ECLI:NL:RBGEL:2026:7907

ECLI:NL:RBGEL:2026:7907

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 13-10-2026
Datum publicatie 12-10-2026
Zaaknummer 05/261842-25, 05/253566-25, 05/351725-25 en 05/265983-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

8 jaar gevangenisstraf en tbs met dwang voor elf strafbare feiten. Poging tot doodslag, verkrachting en diefstal met geweld (woninginbraak) oude vrouw. Opzetaanranding vrouw in het bos en minderjarig meisje in het park. Diverse diefstallen, wederspannigheid en vernieling ruit. De rechtbank volgt het advies van het Pieter Baan Centrum (PBC). Door meerdere psychische stoornissen moet verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar worden geacht. Sprake van o.a. een manisch-psychotische episode. Verweer dat geen sprake was van opzet vanwege de stoornissen wordt verworpen. Het is niet zo dat bij verdachte ieder inzicht in zijn gedragingen ontbrak. Smartengeld en materiële schade (grotendeels) toegekend aan bp’s.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummers: 05/261842-25, 05/253566-25, 05/351725-25 en 05/265983-25

Datum uitspraak : 13 oktober 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1999 in [geboorteplaats] (Polen),

op dit moment gedetineerd en ingeschreven in de P.I. [plaats] ,

[adres] in [plaats] .

Raadsman mr. T.W. Phea, advocaat in Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Parketnummer 05/351725-25

hij op of omstreeks 27 augustus 2025 te Bennekom, althans in Nederland met een persoon, te weten [slachtoffer 1] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten

- het betasten van de vulva, althans de schaamstreek van die [slachtoffer 1] en/of

- het ontbloten en/of aftrekken, althans betasten van zijn penis ten overstaan van die [slachtoffer 1] , terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 1] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door

- die (voor hem onbekende) [slachtoffer 1] aan te spreken, terwijl zij zich op een verlaten plek in het bos bevond en/of

- de pols/hand van die [slachtoffer 1] vast te pakken en/of haar naar zich toe te trekken en/of

- ( nadat die [slachtoffer 1] zich had losgerukt en/of zich had omgedraaid) achter haar te gaan staan en/of zijn arm om haar bovenlichaam te slaan/klemmen en/of

- ( vervolgens) voornoemde seksuele handelingen onverhoeds te verrichten en/of die [slachtoffer 1] hiermee te overrompelen en/of

- ( hierbij) voorbij te gaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer 1] en/of

- ( hierbij) misbruik te maken van zijn fysieke overwicht op die [slachtoffer 1] en/of het feit dat zij in haar bewegingsvrijheid werd beperkt, waardoor zij zich niet, althans onvoldoende aan voornoemde seksuele handelingen kon onttrekken.

Parketnummer 05/261842-25

1.

hij op of omstreeks 14 september 2025 te Wageningen een of meerdere blikjes Heineken en/of een of meerdere flessen Bailey’s en/of een of meerdere blikjes Coca Cola en/of een of meerdere bakjes cottage cheese, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Albert Heijn, in elk geval aan een ander toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2.

hij op of omstreeks 29 augustus 2025 te Wageningen met een persoon, te weten [slachtoffer 2] ,

een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten

- het betasten van de bovenbenen van die [slachtoffer 2] en/of

- het kussen van de mond van die [slachtoffer 2] , althans het door die [slachtoffer 2] laten kussen van zijn, verdachtes, mond, terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer 2] daartoe de wil ontbrak;

3.

hij op of omstreeks 29 augustus 2025 te Wageningen een of meerdere telefoonhoesjes, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

4.

hij op of omstreeks 29 augustus 2025 te Wageningen een elektrische fiets (merk Sparta) en/of een oplader voor voornoemde elektrische fiets en/of en een of meerdere fietstassen (merk Basil ) en/of een helm en/of een elektrische heggenschaar (merk Stihl) en/of een snoeischaar en/of een jas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2] , in elk geval aan een ander toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Parketnummer 05/253566-25

1.

hij op of omstreeks 25 september 2025 te Ede opzettelijk en wederrechtelijk een ruit (in de voordeur), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan Humanitas, toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

2.

hij op of omstreeks 25 september 2025 te Ede, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een of meerdere ambten(a)a(ren), [aangever 3] en/of [aangever 4] (beiden agent bij de Eenheid Oost-Nederland), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten (belast met de) incidentenafhandeling en/of noodhulp, door

- ( met kracht) met de armen en de benen in een tegengestele richting te bewegen en/of

- met de armen slaande bewegingen te maken en/of

- ( met kracht) met het lichaam (voorovergebogen) heen en weer te bewegen

En, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, dat:

Parketnummer 05/265983-25

1.

hij op of omstreeks 8 oktober 2025 te Ede ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 3] opzettelijk van het leven te beroven

- die [slachtoffer 3] van de trap heeft getrokken/gegooid, waardoor zij op de grond viel en/of

- ( meermaals) die [slachtoffer 3] heeft opgetild en/of heeft neergegooid op de grond en/of

- ( meermaals) die [slachtoffer 3] heeft geslagen/gestompt op haar gezicht en/of haar hoofd en/of haar bovenlichaam en/of

- zijn handen om de keel van die [slachtoffer 3] heeft gelegd/geklemd en/of in de keel van die [slachtoffer 3] heeft geknepen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 8 oktober 2025 te Ede aan [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken oogkas en/of een gebroken kaak en/of een gebroken borstbeen en/of een of meerdere gebroken ribben en/of longembolieën in beide longen, heeft toegebracht door

- die [slachtoffer 3] van de trap te trekken/gooien, waardoor zij op de grond viel en/of

- ( meermaals) die [slachtoffer 3] op te tillen en/of neer te gooien op de grond en/of

- ( meermaals) die [slachtoffer 3] te slaan/stompen op haar gezicht en/of haar hoofd en/of haar bovenlichaam en/of

- zijn handen om de keel van die [slachtoffer 3] te leggen/klemmen en/of in de keel van die [slachtoffer 3] te knijpen;

2.

hij op of omstreeks 8 oktober 2025 te Ede met een persoon, te weten [slachtoffer 3] , een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het brengen van zijn penis in de vagina en/of de anus en/of de mond van die [slachtoffer 3] , terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 3] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetverkrachting werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door

- de woning van die (voor hem onbekende) [slachtoffer 3] in de nachtelijke uren zonder haar toestemming en/of zonder haar weten binnen te dringen/ treden en/of

- die [slachtoffer 3] vanaf de trap op de grond te trekken/gooien en/of een of meerdere geweldshandelingen op haar gezicht en/of haar lichaam uit te oefenen, waardoor zij (ernstig) gewond raakte en/of

-de onesie en de onderbroek van die [slachtoffer 3] open te scheuren/maken en/of naar beneden te trekken en/of

- voornoemde seksuele handelingen onverhoeds te verrichten en/of die [slachtoffer 3] hiermee te overrompelen en/of

- ( hierbij) voorbij te gaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer 3] en/of

- ( hierbij) misbruik te maken van de lichamelijke gesteldheid van die [slachtoffer 3] gelet op haar hoge leeftijd en verwondingen en/of zijn fysieke overwicht op die [slachtoffer 3] en/of het feit dat van die [slachtoffer 3] in haar bewegingsvrijheid werd beperkt gelet op het feit dat zij op de grond lag, waardoor die [slachtoffer 3] zich niet aan voornoemde seksuele handelingen kon onttrekken en/of

- ( hierdoor) een zodanig bedreigende en/of beangstigende situatie te creëren dat die [slachtoffer 3] zich niet aan bovengenoemde seksuele handelingen kon en/of durfde te onttrekken;

3.

hij op of omstreeks 8 oktober 2025 te Ede gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd,

onder meer een of meerdere sieraden en/of een pinpas en/of een of meerdere digitale apparaten (te weten onder meer telefoons en/of tablets) en/of een of meerdere tassen en/of een koffer en/of een of meerdere persoonlijke documenten (te weten onder meer een testament) en/of een of meerdere sleutels, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- de woning van die (voor hem onbekende) [slachtoffer 3] in de nachtelijke uren zonder haar toestemming en/of zonder haar weten binnen te dringen/treden en/of

- die [slachtoffer 3] vanaf de trap op de grond te trekken/gooien en/of een of meerdere geweldshandelingen op haar gezicht en/of haar lichaam uit te oefenen, waardoor zij (ernstig) gewond raakte en/of

- terwijl die [slachtoffer 3] op de grond lag, voornoemde goederen (zonder haar toestemming) uit de woning te halen/pakken;

4.

hij in of omstreeks de nacht van 7 oktober 2025 op 8 oktober 2025 te Ede

- een mapje (met daarin een tankpas) en/of een zaklampje en/of een of meerdere jassen en/of een paar handschoenen en/of een plaid, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 5] , in elk geval aan een ander toebehoorden en/of

- een envelop (met daarin een tolkastje) en/of een of meerdere sleutels en/of een mapje (met daarin een of meerdere pasjes en/of documenten) en/of een of meerdere tassen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 6] en/of [aangever 7] , in elk geval aan een ander toebehoorden, heeft weggenomen (uit een of meerdere auto’s) met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Inleiding

Verdachte worden verschillende strafbare feiten verweten, gepleegd over een periode van zo’n anderhalve maand. De rechtbank zal de feiten in chronologische volgorde behandelen, zodat het verloop duidelijker wordt. Opmerking verdient daarbij dat het zwaartepunt van de verwijten ligt bij de zeden- en geweldsfeiten, en dan met name bij de feiten waarvan mevrouw [slachtoffer 3] (verder: [slachtoffer 3] ) het slachtoffer is geworden. Voor zover verdachte bewezenverklaarde feiten heeft bekend en er geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. In de overige gevallen, worden de bewijsmiddelen uitgewerkt.Door de raadsman is ten aanzien van meerdere van deze ten laste gelegde feiten (kort gezegd) het verweer gevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat bij hem gezien zijn psychische gesteldheid in die periode het opzet op deze feiten ontbrak. De rechtbank verwerpt dit verweer in alle gevallen. Een dergelijk verweer slaagt slechts indien bij de verdachte ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen ontbreekt. Dit zal slechts bij hoge uitzondering het geval zijn. Die uitzondering is bij deze verdachte niet aan de orde, bij geen van de tenlastegelegde feiten. De bevindingen van de deskundigen van het Pieter Baan Centrum (PBC) geven daartoe ook geen aanleiding, zoals de rechtbank onder paragraaf 6 (de strafbaarheid van de verdachte) nader zal bespreken.

Parketnummer 05/351725-25

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde gekwalificeerde opzetaanranding van [slachtoffer 1] .

