ponypack zat. Dat wordt bevestigd door de weging van bij verdachten aangetroffen 11 ponypacks. Die wogen in totaal 7,46, wat neerkomt op een gemiddeld gewicht per ponypack van 0,67 gram.
Uit bovenstaande is op te maken dat het daadwerkelijke gewicht van één (1) grote ponypack met daarin cocaïne zelfs minder was dan 0,7 gram. In het voordeel van de verdachten gaat het rapport er toch vanuit dat er 0,7 gram in één (1) grote ponypack met daarin cocaïne zat.
Met de 7.106 transacties is dus in totaal 4.974 gram verkocht (een gedeelte van 0,7 van 7.106).
In het rapport wordt ervan uitgegaan dat 70% van de inhoud van een ponypack pure cocaïne was, en de overige 30% versnijdingsmiddelen. De verkochte 4.974 gram cocaïne bestond dus uit 3.481 gram pure cocaïne, en 1.493 gram versnijdingsmiddelen.
De inkoopprijs is door de politie in het rapport vastgesteld op € 28,21 per gram pure cocaïne. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit bedrag naar boven aan te passen zoals door de verdediging is bepleit, aangezien in 2024 de prijzen voor cocaïne zijn gehalveerd. De totale inkoopprijs van de pure cocaïne is dan € 28,21 x 3.481 = €. 98.199,01.
Versnijdingsmiddelen
Zoals hierboven vastgesteld hadden de veroordeelden in totaal 1.493 gram versnijdingsmiddel nodig. Het is bekend dat o.a. Inositol wordt gebruikt voor het versnijden van cocaïne. De politie heeft in het rapport op het openbare internet gezocht naar een prijs voor de Inositol. Uit dit onderzoek bleek dat 100 gram Super Vita Inositol een inkoopprijs had van € 36,-. Dit levert het volgende bedrag aan kosten versnijdingsmiddel op: (1.493/100) x € 36,- = € 537,48.
Autokosten
Binnen het onderzoek is het bekend geworden dat de veroordeelde en [medeveroordeelde] een voertuig gebruikten voor de leveringen van de verdovende middelen. Veroordeelde en [medeveroordeelde] waren actief in Apeldoorn, maar ook in de omliggende plaatsen. De kosten worden geschat op € 10,- per dag.
Dit levert de volgende berekening op:
935 (dagen dealperiode) x € 10,- (geschatte autokosten per dag) = € 9.350, - (totale geschatte autokosten).
Telefoonkosten
Uit dit onderzoek is het ook bekend geworden dat de veroordeelde en [medeveroordeelde] gebruik maakten van één (1) dealtelefoon met daarin het dealtelefoonnummer [telefoonnummer] . Dit dealtelefoonnummer maakte gebruik van het netwerk van Odido. De politie heeft op internet onderzoek gedaan naar de kosten voor een abonnement. Hieruit bleek dat een eenjarig Sim-Only abonnement met 2GB data en onbeperkt bellen/sms'en 16,50 per maand kost.
De bewezen verklaarde dealperiode bedraagt bijna 31 maanden.
Dit levert de volgende berekening op: 31 x 16,50 = € 511,50.
Het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel
Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel stelt de rechtbank vast op:
€ 284.240 opbrengst minus inkoop ad € 98.199,01 minus de overige kosten ad € 10.398,98 = € 175.642,01.
Verdeling wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank is van oordeel dat veroordeelde en [medeveroordeelde] zich tezamen en in vereniging hebben beziggehouden met de handel in verdovende middelen, waardoor de rechtbank een pondspondsgewijze toerekening aangewezen acht.
De rechtbank zal dus het wederrechtelijk verkregen voordeel dat veroordeelde heeft genoten vaststellen op € 87.821,- (€ 175.642,01 / 2).
Verbeurdverklaring geldbedrag € 614,-
De rechtbank overweegt dat door de verbeurdverklaring van voorwerpen, die kunnen worden aangemerkt als opbrengst van een strafbaar feit, kan worden bereikt dat aan een veroordeelde al wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen. Wordt in een dergelijk geval, zoals in de zaak van veroordeelde, ook een ontnemingsmaatregel opgelegd dan dient, gelet op het karakter van de maatregel, de waarde van de verbeurdverklaarde voorwerpen in mindering te worden gebracht op de betalingsverplichting. De rechtbank zal € 614,- in mindering brengen op het totaalbedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit betekent dat in mindering zal worden gebracht: € 614 / 2 is € 307,- Daarmee komt de betalingsverplichting op: € 87.514,- ((€ 87.821 - € 307).
Duur gijzeling
Ingevolge artikel 36e, elfde lid, Sr zal de rechtbank de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd vaststellen. De rechtbank hanteert bij de berekening van de duur het LOVS-oriëntatiepunt, inhoudende dat voor iedere volle € 50,- van het opgelegde bedrag één dag gijzeling wordt gerekend, met een maximum van 1080 dagen.
Conclusie
Op grond van de aangehaalde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen tot een bedrag van € 66.505,38 en zal hem veroordelen tot betaling van dit bedrag aan de Staat.
4. De toegepaste wettelijke bepalingen
De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
5. De beslissing
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 87.821 ;
- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 87.514;
- bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering op 1080 dagen.
Aldus gegeven door mr. L.C.P. Goossens (voorzitter), mr. A. Bril en mr. I.S. Termaat, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. van Doorn griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 januari 2026.
mr. Goossens is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.