RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2026
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beuningen
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 26/2091 en 26/2103
in de zaken tussen
P3B Onroerend Goed B.V., [eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] , [eiser 5] , [eiser 6] en [eiser 7] , [eiser 8] ,
uit [plaats 1] , eisers
(gemachtigden: mr. R . Blom en mr. M.T.M. Vroklage),
[eiseres] ,
uit [plaats 2] , eiseres
en
(gemachtigde: mr. drs. M.J.M. Verhulst).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Centraal orgaan opvang asielzoekers (COA) uit Den Haag
(gemachtigde: mr. L. van Els).
1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning die aan het COA is verleend voor de opvang van 55 alleenstaande minderjarige vreemdelingen voor een periode van 10 jaar in een voormalig kantoorpand. Eisers zijn het niet eens met deze omgevingsvergunning. Aan de hand van de beroepsgronden van eisers beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd waarom het toestaan van de opvanglocatie op deze plek en in deze vorm voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college heeft de omgevingsvergunning dus mogen verlenen. Eisers krijgen dus geen gelijk en de beroepen zijn ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding en procesverloop
2. Aan de rand van het bedrijventerrein “Schoenaker” in Beuningen staat op het [perceel ] een (leegstaand) kantoorgebouw van drie verdiepingen. Op 14 november 2025 heeft het COA een omgevingsvergunning voor de activiteit “afwijken van het omgevingsplan” (BOPA) aangevraagd voor het realiseren van een opvanglocatie voor maximaal 55 minderjarige asielzoekers voor een periode van 10 jaar in het kantoorgebouw. Op het terrein wordt ook een nieuw tijdelijk gebouw opgericht ten behoeve van administratieve en recreatieve ruimtes. De buitenruimte wordt ingericht voor de stalling van fietsen, parkeren, verblijf en recreatie (pannakooi).
Op het perceel is het bestemmingsplan “Schoenaker” van toepassing. Dit bestemmingsplan maakt op grond van artikel 4.6, eerste lid, aanhef en onder g, van de Invoeringswet Omgevingswet deel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Beuningen. Het perceel is in het bestemmingsplan bestemd als “Kantoor”. Binnen deze bestemming is een opvanglocatie niet toegestaan. Omdat de opvang van asielzoekers in strijd is met het bestemmingsplan, is een omgevingsvergunning voor het afwijken van het omgevingsplan vereist. Voor het (ver)bouwen zijn ook andere omgevingsvergunningen vereist. De aanvraag ziet echter alleen op het afwijken van het omgevingsplan (fase 1). Op een later tijdstip wordt een aanvraag ingediend voor de bouwactiviteiten (fase 2).
Op de aanvraag heeft het college de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing verklaard omdat het volgens het college gaat om een activiteit die aanzienlijke gevolgen heeft of kan hebben voor de fysieke leefomgeving en waartegen naar verwachting verschillende belanghebbenden bedenkingen zullen hebben. De ontwerp-omgevingsvergunning heeft vanaf 6 januari 2026 voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen. Alle eisers, behalve [eiser 8] , hebben een zienswijze ingediend.
Bij besluit van 9 maart 2026 heeft het college aan het COA de omgevingsvergunning verleend. Het besluit is inhoudelijk gelijk gebleven aan het ontwerpbesluit met dien verstande dat het college aan de omgevingsvergunning extra voorschriften heeft verbonden over de aanwezigheid van beveiliging en hulpverleners, het omwonendenoverleg, het bedrijfsnoodplan en het meldsysteem van overlast. Aan de omgevingsvergunning is de ruimtelijke onderbouwing “Opvanglocatie Schoenaker Beuningen, Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving” van [ingenieursbureau] van 23 december 2025 ten grondslag gelegd. In deze ruimtelijke onderbouwing wordt gemotiveerd waarom er volgens het college sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de beroepen op 21 september 2026 gelijktijdig op zitting behandeld. Hieraan heeft eiseres deelgenomen. Namens eisers zijn mr. B. Blom en mr. M.T.M. Vroklage verschenen samen met [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 6] . en [eiser 7] .
Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. M.J.M. Verhulst, [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] , en namens het COA zijn mr. L. van Els, [persoon 1] en [persoon 2] verschenen.