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat het dossier onvoldoende bewijs bevat voor het onderdeel op de tenlastelegging dat ziet op het aftrekken, althans betasten van zijn penis door verdachte. De waarneming van de aangeefster is voor een bewezenverklaring op dit punt niet toereikend. Voor het overige heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 22-24;

- de kennisgeving van inbeslagneming, p. 47;

- de NFI-rapportage van 7 november 2025, p. 63;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 22 september 2026.

Ten aanzien van de seksuele handelingen

Op basis van de bovengenoemde bewijsmiddelen staat vast dat verdachte seksuele handelingen heeft verricht met [slachtoffer 1] , wetende dat bij haar de wil hiertoe ontbrak. De rechtbank ziet daarbij geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van [slachtoffer 1] , ook niet als het gaat om het ontbloten en betasten van zijn penis door verdachte. Zij heeft voldoende duidelijk over haar waarnemingen hierover verklaard. [slachtoffer 1] heeft immers verklaard dat verdachte zijn broek naar beneden deed, dat hij op enig moment zijn broek op zijn enkels had, dat hij met zijn hand bij zijn geslachtsdeel zat en dat hij met zijn geslachtsdeel bezig was.

Parketnummer 05/261842-25

Ten aanzien van feit 1 – diefstal Albert Heijn

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde diefstal.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de diefstal gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

[aangever 8] heeft namens Albert Heijn aangifte gedaan van diefstal op 14 september 2025 in Wageningen. Hij heeft verklaard dat bij het uitvoeren van een zelfscancontrole bleek dat niet alle goederen waren gescand door de verdachte. De volgende goederen zijn bij de diefstal weggenomen:

De man is door de politie aangehouden.

De politie heeft contact opgenomen met getuige [getuige 1] . Zij vertelde het volgende. Zij was op 14 september 2025 aan het werk bij de Albert Heijn in Wageningen. Zij zag een man lopen met een best wel vol winkelmandje. De man vroeg haar in gebrekkig Engels hoe hij de hamburgerbroodjes moest afrekenen. De man rekende op dat moment alleen de broodjes af. Zij zag dat hij een vol winkelmandje bij zich had, waarin onder meer een sixpack Heineken bier zat. Ze zag dat de man één blikje uit de verpakking haalde en deze scande. Zij heeft de man op afstand in de gaten gehouden. Zij zag dat de man de kassapoortjes passeerde en dat hij richting de uitgang liep. Buiten de winkel heeft zij de man samen met collega’s en omstanders tegengehouden. Haar leidinggevende vroeg haar om de bonnetjes van de kassa te printen. Zij zag op de bon dat de man alleen de vier hamburgerbroodjes had afgerekend. Zij zag vervolgens dat er twee politieagenten bij de man en haar leidinggevende stonden.

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] kwamen op 14 september 2025 ter plaatse bij de Albert Heijn in Wageningen in verband met een melding van een winkeldief die op heterdaad betrapt was. Zij zagen vier medewerkers bij een man staan en hoorde de manager zeggen dat de man zojuist een winkeldiefstal had gepleegd door niet afgerekende goederen in zijn rugzak te stoppen en alleen vier broodjes af te rekenen. Het bleek te gaan om [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1999. Hij werd aangehouden als verdachte.

Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 14 september 2025 de ten laste gelegde goederen heeft gestolen bij de Albert Heijn in Wageningen.

Ten aanzien van feit 2 – aanranding [slachtoffer 2]

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde opzetaanranding.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de ten laste gelegde gedragingen, die bewezen kunnen worden, gekwalificeerd moeten worden als een schuldaanranding, nu opzet ontbreekt.

Beoordeling door de rechtbank

Aangeefster [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij op 29 augustus 2025 rond 18:05 uur naar het Agro Business Park in Wageningen is gegaan. Ze is daar op een bankje gaan zitten. Op enig moment kwam er een man naast haar zitten. Hij ging met zijn lichaam naar haar toe zitten met aan elke kant van het bankje een been. Hij zei 'hey' en vroeg hoe het met haar ging. Hij vroeg ook hoe oud ze was en waar ze vandaan kwam. Ze antwoordde dat ze zestien jaar was en dat ze uit de buurt kwam. Hij zei dat hij 25 jaar was. Hij vroeg of ze wat drinken wilde en daarna vroeg hij of ze snoepjes wilde. Ze voelde vanaf het begin af aan dat het niet klopte en ze had het gevoel dat ze niet weg kon. De man zat tussen haar en haar fiets in. Ze zei vervolgens tegen de man dat ze naar huis moest. De man vroeg of ze met hem mee wilde daarheen en knikte daarbij naar een plek ergens achter een gebouw. Hij zei dat als ze mee zou gaan, ze iets zou krijgen. Hij pakte zijn portemonnee en haalde er drie stukjes zilver uit. Het leken magneetjes. Toen de man vroeg of ze met hem mee wilde, deed hij zijn rechterhand op haar rechterknie. Ze schrok hier heel erg van. Ze zei tegen de man dat hij haar nummer mocht hebben, zodat ze 's avonds konden afspreken. Ze pakte haar telefoon en liet haar nummer zien. Ze deed dit om weg te kunnen komen. Toen de man zijn telefoon pakte en aanzette, kon ze snel een foto van hem maken. Ze zei vervolgens dat ze moest gaan. De man pakte haar beide benen vast en maakte een beweging in haar richting. Hij kwam met zijn gezicht richting haar gezicht en hij tuitte zijn lippen. Het was duidelijk dat hij haar een kus wilde geven. Ze ging naar achteren en zei 'nee'. Hij duwde vervolgens hard op haar beide benen. Dit deed hij kennelijk om aan te geven dat hij echt een kus wilde. Ze heeft de man vervolgens snel een kus op zijn mond gegeven. Dit deed ze, omdat ze van hem af wilde zijn en weg wilde komen. Vervolgens is ze opgestaan en naar haar fiets gegaan. Ze heeft gelijk haar vader gebeld en die is naar haar toegekomen.

Verbalisant [verbalisant 3] heeft de camerabeelden bekeken van het bedrijfspand van het Agro Business Park 20-80 in Wageningen. Hij heeft het volgende beschreven.

Om 18:17 uur komt de verdachte aanlopen. Hij loopt naar hetzelfde bankje als waar aangeefster zit. De verdachte heeft een rugzak op zijn rug, die hij afdoet. Hij gaat met zijn lichaam richting aangeefster zitten, met aan beide kanten van het bankje een been. Hij strekt zijn hand uit om aangeefster een hand te geven. Aangeefster geeft hem een hand. Verdachte haalt vervolgens iets uit zijn tas en geeft dit aan aangeefster. Aangeefster neemt het aan. Een paar seconden later schuift aangeefster iets naar achter, zodat ze iets meer afstand van verdachte heeft. Verdachte is naar voren geschoven. Aangeefster kan niet verder naar achteren. Verdachte zit met zijn hoofd heel dicht bij aangeefster. Verdachte gaat met zijn hoofd naar voren en lijkt op een kus van aangeefster te wachten. Aangeefster geeft hem een snelle kus en staat daarna gelijk op. Ze loopt naar haar fiets en ze fietst direct weg.

Verdachte heeft verklaard dat hij degene was die op het bankje zat met [slachtoffer 2] .

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande – waaronder de door [slachtoffer 2] gemaakte foto, waarop te zien is dat verdachte een hand op haar knie heeft gelegd – vast dat verdachte op 29 augustus 2025 zijn handen op de benen van [slachtoffer 2] heeft gelegd en dat hij zich vervolgens heeft laten kussen door [slachtoffer 2] , terwijl bij haar de wil hiertoe ontbrak. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte wist dat [slachtoffer 2] deze seksuele handelingen niet wilde, dus of sprake was van opzetaanranding. Zij overweegt daarover het volgende.

[slachtoffer 2] was voor verdachte een volstrekt onbekend jong meisje, zodat op voorhand niet aannemelijk is dat zij verdachte uit het niets zou willen kussen. Uit de beschrijving van de camerabeelden volgt dat [slachtoffer 2] terugdeinst en afstand neemt van verdachte op het moment dat hij dichterbij haar komt. Dit was ook zichtbaar voor verdachte. [slachtoffer 2] heeft bovendien verklaard dat zij ‘nee’ heeft gezegd op het moment dat verdachte zijn lippen tuitte en met zijn gezicht richting haar gezicht ging. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan haar verklaring te twijfelen. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte wist dat [slachtoffer 2] de genoemde handelingen niet wilde. Hiermee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan opzetaanranding. Het verweer, dat opzet ontbrak gelet op de psychische gesteldheid van verdachte, wordt, zoals in de inleiding reeds vermeld, verworpen.

Ten aanzien van de feiten 3 en 4 – diefstallen [adres]

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde onder feit 3 en feit 4.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 3 en feit 4 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

[aangever 1] , wonend aan [adres] in Wageningen, heeft aangifte gedaan van diefstal. Zij heeft verklaard dat zij op 23 augustus 2025 twee hoezen heeft besteld voor haar mobiele telefoon. Op 28 augustus 2025 kreeg zij bericht dat de hoezen bezorgd zouden zijn. [aangever 1] was op dat moment een weekend weg. Op 31 augustus 2025 kwam zij thuis. Zij zag toen dat een plastic verpakking van vermoedelijk het pakket met de twee telefoonhoezen in de brievenbus was gestopt. De verpakking was leeg. Op de verpakking stonden haar adresgegevens.

[aangever 2] , wonend aan [adres] in Wageningen, heeft aangifte gedaan van diefstal. Zij heeft verklaard dat zij op 29 augustus 2025 rond 09:00 uur naar de gemeentetuin is gegaan. Daarvoor heeft zij haar fietssleutel naast de deur aan een haakje gehangen. In de tijd dat zij bezig was in de gemeentetuin, heeft zij haar woning niet afgesloten. Om 11:30 uur wilde [aangever 2] de stad in gaan. Toen zij aan het haakje naast de deur keek, hing haar fietssleutel daar niet meer. Zij heeft toen haar reservesleutel gebruikt om naar de stad te gaan. Om 13:30 uur kwam zij thuis. Zij heeft toen haar fiets in de garage gezet en de garage en de voordeur op slot gedaan. Om 20:30 uur zag zij een man op een bankje in haar voortuin zitten. [aangever 2] heeft een beschrijving van de man gegeven. Hij had onder meer een licht getinte huidskleur, donker krullend haar, een korte, donkere baard en was ongeveer 1.75 meter. De man sprak gebrekkig Engels. Hij haalde een gloednieuwe telefoon uit de verpakking en zei dat hij deze aan het installeren was. [aangever 2] nodigde de man uit om droog onder haar carport te komen zitten. Zelf is zij weer naar binnen gegaan. Om 22:00 uur kwam zij in haar schuur en toen zag zij dat haar fiets weg was. Het is een grijze, elektrische fiets van het merk Sparta met groene fietstassen. Zij had op dit moment gelijk door dat haar fiets gestolen was. Op 30 augustus 2025 kwam zij rond 08:30 uur weer in de schuur en toen zag zij dat er ook andere spullen waren gestolen. Zij miste de volgende goederen:

- de oplader van de fiets;

- een elektrische heggenschaar van het merk Stihl;

- een snoeischaar;

- een roze helm;

- een zomerjasje.

Aan [aangever 2] is gevraagd om een beschrijving van haar fietstassen te geven. Zij gaf aan dat de fietstassen aan de voorzijde ecru van kleur waren en dat de flappen aan de bovenkant groen waren. Ook de zijkanten waren groen. Op de voorkant stond de tekst ‘ [naam] ’.

Naar aanleiding van de melding van de aanranding, door [slachtoffer 2] , werd door de politie een burgernet oproep gedaan. Door de bewoonster van [adres] werd gereageerd op deze oproep. De bewoonster vertelde aan de politie dat zij op 29 augustus 2025 om 20:36 uur videobeelden van een deurbelcamera had vastgelegd van een persoon die aan het opgegeven signalement van voldeed.

Verbalisant [verbalisant 4] heeft de camerabeelden bekeken en heeft het volgende beschreven. Op de beelden van 29 augustus 2025 is om 20:35:46 uur een man te zien met het volgende signalement: man, licht getinte huidskleur, kort, donker haar, gezichtsbeharing, donkere winterjas met bontkraag, donkere broek, witte met zwarte Nike schoenen en een zwarte rugzak op zijn rug. Te zien is dat de man in beide handen iets vasthield, terwijl voor hem op de vuilcontainer andere voorwerpen lagen. Verbalisant vermoedde dat dit enveloppen waren. In een volgend fragment ziet verbalisant dat dezelfde persoon met de voorwerpen in zijn hand bezig is. De enveloppe was voorzien van een wit etiket met vermoedelijk een barcode. De man vouwde de enveloppe open en stopte het voorwerp in zijn rechterhand in de enveloppe. Vervolgens zag verbalisant dat de man een wit pakket van de vuilcontainer pakte, waarna hij een ander wit pakket vastpakte. Hierop zag verbalisant de man even in het pakket kijken en dit vervolgens weggooien.

Verbalisant [verbalisant 5] heeft verder beschreven dat op 31 augustus 2025 om 14:13 uur een mutatie was opgemaakt in het politiesysteem onder het proces PL0600-2025419906 in verband met een verdachte situatie. De meldster gaf aan dat ze haar fiets op de oprit had staan en dat daar een voor haar onbekende man in haar fietstas zat. Zij is naar haar fiets toegegaan en kon nog net op tijd haar jas terugpakken van de onbekende man. Zij heeft vervolgens foto's van de persoon gemaakt. Verbalisant [verbalisant 5] kan de foto’s als volgt omschrijven.

Te zien is dat er een man met een Spartafiets in zijn hand staat met de volgende kenmerken:

- type fiets, Sparta;

- kleur, grijs/groen;

- dames model, lage instap;

- spiegel linkerzijde stuur.

Opvallende kenmerken aan de fiets zijn (onder meer) twee groen gekleurde fietstassen. De uiterlijke kenmerken van de Spartafiets komen overeen met de uiterlijke kenmerken van de fiets waarvan aangeefster [aangever 2] aangifte heeft gedaan.

Verbalisant [verbalisant 6] heeft de foto’s aan [aangever 2] laten zien. [aangever 2] gaf aan dat de persoon op de foto’s de jongeman is die haar fiets heeft gestolen. Ook gaf ze aan dat het haar fietstassen waren op de foto’s. Ze herkende de fietstassen aan de kleurencombinatie.

Door verbalisant [verbalisant 3] zijn de diverse meldingen naast elkaar gelegd en hij heeft het volgende beschreven. Hij heeft de foto’s uit de melding van 31 augustus 2025 (PL0600-2025419906) vergeleken met de beschrijving van [aangever 2] . Hij zag dat de fiets op de foto’s van hetzelfde merk, type en kleur was als de fiets in de aangifte van [aangever 2] . Ook de fietstassen kwamen overeen met de fietstassen zoals omschreven door [aangever 2] . Verbalisant [verbalisant 3] herkent de man op de foto’s ambtshalve als [verdachte] .

Verder heeft verbalisant [verbalisant 3] de beelden bekeken van [adres] , waarop te zien is dat iemand postpakketjes openmaakt. Er worden goederen uit het pakketje gehaald. De persoon gooit een gedeelte van de verpakking in de tuin van huisnummer [nummer] . Deze verpakking werd door de politie gevonden op de plek waar de persoon het in de tuin weggooide. Op de verpakking stond het adres [adres] te Wageningen. Zo werd duidelijk dat de pakketjes daar gestolen waren. Verbalisant [verbalisant 3] heeft diverse foto’s van [verdachte] vergeleken met de beelden van [adres] . Hij ziet extreem grote gelijkenissen tussen de foto's die van [verdachte] zijn genomen en de verdachte op de beelden. Tijdens de diefstal van de pakketjes heeft de verdachte zwart/witte Nike air Jordan aan. In.

De politie heeft voorts op 17 september 2025 gesproken met aangeefster [aangever 2] , die zoals hiervoor genoemd aangifte heeft gedaan van diefstal van haar fiets op 29 augustus 2025. In dit verhoor heeft aangeefster verklaard dat haar buurvrouw van nummer [nummer] haar camerabeelden heeft gestuurd, waarop een man met donkere kleding te zien is die een pakje vasthad; zij zag dat daarin twee hoesjes voor een telefoon zaten. Zij herkent deze man als de man waarmee zij gesproken heeft op de avond dat haar fiets is gestolen.

Op grond van al het voorgaande, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene is geweest die op 29 augustus 2025 de onder feit 3 en feit 4 ten laste gelegde goederen van [aangever 1] en [aangever 2] heeft gestolen.

Parketnummer 05/253566-25

Er is ten aanzien van beide feiten sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 9] , p. 8-9;

- het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , p. 11-12;

- het proces-verbaal van aanhouding, p. 26-27;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 29-30;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 14-15;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 22 september 2026.

De rechtbank acht op grond van deze bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat sprake is geweest van een vernieling (feit 1) en (vervolgens) van verzet bij aanhouding (feit 2).

Parketnummer 05/265983-25

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde onder feit 1, primair, feit 2, feit 3 en feit 4.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van de onder feit 1, primair ten laste gelegde poging tot doodslag, nu bij verdachte het opzet op de dood van [slachtoffer 3] ontbrak. Verder verdient aandacht dat verdachte (ook) heeft verklaard geen enkele herinnering aan een verwurging te hebben. De raadsman heeft zich ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De onder feit 2 ten laste gelegde feitelijke handelingen zijn door de raadsman niet betwist. Voor dit verwijt heeft de raadsman bepleit dat bij verdachte het opzet ontbrak, gezien zijn psychische gesteldheid. Ten aanzien van feit 3 en feit 4 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

Verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] kwamen op 8 oktober 2025 omstreeks 10:12 uur ter plaatse aan [adres] in Ede. Verbalisant [verbalisant 8] zag door het raam aan de bovenzijde van de voordeur een vrouw in de gang op de grond liggen. Hij hoorde dat zij tegen hen praatte en hij zag dat zij zich bewoog. Hij zag dat zij behoorlijk aangezichtsletsel had en dat haar hoofd in een plasje bloed lag. Zij vertelde dat zij was aangevallen door een man. Deze man had bij haar ingebroken en zij had hem betrapt. Hij zou haar vervolgens hebben aangevallen. Zij vertelde verder dat de man haar ook had aangerand. Het slachtoffer, naar later bleek [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedag] 1938, heeft aangifte gedaan van verkrachting met geweld.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat wat hij bij de politie heeft verklaard, klopt. Alle geweldshandelingen kloppen, behalve het wurgen. Hij heeft met een hark de voordeur geopend. De vrouw stond bij de trap. Verdachte is de trap opgerend, heeft de vrouw bij haar arm gepakt en hij heeft haar naar beneden gegooid. Zij stond midden op de trap en ze viel onder aan de trap in de hal. Hij viel zelf ook. Hij heeft de vrouw vervolgens een aantal keren opgetild en op de grond gegooid. Hij heeft haar gesmeten, alsof hij met een kussen gooide. Daarna pakte hij haar met zijn hand bij de hals en bij haar gezicht. Verder heeft hij haar in haar rug, ribben, kaak en in haar gezicht geslagen. Vervolgens heeft hij haar verkracht en beroofd. Hij is de hele woning doorgegaan en heeft waardevolle spullen, zoals sieraden, een pinpas, tablets en telefoons meegenomen. Hij heeft alle goederen zoals die op de tenlastelegging staan, meegenomen.

Door het Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO (LOEF) is een forensisch medische letselrapportage opgemaakt. Uit deze rapportage volgt dat bij [slachtoffer 3] sprake was van diverse bloeduitstortingen, schaafletsels en breuken van de rechteroogkas, rechterkaakholte, het borstbeen en meerdere ribben. Verder was sprake van ‘very high risk’ longembolieën en van slijmvliesletsel ter hoogte van de ingang van de vagina. De longembolieën vielen onder PESI-klasse V, wat geassocieerd is met een hoog risico op overlijden. Uit de rapportage volgt verder dat [slachtoffer 3] op de aangeleverde letselfoto’s die zijn gemaakt in haar woning op haar rug ligt op een vloer van tegels. Dit betreft een harde ondergrond. Een val van hoogte in combinatie met meerdere malen ‘neergooien’ op deze tegelvloer kan bij een voldoende mate van krachtsinwerking bloeduitstortingen, schaafletsels en breuken veroorzaken, afhankelijk van de locatie waar het lichaam van de persoon in contact komt met de harde ondergrond. Het letselbeeld zou daarmee kunnen passen bij het scenario zoals door verdachte verklaard. Gezien de aard en omvang van het totale letselbeeld moet er in ieder geval sprake zijn geweest van een forse, stomp botsende krachtsinwerking. De totale combinatie van bloeduitstortingen, schaafletsels, breuken in het aangezicht, een breuk van het borstbeen, breuken van de ribben en longembolieën, kan niet verklaard worden door een onderliggend, medisch lijden of spontaan zijn ontstaan.

Bij [slachtoffer 3] is verder een bloeduitstorting waargenomen bij de onderkaak, rechts doorlopend naar de voorzijde van de hals. De hals van [slachtoffer 3] is bemonsterd en dat monster is gewaarmerkt als SIN AASV4974NL. Op de hals aan de rechterzijde en de voorzijde is een DNA-mengprofiel aangetroffen van ten minste twee personen, waarbij [slachtoffer 3] en verdachte mogelijke donoren zijn. Daarbij is het ongeveer 15 miljoen keer waarschijnlijker om dit mengprofiel aan te treffen wanneer [slachtoffer 3] en verdachte donor zijn geweest dan wanneer dit [slachtoffer 3] en een willekeurige andere persoon was.