Beoordeling door de rechtbank (zaaknummer 26/2091)
Terinzagelegging ontwerpvergunning
3. Eiseres geeft aan dat op de eerste dag van de zienswijzetermijn (7 januari 2026) de documenten niet digitaal raadpleegbaar waren. Eiseres heeft verder aangegeven dat zij mondeling een zienswijze in heeft willen dienen maar dat dit volgens haar niet kon omdat zij door de receptioniste niet werd doorverbonden. Door het niet faciliteren van de mogelijkheid om mondeling een zienswijze in te dienen is volgens eiseres gehandeld in strijd met de wettelijke voorschriften.
Het college heeft toegelicht dat op de eerste dag van de terinzagelegging door een storing de documenten niet digitaal raadpleegbaar waren, maar daarna wel. Niet is gebleken dat andere personen die het niet eens waren met de omgevingsvergunning door deze korte storing geen zienswijze in hebben kunnen dienen.
Eiseres heeft schriftelijk haar zienswijze ingediend. Daargelaten de vraag of het door het niet doorverbinden door een receptioniste niet mogelijk was om mondeling een zienswijze in te dienen, is er een zienswijze ingediend die door het college is betrokken in de besluitvorming.
De beroepsgrond slaagt niet.
Participatie
4. Eiseres betoogt dat zij als direct betrokkene niet is benaderd door de gemeente of het COA met informatie. Volgens eiseres heeft onvoldoende participatie plaatsgevonden.
De gemeenteraad kan, op grond van artikel 16.55, zevende lid, van de Omgevingswet, gevallen aanwijzen waarin participatie verplicht is voordat een omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit kan worden ingediend. In de beleidsregel “Lijst van gevallen bindend adviesrecht en participatieplicht” zijn door de gemeenteraad categorieën gevallen aanwezen waar aan participatie moet worden gedaan, zoals initiatieven die naar de verwachting van het college voor maatschappelijke onrust zullen zorgen of anderszins controversieel en/of ingrijpend zullen zijn. Deze ontwikkeling valt onder deze categorie dus er moet aan participatie worden gedaan.
In artikel 7.4, tweede lid, van de Omgevingsregeling staat dat als burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken, de aanvrager bij de aanvraag gegevens verstrekt over hoe zij zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.
In paragraaf 6.1 van de ruimtelijke onderbouwing, welke onderdeel uitmaakt van de aanvraag, staat het volgende over de gevoerde participatie:
“Het COA organiseerde eind 2024 de eerste informatieavond. In maart 2025 werden de conceptsituatietekeningen en schetsontwerpen gedeeld met omwonenden en werd input verzameld. Daarnaast vonden in mei en juni 2025 omwonendenavonden plaats, en werden gesprekken met ondernemers gevoerd.
In september 2025 is het voorlopige ontwerp gepresenteerd op basis van de input uit het overleg van maart 2025, waarna opnieuw input is opgehaald. In oktober 2025 heeft een gesprek met omwonenden plaatsgevonden over het thema veiligheid. In november 2025 zijn de uiteindelijke plannen gepresenteerd aan omwonenden en ondernemers. De onderstaande opsomming geeft een overzicht van de participatiemomenten in 2025:
- 15 januari 2025: huis aan huis verspreiding van brieven (80 adressen) met informatie over besluit opvang en uitnodiging. Brieven en mailberichten naar ondernemers, sportverenigingen en maatschappelijke partners;
- 16 januari 2025: startbijeenkomst bedrijven;
- 20 januari 2025: startbijeenkomst voor direct omwonenden om hen te informeren over het besluit over de opvanglocatie;
- 20 januari 2025: een-op-een gesprek met omwonenden (2 woningen die aan het perceel liggen);
- 21 januari 2025: overleg met omliggende sportverenigingen;
- 18 februari 2025: ondernemersoverleg;
- 17 maart 2025: een-op-een gesprek met omwonenden;
- 26 maart 2025: omgevingsgesprek COA;
- 17 april 2025: online informatiesessie voor inwoners uit de hele gemeente;
- 22 april 2025: ondernemersoverleg (met omliggende bedrijven);
- 8 mei 2025: omwonendenoverleg;
- 16 juni 2025: omwonendenoverleg;
- 24 juni 2025: ondernemersoverleg;
- 19 augustus 2025: locatiebezoek met ondernemers;
- 8 september 2025: omgevingsgesprek COA;
- 20 september 2025: overleg kerngroep — bestuurders gemeente;
- 23 september 2025: omwonendenoverleg;
- 5 november 2025: een-op-een gesprek met inwoners en gemeente;
- 11 november 2025: ondernemersoverleg;
- 13 november 2025: omgevingsgesprek COA/ omwonendenoverleg en ondernemersoverleg;
- 17 november 2025: een-op-een gesprek met inwoners en gemeente;
- 19 november 2025: een-op-een gesprek met inwoners en gemeente;
- 25 november 2025: overleg met sportverenigingen.