De rechtbank concludeert op basis van deze bevindingen in combinatie met de verklaring van verdachte zelf dat het DNA van verdachte in de hals van [slachtoffer 3] is aangetroffen.​​

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte [slachtoffer 3] van de trap heeft gegooid, waardoor zij op de stenen vloer in de hal van haar woning is gevallen. Vervolgens heeft verdachte haar meerdere malen opgetild en met beide handen op die stenen vloer gegooid. Ook heeft hij haar meerdere malen geslagen in haar rug, ribben en in haar gezicht. Het letselbeeld duidt, zo volgt uit de letselrapportage, op een forse krachtsinwerking. De rechtbank acht ook bewezen dat verdachte [slachtoffer 3] in haar keel heeft geknepen. Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 3] bij haar keel heeft gepakt. Dit wordt bevestigd door de resultaten van het DNA-onderzoek. Dat verdachte ook heeft geknepen, leidt de rechtbank af uit de bloeduitstorting (blauwe plek) die in de hals van [slachtoffer 3] is geconstateerd.

De rechtbank is van oordeel dat deze mate van geweld, toegepast op een (destijds) 87-jarige vrouw, naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer op de dood van het slachtoffer is gericht, dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans hierop bewust heeft aanvaard. Van dergelijke aanwijzingen is de rechtbank niet gebleken. Kortom: er is tenminste sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van mevrouw [slachtoffer 3] . Het verweer, dat opzet ontbrak gelet op de psychische gesteldheid van verdachte, wordt, zoals in de inleiding reeds vermeld, verworpen. Dit brengt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de onder feit 1, primair ten laste gelegde poging tot doodslag van [slachtoffer 3] .

Ten aanzien van feit 2 en feit 3

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] , p. 209-211;

- de forensisch medische letselrapportage van het LOEF d.d. 25 maart 2026, p. 229-230 en 234-253;- de herziene NFI-rapportage d.d. 9 april 2026, p. 762 en 763;

- het proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres] ), p. 511-513;

- het proces-verbaal van bevindingen forensisch onderzoek plaats delict ( [adres] ),

p. 592;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 84-85;

- de processen-verbaal van bevindingen, p. 86-87 en 88-89, met bijlagen p. 90-157;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 22 september 2026.

De rechtbank acht op grond van deze bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat sprake is geweest van opzetverkrachting met geweld en dwang (feit 1) en van diefstal met braak en geweldpleging (feit 2), in beide gevallen begaan tegen mevrouw [slachtoffer 3] .

Ten aanzien van feit 4

[aangever 5] heeft aangifte gedaan van diefstal uit zijn auto. [aangever 5] heeft verklaard dat hij op 7 oktober 2025 om 17:00 uur zijn auto heeft geparkeerd op het woonerf aan de [adres] in Ede. Het ging om een Mitsubishi Space Star met kenteken [kenteken] . Op 8 oktober 2025 omstreeks 10:00 uur vertelde een buurman dat hij had gezien dat het linker voor- en achterportier van de auto openstonden en dat hij deze had dichtgedaan. Toen [aangever 5] naar zijn auto liep, zag hij dat er was ingebroken. De volgende goederen waren uit de auto weggenomen:

[aangever 6] heeft, mede namens [aangever 7] , aangifte gedaan van diefstal uit zijn auto. [aangever 6] heeft verklaard dat hij op 7 oktober 2025 omstreeks 16:45 uur zijn auto op de oprit aan [adres] in Ede had geparkeerd. Toen hij op 8 oktober 2025 omstreeks 06:30 uur weer bij zijn auto kwam, zag hij dat het linker voorportier niet helemaal was afgesloten. Hij zag dat er goederen uit onder meer het dashboardkastje en uit het middenconsole waren weggehaald. De volgende goederen bleken weggenomen:

Naar aanleiding van het incident met aangeefster [slachtoffer 3] aan [adres] , is door de politie een buurtonderzoek gestart waarbij camerabeelden rondom de plaats delict zijn opgevraagd en ontvangen. Verbalisant [verbalisant 9] heeft van enkele van de camera’s de beelden bekeken en heeft (onder meer) het volgende beschreven. Op de beelden van [adres] is te zien dat NNM (de rechtbank begrijpt: een in eerste instantie onbekende man) om 02:18:36 uur komt aanlopen. Verbalisant herkent NNM als verdachte [verdachte] door de foto's van het fotoblad van proces-verbaalnummer 2025486441-13 uit het onderzoek en door de foto’s uit het proces-verbaalnummer 2025486441. Hij zag verdachte bij een fiets en een damesbrommertje voelen. Hij hoorde een alarm afgaan en zag daarop de verdachte schrikken en wegrennen. Verbalisant [verbalisant 9] heeft verder beschreven dat uit informatie afkomstig van een buurtbewoner van de [adres] , naar voren is gekomen dat er een werkjas is ontvreemd op de avond van 8 oktober 2025. Het gaat om een werkjas van transportbedrijf [naam] . De jas die verdachte op de beelden draagt, is die betreffende jas.

De politie heeft verder onderzoek gedaan in het voertuig met kenteken [kenteken] . Bij dit onderzoek werd een flesje parfum met een Mercedes Benz-logo aangetroffen. Verder werd in de omgeving van de woning aan [adres] in Ede in de tuin een blauwe werkjas van het merk ‘ [naam] ’ aangetroffen met daarop een logo met de letter ‘K’. In de tuin van [adres] in Ede werd een bruin/grijs gekleurde fleecedeken aangetroffen. De jas en de fleecedeken zijn teruggegeven aan aangever [aangever 5] . In de tuin van [adres] werd een donkergekleurde schoudertas aangetroffen. [aangever 6] herkende deze tas als zijn donkergekleurde Tommy Hillfigertas. In een bagagekluis op station Amsterdam Centraal werd een zwarte tas aangetroffen met daarop de tekst ‘ [naam] ’ en een afbeelding van de Surinaamse vlag. Deze kluis was in gebruik bij verdachte [verdachte] . De twee tassen (‘ [naam] ’ en Tommy Hillfiger) en de parfum zijn teruggegeven aan [aangever 6] .

Op grond van al het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte degene is geweest die in de nacht van 7 op 8 oktober 2025 heeft ingebroken in de auto’s van [aangever 5] en [aangever 6] (en [aangever 7] ). Verdachte is te zien op de camerabeelden in de straat in die nacht, terwijl hij de gestolen jas van [aangever 5] draagt. Verder is een deel van de goederen die als gestolen zijn opgegeven door aangevers, teruggevonden in de bagagekluis die in gebruik was bij verdachte en in de omgeving van de geparkeerde auto’s. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van de verklaringen van aangevers. Hiermee acht zij het tenlastegelegde onder feit 4 wettig en overtuigend bewezen.

3. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder:

tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

Parketnummer 05/351725-25

hij op of omstreeks 27 augustus 2025 te Bennekom, althans in Nederland met een persoon, te weten [slachtoffer 1] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten

- het betasten van de vulva, althans de schaamstreek van die [slachtoffer 1] en/of

- het ontbloten en/of aftrekken, althans betasten van zijn penis ten overstaan van die [slachtoffer 1] , terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 1] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, en vergezeld van en/of gevolgd door dwang, en geweld en/of bedreiging, door

- die (voor hem onbekende) [slachtoffer 1] aan te spreken, terwijl zij zich op een verlaten plek in het bos bevond en/of

- de pols/hand van die [slachtoffer 1] vast te pakken en/of haar naar zich toe te trekken en/of

- ( nadat die [slachtoffer 1] zich had losgerukt en/of zich had omgedraaid) achter haar te gaan staan en/of zijn arm om haar bovenlichaam te slaan/klemmen en/of

- (vervolgens) voornoemde seksuele handelingen onverhoeds te verrichten en/of die [slachtoffer 1] hiermee te overrompelen en/of

- ( hierbij) voorbij te gaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer 1] en/of

- ( hierbij) misbruik te maken van zijn fysieke overwicht op die [slachtoffer 1] en/of het feit dat zij in haar bewegingsvrijheid werd beperkt, waardoor zij zich niet, althans onvoldoende aan voornoemde seksuele handelingen kon onttrekken.

Parketnummer 05/261842-25

1.

hij op of omstreeks 14 september 2025 te Wageningen een of meerdere blikjes Heineken en/of een of meerdere flessen Bailey’s en/of een of meerdere blikjes Coca Cola en/of een of meerdere bakjes cottage cheese, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Albert Heijn, in elk geval aan een ander toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2.

hij op of omstreeks 29 augustus 2025 te Wageningen met een persoon, te weten [slachtoffer 2] ,

een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten

- het betasten van de bovenbenen van die [slachtoffer 2] en/of

- het kussen van de mond van die [slachtoffer 2] , althans het door die [slachtoffer 2] laten kussen van zijn, verdachtes, mond, terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer 2] daartoe de wil ontbrak;

3.

hij op of omstreeks 29 augustus 2025 te Wageningen een of meerdere telefoonhoesjes, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;

4.

hij op of omstreeks 29 augustus 2025 te Wageningen een elektrische fiets (merk Sparta) en/of een oplader voor voornoemde elektrische fiets en/of en een of meerdere fietstassen (merk Basil) en/of een helm en/of een elektrische heggenschaar (merk Stihl) en/of een snoeischaar en/of een jas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2] , in elk geval aan een ander toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Parketnummer 05/253566-25

1.

hij op of omstreeks 25 september 2025 te Ede opzettelijk en wederrechtelijk een ruit (in de voordeur), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan Humanitas, toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

2.

hij op of omstreeks 25 september 2025 te Ede, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een of meerdere ambten(a)a(ren), [aangever 3] en/of [aangever 4] (beiden agent bij de Eenheid Oost-Nederland), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijnhun bediening, te weten (belast met de) incidentenafhandeling en/of noodhulp, door

- ( met kracht) met de armen en de benen in een tegengestelde richting te bewegen en/of

- met de armen slaande bewegingen te maken en/of

- ( met kracht) met het lichaam (voorovergebogen) heen en weer te bewegen;

Parketnummer 05/265983-25

1, primair

hij op of omstreeks 8 oktober 2025 te Ede ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 3] opzettelijk van het leven te beroven

- die [slachtoffer 3] van de trap heeft getrokken/gegooid, waardoor zij op de grond viel en/of

- ( meermaals) die [slachtoffer 3] heeft opgetild en/of heeft neergegooid op de grond en/of

- ( meermaals) die [slachtoffer 3] heeft geslagen/gestompt op haar gezicht en/of haar hoofd en/of haar bovenlichaam en/of

- zijn handen om de keel van die [slachtoffer 3] heeft gelegd/geklemd en/of in de keel van die [slachtoffer 3] heeft geknepen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 8 oktober 2025 te Ede met een persoon, te weten [slachtoffer 3] , of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het brengen van zijn penis in de vagina en/of de anus en/of de mond van die [slachtoffer 3] , terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 3] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetverkrachting werd voorafgegaan door, en vergezeld van en/of gevolgd door dwang, en geweld en/of bedreiging, door

- de woning van die (voor hem onbekende) [slachtoffer 3] in de nachtelijke uren zonder haar toestemming en/of zonder haar weten binnen te dringen/treden en/of

- die [slachtoffer 3] vanaf de trap op de grond te trekken/gooien en/of een of meerdere geweldshandelingen op haar gezicht en/of haar lichaam uit te oefenen, waardoor zij (ernstig) gewond raakte en/of

-de onesie en de onderbroek van die [slachtoffer 3] open te scheuren/maken en/of naar beneden te trekken en/of

- voornoemde seksuele handelingen onverhoeds te verrichten en/of die [slachtoffer 3] hiermee te overrompelen en/of

- ( hierbij) voorbij te gaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer 3] en/of

- ( hierbij) misbruik te maken van de lichamelijke gesteldheid van die [slachtoffer 3] gelet op haar hoge leeftijd en verwondingen en/of zijn fysieke overwicht op die [slachtoffer 3] en/of het feit dat van die [slachtoffer 3] in haar bewegingsvrijheid werd beperkt gelet op het feit dat zij op de grond lag, waardoor die [slachtoffer 3] zich niet aan voornoemde seksuele handelingen kon onttrekken en/of

- ( hierdoor) een zodanig bedreigende en/of beangstigende situatie te creëren dat die [slachtoffer 3] zich niet aan bovengenoemde seksuele handelingen kon en/of durfde te onttrekken;

3.

hij op of omstreeks 8 oktober 2025 te Ede gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd,

onder meer een of meerdere sieraden en/of een pinpas en/of een of meerdere digitale apparaten (te weten onder meer telefoons en/of tablets) en/of een of meerdere tassen en/of een koffer en/of een of meerdere persoonlijke documenten (te weten onder meer een testament) en/of een of meerdere sleutels, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/ die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- de woning van die (voor hem onbekende) [slachtoffer 3] in de nachtelijke uren zonder haar toestemming en/of zonder haar weten binnen te dringen/treden en/of

- die [slachtoffer 3] vanaf de trap op de grond te trekken/gooien en/of een of meerdere geweldshandelingen op haar gezicht en/of haar lichaam uit te oefenen, waardoor zij (ernstig) gewond raakte en/of

- terwijl die [slachtoffer 3] op de grond lag, voornoemde goederen (zonder haar toestemming) uit de woning te halen/pakken;

4.

hij in of omstreeks de nacht van 7 oktober 2025 op 8 oktober 2025 te Ede

- een mapje (met daarin een tankpas) en/of een zaklampje en/of een of meerdere jassen en/of een paar handschoenen en/of een plaid, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 5] , in elk geval aan een ander toebehoorden en/of

- een envelop (met daarin een tolkastje) en/of een of meerdere sleutels en/of een mapje (met daarin een of meerdere pasjes en/of documenten) en/of een of meerdere tassen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 6] en/of [aangever 7] , in elk geval aan een ander toebehoorden, heeft weggenomen (uit een of meerdere auto’s) met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van parketnummer 05/351725-25:

Opzetaanranding, voorafgegaan door en vergezeld van dwang en geweld;

Ten aanzien van parketnummer 05/261842-25

Feiten 1, 3 en 4, telkens: Diefstal

Feit 2: Opzetaanranding

Ten aanzien van parketnummer 05/253566-25

Feit 1: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

Feit 2: wederspannigheid;

Ten aanzien van parketnummer 05/265983-25

Feit 1: Poging tot doodslag;

Feit 2: Opzetverkrachting, voorafgegaan door en vergezeld van geweld en dwang;

Feit 3: Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en dwang tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning;

Feit 4: Diefstal, meermalen gepleegd.

5. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten is door de raadsman (primair) bepleit deze niet aan verdachte toe te rekenen en hem te ontslaan van alle rechtsvervolging. Uit het rapport van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) volgt dat, gezien de ernst van het manisch-psychotisch toestandsbeeld, niet is uit te sluiten dat de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte volledig werden gestuurd door zijn psychotische belevingen en er dus een volledig verklarend verband bestaat tussen zijn pathologie en de gedragingen. Door de raadsman zijn verschillende aanwijzingen naar voren gebracht, waaruit de rechtbank volgens hem de conclusie kan trekken dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Mocht de rechtbank toch tot toerekening komen, dan is (subsidiair) door de raadsman verzocht de feiten sterk verminderd aan verdachte toe te rekenen, conform het advies van het PBC.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er aanwijzingen zijn om de ten laste gelegde feiten in grotere mate aan verdachte toe te rekenen dan de deskundigen van het PBC hebben geadviseerd. Daartoe heeft de officier van justitie betoogd dat het drugsgebruik van verdachte in aanloop naar en ten tijde van de ten laste gelegde feiten excessief was, terwijl hij van zichzelf wist dat hij er paranoïde, agressiever en meer seksueel ontremd van werd. Desondanks is verdachte grote hoeveelheden en verschillende soorten drugs en drank blijven gebruiken. Hiermee heeft hij zichzelf in een staat gebracht waarin hij minder grip had op zijn handelen. Volgens de officier van justitie reden om de ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen en niet in sterk verminderde mate of om hem zelfs volledig ontoerekeningsvatbaar te achten.

Beoordeling door de rechtbank

De bevindingen van de deskundigen (PBC)

Verdachte is geobserveerd in het Pieter Baan Centrum. Op basis van deze observatie is door [persoon] (arts in opleiding) onder supervisie van H.S. Roelfsema (psychiater) en F.S. van Huis (GZ-psycholoog) - allen verbonden aan het PBC - een rapportage opgemaakt over de persoon van verdachte. De rechtbank heeft hiervan kennisgenomen.

De deskundigen hebben bij verdachte een manisch-psychotische kwetsbaarheid vastgesteld. Uit het rapport volgt dat bij verdachte in elk geval sprake was van één manisch-psychotische episode die ontstond in de maanden voorafgaand aan de detentie van verdachte, bij fors middelengebruik. Het manisch-psychotische beeld bleef, vermoedelijk in afgezwakte vorm, ook nog enkele weken bestaan in detentie, zonder dat er duidelijke aanwijzingen waren voor middelengebruik. Ook in het PBC, met name in de eerste twee weken van het verblijf, kwamen uit de observaties voornamelijk nog restverschijnselen van manische kenmerken naar voren, zoals een eufore stemming en enige ontremming. Ook is in het PBC het denken psychotisch gekleurd. Op het moment dat verdachte enkele weken na het verblijf in het PBC wordt gesproken in de P.I. [plaats] , zijn er in het korte contact geen manische of psychotische verschijnselen meer zichtbaar.

De deskundigen hebben geconcludeerd dat de manisch-psychotische kwetsbaarheid bij verdachte aanwezig is in het kader van een psychiatrische stoornis, waarbij classificerend sprake kan zijn van een bipolaire-I-stoornis of van een schizoaffectieve stoornis. Bij beide psychiatrische stoornissen is sprake van een combinatie van stemmingsklachten (manisch of depressief) en psychotische klachten, waarbij het verschil tussen de twee voornamelijk zit in welke klachten meer op de voorgrond staan. Het beeld van een bipolaire-I-stoornis en een schizoaffectieve stoornis kan bovendien fluctueren door de tijd, waardoor het wisselt wat er meer op de voorgrond staat. Doordat verdachte nog jong is en het daardoor onvoldoende duidelijk is hoe het huidige beeld zich verder zal ontwikkelen, is het op dit moment niet mogelijk onderscheid te maken tussen een bipolaire-I-stoornis of ontwikkeling tot een schizoaffectieve stoornis.

Ten tijde van de manisch-psychotische episode is er sprake van seksuele ontremming en preoccupatie. Deze seksuele ontremming en preoccupatie kan passen bij een manisch-psychotische episode. Alle informatie vanuit het milieurapport, het strafdossier en de politieverhoren overziend, wordt zichtbaar dat verdachte vanaf april 2025 veelvuldig een verhoogde stemming en psychotische symptomen liet zien. Gedurende een manisch-psychotische episode is de ontregeling niet stabiel: iemand kan het ene moment bijvoorbeeld meer last hebben van dwingende psychotische verschijnselen en het andere moment minder. Dergelijke verschillen over de tijd zijn voor onderzoekers niet vast te stellen, wat leidt tot enige voorzichtigheid in het advies over de toerekenbaarheid.

De deskundigen hebben daarnaast vastgesteld dat bij verdachte sprake is van een ernstige stoornis in het gebruik van alcohol, cannabis, cocaïne en amfetamineachtige middelen. Er is sprake van langdurig middelengebruik waarbij het verdachte meermaals niet lukt om hiermee te stoppen. Door het gebruik zijn problemen ontstaan in diverse domeinen van zijn leven, zoals op het gebied van huisvesting, financiën en sociale contacten. Verdachte blijft veelvuldig middelen gebruiken, ondanks contacten met justitie en een ziekenhuisopname in mei 2025 ten gevolge van het middelengebruik. De precieze relatie tussen het middelengebruik en de manisch-psychotische kwetsbaarheid is niet duidelijk geworden. Hierdoor is bijvoorbeeld onduidelijk of

middelengebruik alleen voorkomt tijdens manisch-psychotische ontregelingen of dat dit ook los van de manisch-psychotische kwetsbaarheid kan worden gezien.

De deskundigen hebben geconcludeerd dat bij verdachte van april tot en met oktober 2025 sprake was van een veelvuldig aanwezig en ernstig manisch-psychotisch toestandsbeeld, dat het denken, voelen en handelen van verdachte in grote mate, al dan niet volledig, beïnvloedde. Er was sprake van ernstige oordeels- en kritiekstoornissen door de eufore stemming en de aanwezige wanen, verminderd vermogen tot zelfreflectie en grote beperkingen in de regulerende functies, leidend tot onder andere ontremming, impulsiviteit en problemen op het gebied van de agressieregulatie. De ernstige manisch-psychotische pathologie heeft volgens de deskundigen de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten in grote mate beïnvloed. Uit de verschillende politieverhoren van verdachte wordt duidelijk dat zijn denken fors gekleurd is door het manisch-psychotisch toestandsbeeld. Het ernstige middelengebruik, waar verdachte met de aanwezige psychopathologie en het gebrek aan ziekte-inzicht geen grip op heeft, hield vermoedelijk het manisch-psychotisch beeld in stand en verslechterde zijn functioneren nog verder.