Daarnaast heeft de gemeente in afstemming met het COA informatie beschikbaar op de website en worden er nieuwsbrieven verzonden naar mensen die zich hiervoor hebben aangemeld.”
De rechtbank neemt aan dat in die gevallen dat participatie verplicht is gesteld, de participatie wel enige betekenis moet hebben. Anders zou het verplicht stellen van participatie weinig zinvol zijn. Het hangt vervolgens af van de aard van het project en de impact op de omgeving wat er in redelijkheid aan participatie gedaan moet worden. Het is in eerste instantie aan het college om te beoordelen of de initiatiefnemer in redelijkheid heeft kunnen volstaan met de verrichte participatie.
De rechtbank stelt vast dat een groot aantal overleggen en bijeenkomsten hebben plaatsgevonden met burgers en ondernemers voordat de aanvraag voor de omgevingsvergunning is ingediend. De keuze van vergunninghouder om bij deze overleggen burgers te betrekken die direct rondom de opvanglocatie wonen acht de rechtbank niet onredelijk. Het is niet mogelijk om met iedereen te overleggen. Omdat eiseres op [nummer] meter van de opvanglocatie woont en hier ook geen zicht op heeft ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat zij actiever in de participatie had moeten worden betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank is gelet op het aantal overleggen en bijeenkomsten dat heeft plaatsgevonden voldoende aan participatie gedaan en heeft het college terecht de aanvraag in behandeling genomen.
De beroepsgrond slaagt niet.
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
5. Eiseres betoogt dat het project in strijd is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties omdat:
de geluidbelasting op het pand wordt overschreden;
de gezondheidsnormen voor stikstof niet worden gehaald;
sprake is van hoge concentraties fijnstof;
de afstandsnormen voor spuitzonering niet worden gehaald;
er plannen zijn om de opvanglocatie uit te breiden op het naastgelegen terrein. De cumulatie van deze effecten had moeten worden beoordeeld.
Artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin eiseres door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in beroep komt.
Eiseres beroept zich op normen die kennelijk strekken tot bescherming van de belangen van de minderjarige vreemdelingen. Omdat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan vernietiging van de verleende omgevingsvergunning om deze reden, laat de rechtbank deze beroepsgronden buiten beschouwing.
Tussenconclusie
6. Het beroep van eiseres is ongegrond.
Beoordeling door de rechtbank (zaaknummer 26/2103)
Toetsingskader
7. Een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleent. In artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De voornaamste vraag die in het kader van deze procedure moet worden beantwoord, is of het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het toestaan van de opvang van de minderjarige asielzoekers op het perceel voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Met andere woorden: het gaat in deze procedure niet over de vraag of er wel of niet in Beuningen vreemdelingen moeten worden opgevangen maar of het college alle ruimtelijke gevolgen van de beoogde opvanglocatie goed heeft onderzocht en alle belangen, waaronder de belangen van omwonenden, goed heeft afgewogen.
Sociale veiligheid
8. Het college heeft in de omgevingsvergunning het volgende overwogen over sociale veiligheid:
“Het COA geeft aan dat er 24 uur per dag, 7 dagen per week begeleiding, gecertificeerde beveiligers en bedrijfshulpverleners aanwezig zijn op de locatie. Deze personen hanteren ook huisregels en zien toe op naleving daarvan, pakken eventuele signalen op over spanningen tussen bewoners, verzorgen dagbesteding, informeren de amv-ers over gedragsregels in Nederland, wanneer nodig schalen zij op naar of vraagt men assistentie aan politie. Er zal een structureel omwonendenoverleg en structureel veiligheidsoverleg met gemeente, politie en indien nodig andere betrokkenen plaatsvinden en er zal een 24/7 bereikbaarheid voor omwonenden geregeld worden. Samen met gemeente en politie is het COA verantwoordelijk voor de leefbaarheid buiten de opvanglocatie. De gemeente is daarbij verantwoordelijk voor het monitoren van de effecten van de tijdelijke opvang in de omgeving en zo nodig in overleg met het COA en de politie (aanvullende) maatregelen te treffen. Gezien alle te nemen maatregelen heeft het college er vertrouwen in dat er sprake zal zijn van een veilig woon- en leefklimaat voor de amv-ers zelf en voor omwonenden, omliggende bedrijven en andere inwoners van de gemeente Beuningen.”
In paragraaf 4.14.1 van de ruimtelijke onderbouwing wordt ook ingegaan op sociale veiligheid:
“Maatregelen die het COA neemt voor beheer in en rond de opvang zijn onder andere: het COA garandeert dat er 24 uur per dag, 7 dagen per week begeleiding, gecertificeerde beveiligers en bedrijfshulpverleners aanwezig zijn op de locatie, huisregels hanteren en toezien op naleving, eventuele signalen over spanningen tussen bewoners oppakken, dagbesteding verzorgen, informeren over gedragsregels in Nederland, wanneer nodig opschalen naar of assistentie vragen aan politie, deelname aan structureel omwonendenoverleg en structureel veiligheidsoverleg met gemeente, politie en indien nodig andere betrokkenen en 24/7 bereikbaarheid voor omwonenden. Beveiliging zit bij de receptie met zicht op de camera's en surveilleert bijvoorbeeld over het buitenterrein.
Verder worden de volgende maatregelen genomen:
- er zijn 24/7 jeugdzorgwerkers aanwezig die jongeren begeleiden;
- elke jongeren heeft een mentor (COA) en voogd (Nidos);
- voor/met elke jongere wordt een begeleidingsplan gemaakt met doelen voor hun ontwikkeling. Mentor, jongere en voogd voeren hierover regelmatig gesprekken. Jongeren zijn leerplichtig.
- COA verzorgt een recreatief en educatief activiteitenprogramma in avonden, weekenden en vakanties;
- er vindt zo vaak als nodig overleg plaats tussen COA, voogden, school, gezondheidszorg, wijkagent en ketenpartners;
- als de locatie net open is, loopt COA vaker rondjes op het terrein en in de buurt om zichtbaar en aanspreekbaar te zijn.
Samen met gemeente en politie is het COA verantwoordelijk voor de leefbaarheid buiten de opvanglocatie. De gemeente is daarbij verantwoordelijk voor het monitoren van de effecten van de tijdelijke opvang in de omgeving en zo nodig in overleg met het COA en de politie (aanvullende) maatregelen te treffen. De politie is verantwoordelijk voor het handhaven van de openbare orde, onder gezag van de burgemeester en de opsporing bij eventueel gepleegde strafbare feiten onder gezag van het Openbaar Ministerie.”
Aan de omgevingsvergunning is het volgende voorschrift verbonden:
“Gedurende de opvang van vluchtelingen dienen onderstaande maatregelen getroffen te worden en in stand te worden gehouden met het oog op de sociale veiligheid:
• op de amv-locatie is 24/7 beveiliging en zijn hulpverleners aanwezig;
• het omwonendenoverleg wordt voortgezet;
• er is een bedrijfsnoodplan in de amv-opvanglocatie aanwezig;
• er is een meldsysteem (telefoon, e-mail) waar omwonenden en andere belanghebbenden bij vergunninghouder overlast kunnen melden.”
Het betoog van eisers
Eisers betogen dat de sociale veiligheid onvoldoende is gewaarborgd met deze voorschriften. Volgens eisers had het college ook de in paragraaf 4.14 van de ruimtelijke onderbouwing genoemde maatregelen als voorschrift aan de omgevingsvergunning moeten verbinden, evenals een veiligheidsplan. Volgens eisers is het onvoldoende om zaken te regelen in werkafspraken met het COA omdat deze niet publiekrechtelijk afdwingbaar zijn voor omwonenden.
Het college heeft aangegeven dat er op het punt van sociale veiligheid een grens zit aan wat in de voorschriften van een omgevingsvergunning kan en moet worden geregeld. Hij heeft daarvoor ook verwezen naar de uitspraken van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam over een andere opvanglocatie. Volgens het college kunnen de voorschriften alleen zien op de veiligheid binnen en direct rondom de openbare locatie en niet op het openbare gebied. Daarom is ervoor gekozen om alleen de onder 8.1 opgenomen voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden. In de werkafspraken die in de bestuursovereenkomst met het COA zijn gesloten is meer geregeld over zaken als de communicatie met inwoners, bereikbaarheid voor omwonenden en omliggende bedrijven, communicatie over incidenten, monitoring en evaluatie van de opvang, instructie van de bewoners van de opvang over de huisregels en de regels in Nederland en de werkwijze van het COA bij overtreding van de huisregels.
Sociale veiligheid is een aspect dat – als de aangevraagde activiteit daartoe aanleiding geeft – dient te worden beoordeeld en gemotiveerd in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het is daarom mogelijk om, als door een activiteit mogelijk sprake is van overlast, voorschriften in de omgevingsvergunning op te nemen om te waarborgen dat het woon- en leefklimaat van omwonenden niet onevenredig wordt aangetast.
Tussen partijen is in deze zaak niet in geschil dat op dit punt voorschriften moeten worden opgenomen in de omgevingsvergunning, maar alleen hoe ver de voorschriften moeten gaan.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college verdergaande voorschriften in de omgevingsvergunning had moeten opnemen, zoals eisers verlangen. Het is primair aan het college om de evenwichtige toedeling van functies aan locaties te beoordelen. Het college heeft de voorschriften aan de vergunning verbonden die hiertoe nodig werden geacht. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de gestelde voorschriften voldoende zijn in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dat eisers suggesties hebben gedaan voor meer specifieke voorschriften, maakt dit oordeel niet anders. Met de opgenomen voorschriften is geborgd dat er 24 uur per dag beveiliging en hulpverleners aanwezig zijn op de locatie om op te treden mocht er sprake zijn van overlast. Hoe aan dit optreden verder concreet invulling wordt gegeven, is in het ruimtelijke spoor niet van belang. Het college heeft daarom af kunnen zien van een voorschrift dat een veiligheidsplan moet worden opgesteld. De rechtbank is verder met het college eens dat voorschriften gericht op onderwerpen als begeleiding door jeugdzorgwerkers, een mentor, een begeleidingsplan, een activiteitenprogramma, overleg met school/gezondheidszorg/wijkagent zich niet lenen om op te nemen als voorschriften in een omgevingsvergunning. Dat is te gedetailleerd en verstrekkend in het kader van een ruimtelijke afweging en daarbij zijn dergelijke voorschriften ook moeilijk handhaafbaar.
De beroepsgrond slaagt niet.
Verkeersveiligheid en verlichting
9. Eisers geven aan dat in de zienswijzenota is opgemerkt dat over de gehele ventweg verlichting wordt aangebracht vóór de opening van de opvanglocatie om de zichtbaarheid van kwetsbare weggebruikers te vergroten. De aanleg van deze verlichting is volgens eisers ten onrechte niet geborgd in de omgevingsvergunning.
Het college heeft op de zitting aangegeven dat de verlichting zal worden aangebracht voordat de locatie in gebruik zal worden genomen. Vanwege deze toezegging hebben eisers op de zitting deze beroepsgrond ingetrokken.
Flora en fauna en uitvoerbaarheid
10. Eisers betogen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het project, ondanks de onduidelijkheid rondom de omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit, uitvoerbaar is. Uit de quickscan Flora en fauna volgt dat mitigerende maatregelen nodig zijn. De resultaten van het vleermuisonderzoek zijn nog niet bekend. Het is daarom niet onderbouwd dat geen belemmering wordt verwacht bij het verkrijgen van de omgevingsvergunning voor de activiteit “flora en fauna”. Deze mitigerende maatregelen zijn niet geborgd in de omgevingsvergunning.
Omvang van het geding
Per 1 januari 2024 zijn de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en Wnb ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Onder het oude recht gold op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening, dat op grond van artikel 5.20 van het Besluit omgevingsrecht ook van toepassing was op omgevingsvergunningen die werden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo, dat in de ruimtelijke onderbouwing bij de omgevingsvergunning ingegaan moest worden op de uitvoerbaarheid. Het was daarbij vaste rechtspraak voor (eventuele) vergunningplichten op grond van de Wnb dat de vraag of een ontheffing of vergunning nodig was op grond van de Wnb aan de orde kon komen in een eventueel te voeren procedure op grond van de Wnb. Dat geldt ook voor de vraag of die ontheffing of vergunning verleend kon worden. Dit deed er niet aan af dat geen omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan mocht worden verleend als het college op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het soorten- of gebiedsbeschermingsregime in de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het project in de weg stond.
Onder de Omgevingswet en de daaronder vallende Algemene Maatregelen van Bestuur is een dergelijke bepaling niet langer opgenomen. Uit de Nota van Toelichting bij het Omgevingsbesluit blijkt echter dat de wetgever met het vervallen van deze bepaling niet heeft beoogd dat de uitvoerbaarheid niet langer moet worden getoetst. In de Nota van Toelichting staat het volgende:
“Tegelijkertijd kan het in strijd worden geacht met een evenwichtige functietoedeling als er functies zouden worden toegedeeld waarvan het op voorhand aannemelijk is dat deze op de desbetreffende locatie nooit kunnen worden verwezenlijkt. Bovendien zou een dergelijke regeling wegens belangen van derden in strijd kunnen zijn met het beginsel van evenredigheid, als zij nadelen ondervinden van de functietoedeling waar het met die toedeling te dienen doel, bij gebrek aan uitvoerbaarheid van de functie, niet tegenop weegt. Zo zal in een plan niet zekerheidshalve een functie-aanduiding «woonwijk» kunnen worden opgenomen als op voorhand duidelijk is dat de woonwijk op die locatie nimmer kan worden gerealiseerd. Er mag met andere woorden van het bevoegd gezag worden verwacht dat het geen functies toedeelt en regels stelt waarvan ten tijde van de vaststelling aannemelijk is dat deze onuitvoerbaar zijn.
Op zichzelf geven het vereiste van een evenwichtige functietoedeling en het evenredigheidsbeginsel voldoende richting voor een zorgvuldige en volledige belangenafweging over de vraag of een functie aan een bepaalde locatie kan en mag worden toegedeeld.”
De rechtbank is daarom, anders dan bijvoorbeeld de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, van oordeel dat ook onder het nieuwe recht de uitvoerbaarheid dient te worden beoordeeld bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het omgevingsplan en dat de bestaande rechtspraak van de Afdeling over uitvoerbaarheid dus van toepassing blijft. Dat de eis dat onlosmakelijke activiteiten samen moeten worden aangevraagd, zoals gold onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), niet meer geldt onder de Omgevingswet impliceert naar het oordeel van de rechtbank niet dat de uitvoerbaarheid niet meer hoeft te worden beoordeeld. Immers, voorheen werd ook bij vergunningen waar de onlosmakelijke samenhang niet voor gold, de uitvoerbaarheid beoordeeld. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat deze beroepsgrond buiten de omvang van het geding valt en zal inhoudelijk op de beroepsgrond ingaan.
Inhoudelijk
Zoals het college in het verweerschrift en op de zitting heeft toegelicht bevat de ruimtelijke onderbouwing een verschrijving. In de ruimtelijke onderbouwing staat dat onderzoek is gedaan naar de aanwezigheid van diersoorten met een Quickscan flora en fauna en dat er vleermuisonderzoek in uitvoering is maar dat de resultaten nog niet bekend zijn. Dit nadere vleermuisonderzoek was echter al verricht en de resultaten daarvan waren ook verwerkt op pagina 32 van de ruimtelijke onderbouwing, maar de tekst was niet aangepast. In het onderzoek staat dat ecologen op vijf verschillende momenten ter plekke zijn gaan kijken naar de aanwezigheid van beschermde diersoorten. Daaruit is gebleken dat er één zomerverblijfplaats en één paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis in de onderzochte bebouwing is vastgesteld.
Uit de quickscan en het nader onderzoek volgt dat geen sprake zal zijn een overtreding van de natuurregels en geen omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is benodigd als rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van beschermde soorten (mitigerende maatregelen). Het gaat hier om standaard mitigerende maatregelen door werkzaamheden uitsluitend in de dagperiode uit te voeren en, waar mogelijk, buiten het broedseizoen te werken (tenzij door een deskundig ecoloog is vastgesteld dat geen broedende vogels aanwezig zijn binnen het plangebied). Alléén als werkzaamheden moeten plaatsvinden aan de buitengevel van het bestaande kantoorpand zal mogelijk een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig zijn vanwege de aanwezigheid van verblijfplaatsen voor vleermuizen.
Eisers hebben de conclusies van deze deskundigenrapporten niet gemotiveerd betwist. Het college heeft met deze rapporten afdoende gemotiveerd dat de natuurwaarden niet zodanig worden aangetast dat geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Omdat er alleen een omgevingsvergunning voor een “flora en fauna-activiteit” is vereist als de buitengevel wordt verbouwd, en de verbouwing niet voorziet in wijzigingen aan de buitengevel, heeft het college ook afdoende gemotiveerd dat het aspect soortenbescherming de uitvoering van het project op voorhand niet onmogelijk maakt. Anders dan eisers betogen is het niet nodig om mitigerende maatregelen op te nemen als voorschriften in de omgevingsvergunning voor het afwijken van het omgevingsplan. Als er toch sprake zou zijn van een vergunningplicht voor de activiteit “flora en fauna”, dan is dit een kwestie van handhaving en dan kunnen eisers om handhaving verzoeken bij het college van gedeputeerde staten van Gelderland.
De beroepsgrond slaagt niet.
Omdat de beroepsgrond niet slaagt laat de rechtbank in het midden of het relativiteitsvereiste aan inhoudelijke behandeling van de beroepsgrond in de weg staat.
Privacy
11. Eisers betogen dat door het recent kappen van tussenliggende bomen (en het terugplaatsen van jonge, kleine bomen) de inkijk in tegenoverliggende woningen groter is geworden. In het ontwerpbesluit staat dat de ramen aan de zijde van de Schoenaker gedeeltelijk worden afgeplakt, maar dit is ten onrechte niet als voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden.
Tussen de opvanglocatie en de woonwijk liggen een parallelweg, een 80-km weg, twee groenstroken en een fietspad. De dichtstbijzijnde tuin ligt op ongeveer 60 meter afstand en de dichtstbijzijnde woning ligt op een afstand van ongeveer 85 meter van het pand. De rechtbank is van oordeel dat het college zich reeds gelet op de grote afstand in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen sprake is van een onevenredige aantasting van de privacy. Daarom is het ook niet nodig om op dit punt voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden, zoals het afplakken of gebruik van melkglas.
De beroepsgrond slaagt niet.
Alternatieven
12. Eisers betogen dat het college vóór het verlenen van de omgevingsvergunning geen onderzoek heeft gedaan naar alternatieve locaties. Volgens eisers is de locatie achter het gemeentehuis aan de Van Heemstraweg / Waardhuizerstraat geschikter als opvanglocatie. Deze locatie heeft al de bestemming “Maatschappelijk”, er wonen minder omwonenden, het is dichter bij een supermarkt en binnen de bebouwde kom en daarmee op een qua verkeersveiligheid en bereikbaarheid betere locatie. Volgens eisers is omstreeks medio 2027 ook de locatie in het voormalige zorgcentrum Overmars in Winssen beschikbaar.
Zoals de Afdeling heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 29 juli 2026 moet het college beslissen over het verlenen van een omgevingsvergunning voor het project waarvoor vergunning is aangevraagd. Als dat project op zichzelf aanvaardbaar is, dan kan het college in beginsel niet vanwege alternatieven voor dat project weigeren daaraan mee te werken. Het college kan dat alleen weigeren als op voorhand duidelijk is dat met één of meer alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.
De rechtbank overweegt dat het college moet beslissen of het project op deze locatie in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen is daarvan in dit geval sprake. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning om af te wijken van het omgevingsplan bestaat, anders dan eisers betogen, geen verplichting om alternatieve locaties te onderzoeken.
Ook als een locatie voldoet aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dan kan het college alternatieven in het kader van de te verrichten belangenafweging wel betrekken.
Van Heemstraweg 46
Over deze locatie heeft het college toegelicht dat de locatie niet in eigendom is bij de gemeente maar bij een akkerbouwer, dat geen sprake is van een bestaand gebouw dat leeg staat en dat rondom die locatie meer direct omwonenden wonen op kortere afstand. De rechtbank is van oordeel dat het college voor deze locatie afdoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van een gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren.
De beroepsgrond slaagt in zoverre niet.
Zorgcentrum Overmars in Winssen
Nog daargelaten dat deze locatie pas na het bestreden besluit is aangedragen, is deze locatie geen gelijkwaardig alternatief omdat vaststaat dat deze locatie op dit moment niet beschikbaar is.
De beroepsgrond slaagt niet.
Tussenconclusie
13. Het beroep van eisers is ongegrond.
Conclusie en gevolgen
14. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mengerink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2026
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.