Al met al adviseren de deskundigen de tenlastegelegde feiten, door eerdergenoemde psychopathologie en daaruit volgende beperkingen, op een vijfpuntsschaal, ten minste sterk verminderd aan verdachte toe te rekenen. Gezien de ernst van het manisch-psychotisch toestandsbeeld is het niet uit de sluiten dat de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte volledig werden gestuurd door zijn psychotische belevingen en er dus een volledig verklarend verband bestaat tussen zijn pathologie en gedragingen. Dit is echter door de beperkingen van het onderzoek (zoals de taalbarrière, het beperkte milieuonderzoek en de inconsistenties in de verklaringen van verdachte zelf) niet volledig te onderbouwen noch uit te sluiten.

Stoornissen

De rechtbank concludeert op basis van het PBC-rapport dat bij verdachte sprake was van psychische problematiek, te herleiden tot meerdere stoornissen, die ook aanwezig was ten tijde van de bewezen verklaarde feiten Verdachte bevond zich gedurende de gehele pleegperiode (en ook al enkele maanden daarvoor) in een manisch-psychotische episode. Deze episode kan worden toegeschreven aan ofwel een bipolaire-I-stoornis ofwel een schizoaffectieve stoornis. Daarnaast was sprake van een stoornis in middelengebruik. Ook ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij ten tijde van de ten laste gelegde feiten ernstig onder invloed was van middelen.

Toerekenbaarheid

Verdachte is gedurende een periode van zeven weken – wat langer dan gebruikelijk is – door meerdere deskundigen geobserveerd in het PBC. De deskundigen zijn naar aanleiding van die observatie tot een eensluidend advies gekomen, waarin uitgebreid is beschreven en onderbouwd dat het gedrag van verdachte in sterke mate werd beïnvloed door de genoemde stoornissen. Uit het advies volgt tevens dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht, nu dat niet kan worden onderbouwd noch kan worden uitgesloten. Gezien het voorgaande, ziet de rechtbank in de argumenten van de officier van justitie en de verdediging geen aanleiding om van het afgewogen, onderbouwde advies van de deskundigen af te wijken. Van belang voor deze conclusie is dat in het rapport wordt beschreven dat de ontregeling bij iemand die een manisch-psychotische episode doormaakt niet stabiel is. Het ene moment kan iemand meer last hebben van dwingende psychotische verschijnselen dan het andere moment. Uit de verklaringen van verdachte leidt de rechtbank af dat verdachte op verschillende momenten ook (meer) doordachte keuzes kon maken. Zo heeft hij ter zitting verklaard dat hij zich in de woning van [slachtoffer 3] kon bedenken dat het verschrikkelijk was wat hij had gedaan en dat hij daarom moest vluchten. Daar handelde hij ook naar, door na het incident eerst naar Arnhem en daarna naar Amsterdam te gaan. Ook besloot hij geen ambulance te bellen, omdat hij zich schaamde voor de verkrachting. Daarnaast constateert de rechtbank dat verdachte gedurende een langere periode, waarin de psychotische verschijnselen niet steeds even sterk aanwezig zullen zijn geweest, steeds opnieuw de keuze maakte om drugs te gebruiken en hiervoor geen hulp te zoeken. Door de officier van justitie is betoogd dat het excessieve middelengebruik door verdachte een trigger is geweest voor het ontstaan van de manisch-psychotische episode, waardoor hij in grotere mate verantwoordelijk moet worden gehouden voor zijn handelen dan de deskundigen hebben geadviseerd. In het PBC-rapport is echter uitdrukkelijk beschreven dat de precieze relatie tussen het middelengebruik en de manisch-psychotische episode niet duidelijk is geworden, zodat de rechtbank die conclusie niet zal trekken. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de manisch-psychotische symptomen ook aanwezig bleven toen verdachte al wekenlang gedetineerd zat (en geen middelen meer gebruikte).

Alles overziend komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten in enige mate verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn handelen. De rechtbank neemt het advies van de deskundigen over en zal de feiten in sterk verminderde mate aan verdachte toerekenen.

7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 13 jaren, uitgaande van verminderde toerekenbaarheid, en een tbs-maatregel met verpleging van overheidswege. Indien de rechtbank tot sterk verminderde toerekening komt, is verzocht tot oplegging van een gevangenisstraf van 11 jaren. De tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, dient op de gevangenisstraf in mindering te worden gebracht. Daarnaast is de maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr gevorderd voor de duur van 5 jaar, inhoudende een contactverbod met slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] . Per overtreding van dit verbod acht de officier van justitie 2 weken hechtenis op zijn plaats, met een maximum van 6 maanden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair bepleit dat wordt afgezien van de oplegging van een tbs-maatregel, nu verdachte geen verblijfsrecht heeft in Nederland en er daarmee voor hem geen perspectief op resocialisatie is. Overdracht van een tbs-maatregel aan Polen is in de praktijk een uitzondering. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om in plaats daarvan een zorgmachtiging af te geven op grond van artikel 2.3 van de Wet forensische zorg. Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring en verminderde toerekening komt, is verzocht om enkel een gevangenisstraf van bepaalde duur op te leggen. Behandeling van de psychische problematiek is mogelijk in een penitentiair psychiatrisch centrum en de gevangenisstraf kan worden overgedragen aan Polen. In het geval de rechtbank toch overgaat tot de oplegging van een tbs-maatregel, dan is verzocht de gevangenisstraf zo beperkt mogelijk te houden, zodat de behandeling zo spoedig mogelijk kan aanvangen. Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf is verzocht om artikel 63 Sr en de proceshouding van verdachte in zijn voordeel mee te wegen. Indien de rechtbank het advies van het PBC ten aanzien van de toerekenbaarheid volgt, wordt verzocht uitdrukkelijk vast te stellen dat het om de zwaarste gradatie van verminderde toerekening gaat.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf en maatregel rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich in een periode van zo’n anderhalve maand schuldig gemaakt aan een reeks van uiteenlopende strafbare feiten. Dat begon op 27 augustus 2025 toen [slachtoffer 1] werd aangerand door verdachte, terwijl zij een wandeling maakte in het bos. Verdachte pakte haar bij haar kruis en ontblootte en betastte in haar bijzijn zijn geslachtsdeel. [slachtoffer 1] heeft op de zitting op krachtige wijze verwoord wat dit alles met haar gevoel van veiligheid heeft gedaan. Twee dagen later heeft verdachte zich opnieuw schuldig gemaakt aan aanranding. Ook hier ging het om een willekeurig slachtoffer, namelijk een zestienjarig meisje dat op een bankje in het park zat. Hij dwong bij haar een kus af en vervolgde zijn weg door de buurt, waar hij van verschillende personen spullen stal. Eén van de slachtoffers, een vrouw op leeftijd, bood hem nota bene aan om droog bij haar onder de carport te zitten omdat het regende, terwijl hij zijn telefoon installeerde. Verdachte maakte vervolgens misbruik van haar vriendelijkheid, door (onder meer) haar elektrische fiets te stelen. Enkele weken later werd verdachte betrapt op een diefstal bij de Albert Heijn, vernielde hij een ruit en verzette hij zich bij zijn aanhouding. In de nacht van 7 op 8 oktober 2025 beging verdachte de afschuwelijke feiten tegen de 87-jarige mevrouw [slachtoffer 3] . Verdachte werd in haar woning door haar betrapt terwijl zij op de trap stond. Verdachte heeft fors geweld tegen haar gebruikt en haar onder meer van de trap getrokken en als een pop meermalen tegen de grond gegooid. Toen [slachtoffer 3] al weerloos en zwaar toegetakeld op de grond lag, heeft verdachte haar meermaals verkracht. Vervolgens is hij de hele woning doorgegaan op zoek naar spullen die hij vervolgens heeft meegenomen uit de woning. Verdachte heeft [slachtoffer 3] voor dood achtergelaten en heeft, zo heeft hij ter zitting verklaard, op geen enkel moment overwogen om een ambulance te bellen. Uit het dossier valt af te leiden dat [slachtoffer 3] al uren alleen in de hal lag, voordat zij in de ochtend van 8 oktober 2025 door de politie werd gevonden.

De dochter van [slachtoffer 3] heeft ter zitting de indrukwekkende slachtofferverklaring van haar moeder voorgedragen. Hieruit blijkt hoeveel invloed deze gebeurtenis op haar leven en dat van haar familie heeft gehad. Zij was een zelfstandige, fitte en sociale vrouw, die heel actief in het leven stond. Hoewel zij na een periode in het ziekenhuis en van revalidatie weer thuis woont, is niets meer hetzelfde voor haar. Zij wordt nog dagelijks geconfronteerd met de gevolgen van het misdrijf, zowel fysiek als mentaal. Zij voelt zich kwetsbaarder en minder onbevangen. Desondanks probeert zij vooruit te kijken en te genieten van de kleine dingen die nog wel kunnen. Hieruit blijkt dat de door verdachte gepleegde feiten diepe sporen in haar leven hebben achtergelaten. De verklaring geeft daarnaast ook blijk van een bewonderingswaardig grote veerkracht.

De persoon van verdachte

Bij het bepalen van de op te leggen straf en maatregel houdt de rechtbank rekening met het PBC-rapport. Naast de vastgestelde psychische problematiek en de invloed daarvan op het handelen van verdachte, volgt daaruit het volgende.

De deskundigen hebben beschreven dat bij verdachte ten tijde van het opmaken van de rapportage geen ziektebesef en -inzicht bestond ten aanzien van de manisch-psychotische kwetsbaarheid en de gevolgen hiervan op zijn gedragingen. Hierdoor zal hij geen hulp zoeken voor de bipolaire stoornis of medicatie niet gaan gebruiken. In de periode voorafgaand aan en rondom de ten laste gelegde feiten heeft verdachte geen hulp gezocht voor de manisch-psychotische klachten en het middelengebruik. Het veelvuldig en herhaaldelijk middelengebruik wordt ook beschouwd als risicofactor. Indien de manisch-psychotische klachten passend bij de manisch-psychotische kwetsbaarheid blijven bestaan, wordt het risico dat verdachte opnieuw psychotisch impulsief en (seksueel) ontremd raakt en tot soortgelijke delicten overgaat ingeschat als verhoogd. Dit komt, doordat er ten tijde van die klachten sprake is van ernstige oordeels- en kritiekstoornissen, waardoor er grote beperkingen zijn in de regulerende functies en het zelfreflectief vermogen om delictgedrag te voorkomen. Daarnaast schatten de deskundigen in dat er sprake is van een hoog risico op herhaling vanwege het gebrek aan beschermende factoren. Verdachte heeft op dit moment onvoldoende steun, hij heeft problemen met het onderhouden van een relatie en de band met zijn vader en broer lijkt op dit moment onder druk te staan. Verdachte raakte bovendien voorafgaand aan detentie zijn woning kwijt en stopte met werken. Het gebrek aan beschermende factoren, zoals werk en huisvesting, kan stress-verhogend zijn en kan bovendien leiden tot een terugval of verergering van het middelengebruik. Alle informatie samen genomen, zien de deskundigen dat er veel risicofactoren kunnen worden onderscheiden en weinig tot geen beschermende factoren kunnen worden vastgesteld. Alles overziend stellen de deskundigen dat sprake is van een hoog risico op herhaling, indien verdachte onbehandeld zou terugkeren naar de situatie van voor het tenlastegelegde.

Ter vermindering van dit risico op herhaling, is volgens de deskundigen een behandeling nodig met een klinische start, die gericht is op zowel de manisch-psychotische kwetsbaarheid als op de ernstige verslavingsproblematiek. Gezien de ernst en duurzaamheid van beide stoornissen en het feit dat de manisch-psychotische episode ook na enkele maanden detentie, tijdens gebruik van medicatie, ten tijde van het onderzoek in het PBC nog niet volledig in remissie leek, is een lange duur nodig van de behandeling. Tijdens deze behandeling dient de medicatie eerst te worden geoptimaliseerd. Daarnaast is het in de behandeling van belang dat er aandacht is voor psycho-educatie en het creëren van ziektebesef en -inzicht. Bovendien is behandeling van de ernstige verslavingsproblematiek belangrijk, waarbij er aandacht dient te zijn voor de relatie tussen middelengebruik en manisch-psychotische klachten. Gedurende de behandeling zal aandacht moeten blijven bestaan voor de diagnostiek, en zullen de risicogebieden steeds (opnieuw) in kaart moeten worden gebracht, wanneer meer zicht ontstaat over bijvoorbeeld de persoonlijkheid en mogelijke blijvende cognitieve stoornissen. Ook kan dan de seksuele anamnese opnieuw worden afgenomen om een separate seksuele stoornis definitief uit te kunnen sluiten. Behandeling in het kader van een zorgmachtiging wordt door de deskundigen niet passend geacht, omdat langdurige behandeling noodzakelijk is. De duur van een zorgmachtiging is daarvoor onvoldoende toereikend. Het beeld moet eerst gestabiliseerd worden en er moet vervolgens nog procesdiagnostiek plaatsvinden. Ook moet de verslavingsproblematiek onder controle zijn. Bovendien moet er na de procesdiagnostiek opnieuw een risico-inschatting worden gemaakt, waarbij de setting van een zorgmachtiging onvoldoende is ingericht op risicosturing. Zonder behandeling blijft het recidiverisico, zoals beschreven, onveranderd hoog.

Gelet op de aard en ernst van de pathologie en het recidiverisico adviseren onderzoekers aan betrokkene een tbs-maatregel op te leggen. Door het gebrek aan ziekte-inzicht en het gebrek aan motivatie, wordt een tbs-maatregel met voorwaarden onvoldoende doelmatig geacht. De deskundigen adviseren daarom de oplegging van een tbs-maatregel met verpleging van overheidswege.

Ook de reclassering schat het risico op strafbaar gedrag in als hoog op het moment dat verdachte terugvalt in middelengebruik. Uit het rapport van 15 september 2026 volgt dat sprake is van problemen op alle leefgebieden. Verdachte heeft van de IND een beschikking gekregen dat hij Nederland moet verlaten. Dat betekent dat hij geen perspectief heeft in Nederland op het gebied van huisvesting, dagbesteding en inkomen. Een sociaal netwerk lijkt hij niet te hebben. Bij zijn adoptievader kan hij niet meer terugkeren vanwege zijn verslavingsproblemen. De reclassering heeft verder beschreven dat er sprake lijkt van een zekere opbouw naar de huidige verdenkingen. Vanaf mei 2025 kwam verdachte meermaals in aanraking met de politie vanwege verward en agressief gedrag. Hieruit leidt de reclassering af dat verdachte in rap tempo afgleed. De reclassering ziet – mede gezien het advies van het PBC – voor zichzelf geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen. Wel adviseren zij de oplegging van een contactverbod met de slachtoffers [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] .

De op te leggen straf/maatregel

Op basis van de bevindingen van de deskundigen, stelt de rechtbank vast dat sprake is van een hoog recidiverisico (ook op geweld). De rechtbank constateert dat sprake is van complexe problematiek bij verdachte en een gebrek aan ziektebesef en -inzicht. Een intensieve en langdurige behandeling is daarom noodzakelijk om het hoge recidiverisico te kunnen inperken. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, de oplegging van een tbs-maatregel met verpleging van overheidswege eist. Andere, minder vergaande maatregelen, zijn door de deskundigen onderzocht, maar uitdrukkelijk niet toereikend en/of passend gebleken.

De rechtbank stelt vast dat verdachte wordt veroordeeld voor meerdere misdrijven als bedoeld in artikel 37a, eerste lid onder 1 van het Wetboek van Strafrecht, waarvoor tbs mogelijk is. Daarnaast is sprake geweest van een stoornis dan wel gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens van verdachte ten tijde van het plegen van het feit. Aan de vereisten voor oplegging van de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege is daarmee voldaan. De duur van de maatregel is niet gemaximeerd, nu de feiten(deels) zijn gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam.

Door de raadsman is bepleit dat de oplegging van een tbs-maatregel met verpleging van overheidswege in de praktijk een levenslange vrijheidsbeneming zou betekenen, omdat verdachte geen verblijfsrecht heeft in Nederland en daarmee geen resocialisatieperspectief.

De rechtbank overweegt dat het feit dat verdachte niet rechtmatig in Nederland verblijft niet in de weg staat aan het opleggen van de tbs-maatregel. De Verlofregeling TBS voorziet in artikel 2, zesde lid, onder a in de mogelijkheid van begeleid verlof voor een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf in Nederland, indien dit noodzakelijk is ten behoeve van het vertrek uit Nederland of ter voorbereiding op de resocialisatie van de vreemdeling in het land van herkomst. Het verloop van de maatregel zal periodiek worden getoetst door de rechter. Daarbij kan ook de staat van de verblijfstatus van verdachte worden gemonitord met het oog op het verloop van de behandeling en de eventuele repatriëring naar zijn land van herkomst. De rechten van verdachte zijn hiermee naar het oordeel van de rechtbank voldoende gewaarborgd.

De vraag is dan wat naast de oplegging van deze maatregel een passende straf is. Gezien de aard en de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur. Daartegenover staat dat de rechtbank op basis van een uitgebreid deskundig rapport heeft vastgesteld dat het handelen van verdachte in sterke mate werd beïnvloed door zijn stoornissen. De rechtbank heeft daarmee rekening te houden bij het bepalen van de hoogte van de straf.

Alles afwegend, zal de rechtbank aan verdachte daarom een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 8 jaren. Die straf is lager dan de door de officier van justitie gevorderde straf van 11 jaren, omdat de rechtbank in verdergaande mate dan de officier van justitie heeft gedaan rekening houdt met de sterk verminderde toerekenbaarheid van de feiten aan verdachte. De tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, zal op deze gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Gelet op de duur van de gevangenisstraf en de daarop volgende tbs-maatregel zal verdachte lange tijd niet in vrijheid worden gesteld. De rechtbank ziet daarmee geen toegevoegde waarde in het opleggen van een contact- of locatieverbod.

8. De beoordeling van de civiele vorderingen

De volgende benadeelde partijen hebben zich in het strafproces gevoegd en een vordering tot schadevergoeding ingediend:

1. [slachtoffer 1] vordert in verband met het tenlastegelegde onder parketnummer

05/351725-25 een bedrag van € 3.500,00 aan smartengeld;

2) [slachtoffer 3] vordert in verband met het tenlastegelegde onder parketnummer

05/265983-25 een bedrag van:

€ 5.486,22 aan materiële schade, bestaande uit:

- reis- en parkeerkosten zoon, dochter en schoonzoon € 2.788,23;

- reis- en parkeerkosten zus € 100,00;

- overige reis- en parkeerkosten € 49,78;

- kosten verbouwingen woning € 317,54;

- kosten aanschaf rollators € 184,95;

- kosten aanschaf bed en beddengoed € 355,46;

- kosten in verband met diefstal/vermissing eigendommen € 258,50;

- kosten diverse verzorgingsproducten en kleding € 107,39;

- zorgkosten € 792,52;

- kosten alarmhorloge en abonnement dataverbinding € 205,50;

- toekomstige schade abonnement bij alarmhorloge € 373,85;

- niet-vergoede kosten annulering reis dochter en schoonzoon € 158,00;

€ 40.000,00 aan smartengeld,

telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is door beide benadeelden om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (parketnummer 05/351725-25)

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer 1] kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer 1] kan worden toegewezen tot een bedrag aan de onderkant van de door haar genoemde bandbreedte op basis van De Rotterdamse Schaal.

Overweging van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is vast komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit immateriële schade heeft geleden. Door de gedragingen van verdachte is de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij geschonden. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De aard en ernst van de normschending brengt mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat de benadeelde partij hiermee op andere wijze in haar persoon is aangetast. Hiermee is aan de wettelijke vereisten zoals genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek voldaan.

Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schade zoekt de rechtbank – net als de benadeelde – aansluiting bij de categorie ‘ernstig’ zoals opgenomen in ‘De Rotterdamse Schaal’ als het gaat om geestelijk letsel als gevolg van een aanranding. In dit geval ging het om een eenmalige aanranding, waarbij verdachte het met kleding bedekte geslachtsdeel van [slachtoffer 1] heeft betast en waarbij hij zijn eigen geslachtsdeel heeft ontbloot en betast. Bij de genoemde categorie wordt als uitgangspunt een schadevergoeding tussen de € 1.000,00 en

€ 5.000,00 gehanteerd. Bij het bepalen van de hoogte van het toe te wijzen bedrag houdt de rechtbank daarnaast rekening met de aard en ernst van de handelingen en met de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te wijzen. In het bijzonder weegt de rechtbank mee dat [slachtoffer 1] zich alleen met verdachte in het bos bevond.

Naar maatstaven van billijkheid zal de rechtbank aan de benadeelde partij een smartengeld van € 2.000,00 toekennen. Verdachte is wettelijke rente verschuldigd over dit bedrag vanaf 27 augustus 2025.

De rechtbank ziet verder aanleiding om op grond van artikel 36f Sr de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen. Mogelijke betalingsonmacht van de verdachte kan in het kader van de (mogelijke) tenuitvoerlegging van de gijzeling aan de orde komen.

De proceskosten worden tot op heden begroot op nul.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] (parketnummer 05/265983-25)

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de posten die zien op de verbouwingen van de woning, de rollators, de verzorgingsproducten en kleding, de zorgkosten en het alarmhorloge (inclusief de al betaalde abonnementstermijnen) voldoende zijn onderbouwd. Deze schade wordt niet betwist.

Voor zover de gevorderde reis- en parkeerkosten zijn onderbouwd met overzichten en afschriften, refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Het forfaitaire bedrag van € 100,00 aan de zus van de benadeelde is vergoed, is niet gespecificeerd. Voor die schadepost wordt verzocht de benadeelde niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering. De gevorderde reis- en parkeerkosten voor de bespreking met de slachtofferadvocaat, het slachtoffergesprek en de pro formazitting komen ingevolge vaste jurisprudentie niet voor vergoeding in aanmerking. Ook ten aanzien van deze schade wordt verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. Als het gaat om het bed dat via Marktplaats is gekocht, heeft de verdediging gesteld dat er geen bon of betaalbewijs is overgelegd. Voor dat deel van de vordering wordt verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. Ten aanzien van het beddengoed heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Voor wat betreft de vermiste goederen heeft de raadsman opgemerkt dat een deel ervan is teruggegeven aan de benadeelde partij. Om die reden is verzocht de schade uitsluitend toe te wijzen voor de goederen die niet zijn geretourneerd. Het niet-onderbouwde contante geld dient buiten beschouwing te worden gelaten.

Ten aanzien van de toekomstige termijnen voor het abonnement behorend bij het alarmhorloge heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat dit toekomstige schade betreft. Deze schade laat zich niet eenvoudig vaststellen, zodat de benadeelde niet-ontvankelijk in deze vordering moet worden verklaard. De niet-vergoede kosten voor de geannuleerde reis van de dochter en schoonzoon van de benadeelde komen alleen voor vergoeding in aanmerking, indien blijkt dat dit bedrag daadwerkelijk door de benadeelde aan haar dochter is vergoed. Voor zover dit niet uit de stukken blijkt, dient de benadeelde niet-ontvankelijk te worden verklaard in dit deel van de vordering. Door de raadsman is tot slot niet betwist dat de benadeelde aanspraak maakt op een aanzienlijk bedrag aan smartengeld.

Verzocht is om de hoogte ervan naar billijkheid vast te stellen en daarbij de toelichting van de benadeelde partij op pagina 12 van de vordering – waar men tot een bedrag van € 32.000 komt – als uitgangspunt te nemen. Gezien de volstrekte onmogelijkheid voor een gedetineerde zonder inkomen en zonder verblijfsrecht om enig bedrag te voldoen, wordt ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel verzocht de duur van de gijzeling te bepalen op één dag.

Overweging van de rechtbank

Materiële schade

Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

De gevorderde schade met betrekking tot de verbouwingen in de woning, de aanschaf van rollators, de verzorgingsproducten en kleding, de zorgkosten en het alarmhorloge (inclusief al betaalde abonnementstermijnen) is onderbouwd en is door de verdediging niet betwist. Deze schadeposten zal de rechtbank daarom in het geheel toewijzen. Het gaat om een bedrag van:

(€ 317,54 + € 184,95 + 107,39 + 792,52 + € 205,50 =) € 1.776,25.

De zoon en dochter van de benadeelde hebben reis- en parkeerkosten gemaakt die verband houden met de bewezenverklaarde feiten. Deze kosten zijn door de benadeelde aan hen vergoed. Dit betreft rechtstreekse schade. Die schade is naar het oordeel van de rechtbank gelet op de onderbouwing onvoldoende gemotiveerd betwist. De rechtbank zal het gevorderde bedrag van € 2.788,23 toewijzen.

Gezien de inhoud van het dossier, waaruit blijkt dat de benadeelde veelvuldig contact heeft met haar zus, acht de rechtbank het aannemelijk dat ook haar zus reis- en parkeerkosten heeft gemaakt die door de benadeelde zijn vergoed. Het gevorderde bedrag van € 100,00 is gebaseerd op een door de letselschaderaad forfaitair vastgesteld bedrag. De rechtbank ziet geen aanleiding van dit bedrag af te wijken. Zij zal deze schade daarom begroten op dit bedrag en ook dit deel van de vordering toewijzen.

De benadeelde heeft verder reis- en parkeerkosten gevorderd in verband met het bijwonen van diverse afspraken met betrekking tot haar rol als slachtoffer in het strafproces. Deze kosten komen ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad niet voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank ziet in de door de raadsman naar voren gebrachte argumenten geen aanleiding om van deze lijn af te wijken. De benadeelde partij zal voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

Uit de geleverde onderbouwing blijkt dat de benadeelde partij naar aanleiding van de gebeurtenis op 8 oktober 2025 via Marktplaats een zogenoemd hoog-laagbed en bijbehorend beddengoed heeft aangeschaft. Hoewel de benadeelde partij geen bon heeft kunnen overleggen, acht de rechtbank evident dat de benadeelde partij dit bed na haar ontslag uit het revalidatiecentrum heeft aangeschaft, zoals ook te zien is op de foto’s in het dossier. Het gevorderde bedrag van € 290,00 komt de rechtbank bovendien redelijk voor. De gevorderde kosten van € 65,46 voor het beddengoed zijn door de verdediging niet betwist, zodat beide bedragen zullen worden toegewezen.

Datzelfde geldt voor de vermiste goederen. Vaststaat dat verdachte de goederen zoals ten laste gelegd heeft weggenomen uit de woning van de benadeelde. De vordering is door de verdediging onvoldoende gemotiveerd betwist, nu niet is benoemd en onderbouwd welke goederen er zouden zijn geretourneerd aan de benadeelde. Het gevorderde bedrag aan vermiste goederen komt de rechtbank redelijk voor. Daarbij acht zij het aannemelijk dat de benadeelde een bedrag van € 20,00 aan contant geld in haar woning had liggen en dat verdachte dit ook heeft meegenomen. De rechtbank zal het bedrag van in totaal € 258,50 toewijzen.

Uit de stukken volgt dat de benadeelde partij weer thuis woont en dat zij een alarmhorloge heeft aangeschaft om alarm te kunnen slaan bij noodgevallen. Bij dit horloge is een abonnement vereist voor de dataverbinding om alarm te kunnen slaan. Door de benadeelde zijn – naast de al betaalde abonnementstermijnen die de rechtbank heeft toegewezen – de toekomstige abonnementsafschrijvingen gevorderd tot en met twee jaren na de gebeurtenissen van 8 oktober 2025. Voor de rechtbank staat vast dat de benadeelde dit horloge (en dus het abonnement) in de nabije toekomst nodig heeft voor haar gevoel van veiligheid. Aangezien onduidelijk is hoelang benadeelde dit horloge nog zal willen gebruiken en hoeveel abonnementsafschrijvingen er daadwerkelijk nog betaald zullen worden door de benadeelde, zal de rechtbank deze schadepost naar billijkheid schatten op een bedrag van € 90,65. Voor het overige kan de benadeelde partij zich nog wenden tot de burgerlijke rechter.

Tot slot worden door de dochter en schoonzoon van de benadeelde – als verplaatste schade – de niet-vergoede kosten gevorderd voor de annulering van een reis. Door de verdediging is niet betwist dat deze kosten zijn gemaakt en dat er sprake is van een verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van verplaatste schade ex artikel 6:106, eerste lid, onder a van het Burgerlijk Wetboek die voor vergoeding in aanmerking komt. De kosten zijn immers door derden (de dochter en schoonzoon) gemaakt ten behoeve van de benadeelde. Zou de benadeelde partij deze kosten zelf hebben gemaakt en opgevoerd, dan zouden deze voor vergoeding in aanmerking komen. Gezien het voorgaande, zal de rechtbank het gevorderde bedrag van € 158,00 toewijzen.

Smartengeld

Op basis van het dossier en hetgeen ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit immateriële schade heeft geleden die binnen meerdere van de in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek genoemde categorieën valt. De benadeelde heeft lichamelijk letsel opgelopen. Daarnaast rechtvaardigen de aard en ernst van de normschending zonder meer de conclusie dat sprake is van een ‘aantasting in de persoon op andere wijze’. Dit is aan verdachte toe te rekenen en dat is door de verdediging ook niet betwist.

Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schade heeft de rechtbank de volgende omstandigheden in aanmerking genomen. De benadeelde partij is in haar eigen woning door verdachte aangevallen. Zij is op grove wijze toegetakeld en verkracht. Hiermee is zij, een vrouw op zeer hoge leeftijd, op zeer ernstige wijze aangetast in haar lichamelijke integriteit, maar ook in haar gevoel van veiligheid in haar eigen woning. Naar het oordeel van de rechtbank kan zonder meer worden aangenomen dat deze gedragingen een blijvende psychische impact hebben op de benadeelde. Uit de onderbouwing volgt dat zij sinds het incident op 8 oktober 2025 een verlies van levensvreugde ervaart met veel depressieve klachten tot gevolg, waar zij blijkens de stukken medicatie voor gebruikt. Naast de psychische gevolgen heeft de benadeelde na het incident lange tijd in het ziekenhuis gelegen en moeten revalideren. Hoewel zij sinds januari 2026 weer thuis woont, heeft zij dagelijks hulp nodig in de huishouding en voor haar persoonlijke verzorging. Voor de rechtbank staat vast dat de gedragingen van verdachte, zowel psychisch als fysiek, blijvende gevolgen zullen hebben voor de benadeelde partij.

Naast de voornoemde omstandigheden heeft de rechtbank acht geslagen op ‘De Rotterdamse Schaal’ en op de bedragen die Nederlandse rechters in (enigszins) vergelijkbare gevallen plegen toe te wijzen.

Alles overziend acht de rechtbank het door de benadeelde partij gevorderde bedrag van

€ 40.000,00 billijk. Zij zal dit bedrag in het geheel toewijzen.

Verdachte is wettelijke rente verschuldigd over dit bedrag vanaf 8 oktober 2026.

Conclusie

In totaal wordt een bedrag toegewezen van € 5.527,09 aan materiële schade en € 40.000,00 aan smartengeld. Daarbij is verdachte wettelijke rente verschuldigd vanaf de in het dictum (onder paragraaf 10) genoemde data.

De rechtbank ziet verder aanleiding om op grond van artikel 36f Sr de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen. Ook hier geldt dat mogelijke betalingsonmacht van de verdachte in het kader van de (mogelijke) tenuitvoerlegging van de gijzeling aan de orde kan komen.

De proceskosten worden tot op heden begroot op nul.

9. De toegepaste wettelijke bepalingen

10. De beslissing

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45, 57, 180, 241, 243, 287 310, 311, 312 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd;

Beslissingen ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 1] (parketnummer 05/351725-25)

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;

Beslissingen ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 3] (parketnummer 05/265983-25)

 veroordeelt verdachte in verband met het feit onder parketnummer 05/265983-25 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van

in totaal € 5.527,09 aan materiële schade en € 40.000,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna in de tabel te noemen data tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald:

 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Gerritsen (voorzitter), mr. J.M. Graat en mr. L.M. Vogel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 oktober 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand