RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/274981-25 + 18/067651-23 (tul)
Datum uitspraak : 13 oktober 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2003 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de P.I. [plaats] .
Raadsvrouw: mr. L.A. Van Bavel, advocaat in Laren.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 juni 2024 tot en met 8 mei 2025 te Arnhem, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad, smaadschrift en/of openbaring van een geheim
- [aangever] (zaak 1: € 3.378),
- [aangever] (zaak 3: € 4.350),
- [aangever] (zaak 5: € 400),
- [aangever] (zaak 6: € 4.804,65),
- [aangever] (zaak 9: € 720),
- [aangever] (zaak 10: € 500),
- [aangever] (zaak 11: € 100),
- [aangever] (zaak 12: € 500),
- [aangever] (zaak 13: € 100),
- [aangever] (zaak 19: € 1.500) en/of
- [aangever] (zaak 20: € 1.250)
(meermalen) heeft gedwongen tot afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag (van in totaal
€ 17.602,65), dat geheel of ten dele aan die [aangever] , [aangever] , [aangever] , [aangever] , [aangever] , [aangever] , [aangever] , [aangever] , [aangever] , [aangever] , [aangever] en/of aan een derde,
in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn medeverdachte(n), toebehoorde,
door (telkens):
- met (één of meer) voornoemd(e) perso(o)n(en) (erotisch getint) contact te leggen en/of te krijgen en/of te hebben en/of te chatten via (chat)websites en/of (dating)apps [website] ,
[website] , [website] , [website] en/of WhatsApp, althans via een website en/of app en/of,
- via voornoemde (chat)websites en/of (dating)apps aan (één of meer) voornoemd(e) perso(o)n(en) een mobiel nummer te sturen, om het (erotisch getinte) gesprek via de telefoon en/of WhatsApp voort te kunnen zetten en/of
- via voornoemde (chat)websites en/of (dating)apps en/of WhatsApp aan (één of meer) voornoemd(e) perso(o)n(en) (erotisch getinte) foto’s te sturen en/of te vragen aan (één of meer) voornoemd(e) perso(o)n(en) om ook (erotisch getinte) foto’s te sturen en/of
- via voornoemde (chat)websites en/of (dating)apps en/of WhatsApp aan (één of meer) voornoemd(e) perso(o)n(en) berichten te sturen (met verschillende mobiele nummers) met
daarin screenshots en/of foto’s van een concept (Facebook)bericht met een compilatie van de gegevens van (één of meer) voornoemd(e) perso(o)n(en) en/of een gesprek waarin (één of meer) voornoemd(e) perso(o)n(en) wordt/worden “exposed” (blootgesteld) en/of
- ( één of meer) voornoemd(e) perso(o)n(en) dreigende en/of dwingende berichten te sturen (met verschillende mobiele nummers) met dwingende en/of dreigende uitlatingen en/of eisen, onder meer inhoudende dat (één of meer) voornoemd(e) perso(o)n(en) één of meer geldbedragen moest(en) overmaken en/of betalen om te voorkomen dat die perso(o)n(en) anders voornoemde naaktfoto’s en/of erotisch getinte foto’s en/of foto’s van ontblote lichaamsdelen en/of geslachtsdelen en/of voornoemde erotisch getinte gesprekken aan de relaties, familie, vrienden, werkgevers en/of collega's van (één of meer) voornoemd(e) perso(o)n(en) zou sturen en/of op één of meer sociale media platformen zou plaatsen, althans anderszins (via internet) zou verspreiden en/of publiceren;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 juni 2024 tot en met 8 mei 2025 te Arnhem, althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
meermalen
een geldbedrag,
te weten in totaal ongeveer € 17.602,65
voorhanden heeft gehad terwijl hij en/of zijn medeverdachte(n) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat geldbedrag geheel of gedeeltelijk, middellijk of onmiddellijk afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf;
2.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 januari 2025 tot en met 3 april 2025 te Arnhem, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad,
smaadschrift en/of openbaring van een geheim
- [aangever] (zaak 14: € 750 euro),
- [aangever] (zaak 15: € 950) en/of
- [aangever] (zaak 16: een onbekend geldbedrag)
te dwingen tot afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag (van in totaal ongeveer €1.700,-), dat geheel of ten dele aan die [aangever] , [aangever] , [aangever] en/of aan een derde, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn medeverdachte(n), toebehoorde
door:
- met (één of meer) voornoemd(e) perso(o)n(en) (erotisch getint) contact te leggen en/of te krijgen en/of te hebben en/of te chatten via (chat)websites en/of (dating)apps [website] en/of
[website] , althans via een website en/of app en/of,
- via voornoemde (chat)websites en/of (dating)apps aan (één of meer) voornoemd(e) perso(o)n(en) een mobiel nummer te sturen, om het (erotisch getinte) gesprek via de telefoon en/of WhatsApp voort te kunnen zetten en/of
- via voornoemde (chat)websites en/of (dating)apps en/of WhatsApp aan (één of meer) voornoemd(e) perso(o)n(en) (erotisch getinte) foto’s te sturen en/of te vragen aan (één of meer) voornoemd(e) perso(o)n(en) om ook (erotisch getinte) foto’s te sturen en/of
- via voornoemde (chat)websites en/of (dating)apps en/of WhatsApp aan (één of meer) voornoemd(e) perso(o)n(en) berichten te sturen (met verschillende mobiele nummers) met
daarin screenshots en/of foto’s van een concept (Facebook)bericht met een compilatie van de gegevens van (één of meer) voornoemd(e) perso(o)n(en) en/of een gesprek waarin (één of meer) voornoemd(e) perso(o)n(en) wordt/worden “exposed” (blootgesteld) en/of
- ( één of meer) voornoemd(e) perso(o)n(en) dreigende en/of dwingende berichten te sturen (met verschillende mobiele nummers) met dwingende en/of dreigende uitlatingen en/of eisen, onder meer inhoudende dat (één of meer) voornoemd(e) perso(o)n(en) één of meer geldbedragen moest(en) overmaken en/of betalen om te voorkomen dat die perso(o)n(en) anders
voornoemde naaktfoto’s en/of erotisch getinte foto’s en/of foto’s van ontblote lichaamsdelen en/of geslachtsdelen en/of voornoemde erotisch getinte gesprekken aan de relaties, familie,
vrienden, werkgevers en/of collega's van (één of meer) voornoemd(e) perso(o)n(en) zou sturen en/of op één of meer sociale media platformen zou plaatsen, althans anderszins (via internet) zou verspreiden en/of publiceren;
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Inleiding:
In juni 2025 is de politie - naar aanleiding van meerdere meldingen en aangiften van sextortion/afdreiging - een onderzoek gestart onder de naam [naam onderzoek] . In dit onderzoek zijn aangiftes opgenomen van diverse mannelijke slachtoffers die via een datingsite contact hebben gekregen met een onbekende, waarna de gesprekken verder gingen via WhatsApp. Nadat de gesprekken seksueel van aard werden en er seksueel getinte foto’s waren verstuurd, ontvingen de slachtoffers (dezelfde)(dreig)berichten en/of telefoontjes dat er geld betaald moest worden omdat anders de gesprekken met foto's van de aangevers zouden worden verspreid. Door diverse slachtoffers zijn geldbedragen overgemaakt, dan wel tikkies betaald. Desondanks zijn in veel gevallen berichten openbaar gemaakt waarin slachtoffers met naam en toenaam zijn genoemd. In het onderzoek zijn 11 verdachten naar voren gekomen. Ook zijn verschillende namen van meisjes, telefoonnummers waarmee contact is geweest en is gedreigd en bankrekeningen waarnaar bedragen zijn overgemaakt, naar voren gekomen. Verdachte is in beeld gekomen omdat er bedragen zijn overgemaakt naar bankrekeningen op zijn naam en een bankrekening op een naam van [naam 1] die door verdachte werd gebruikt. Ook is hij herkend op camerabeelden van pintransacties van die laatste rekening.
Ten aanzien van feit 1 primair en feit 2 (vrijspraak)
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan feit 1 primair en feit 2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van feit 1 primair en feit 2. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte slachtoffers heeft afgedreigd. Hij heeft geen contact gehad met de aangevers, wist niet af van de exacte inhoud van de dreigberichten en heeft op verzoek van een ander slechts bedragen gepind die op zijn bankrekening en op de bankrekening van [naam 1] zijn binnengekomen. Deze gepinde bedragen gaf verdachte af aan die ander, waarbij hij enkel een percentage ontving. Dit is onvoldoende om te spreken van medeplegen, aldus de raadsvrouw.
Beoordeling door de rechtbank
Op 18 november 2023 heeft verdachte een bankrekening op zijn naam geopend met rekeningnummer [rekeningnummer] . In de periode van 1 december 2023 tot en met 23 juli 2024 is op deze rekening € 20.021,27 bijgeschreven. Het aantal transacties is 938.
Op 1 maart 2024 heeft verdachte een nieuwe bankrekening geopend bij ABN AMRO met rekeningnummer [rekeningnummer] . Op deze rekening is in de periode van 5 juni 2024 tot en met 23 juli 2024 € 2.681,86 bijgeschreven. Het aantal transacties is 70.
Kort nadat beide rekeningen van verdachte zijn geblokkeerd, wordt op 6 juli 2024 een nieuwe bankrekening geopend op naam van [naam 1] met rekeningnummer [rekeningnummer] (verder ook: [rekeningnummer] ). Verdachte was de (enige) gebruiker van deze bankrekening. De fysieke bankkaart van deze rekening is afgegeven op het huisadres van verdachte en hij heeft op zijn telefoon een bankapp geïnstalleerd waarmee hij toegang heeft tot deze rekening. Op deze rekening komt direct vanaf de opening op 6 juli 2024 een groot aantal betalingen van tikkies binnen. Dit loopt door tot en met 10 december 2024. In totaal wordt er in die periode € 50.033,92 bijgeschreven op de rekening.
Aangever [aangever] (zaak 1) heeft op 12 november 2024, onder dreiging van openbaarmaking van berichten, via een tikkie en overschrijvingen in totaal 3 betalingen verricht op rekeningnummer [rekeningnummer] . In alle drie de gevallen werd binnen enkele minuten nadat de betaling was ontvangen, geld opgenomen van deze rekening. Het was steeds verdachte die deze bedragen pinde bij een Geldmaat in de Kronenburgpassage in Arnhem.
In het onderzoek komen vijf telefoonnummers naar voren waarmee aangevers zijn afgedreigd. Eén van deze nummers is + [telefoonnummer] (verder: [telefoonnummer] ). Uit onderzoek blijkt dat de telefoon met dit nummer op 12 november 2024 kort na de derde geldopname gebruik maakt van een mast op 250 meter afstand van de pinautomaat in de Kronenburgpassage in Arnhem waar verdachte het geld opnam. Eerder op de dag peilde deze telefoon uit op een mast in de omgeving van de woning van verdachte.
Een aantal aangevers verklaart te zijn benaderd door en/of contact hebben gehad met ene “ [alias] ”. Aan het whatsapp account dat deze [alias] gebruikte was een profielfoto gekoppeld. Op de telefoon van verdachte is de bewuste profielfoto aangetroffen. Het telefoonnummer [telefoonnummer] stond in de telefoon van verdachte opgeslagen als [alias] . In de telefoon van verdachte zijn meerdere zoekopdrachten gevonden die te maken hebben met datingsites ( [website] , [website] en [website] ), met de strafmaat voor blackmailing, met geld dan wel crypto. Op de telefoon van verdachte is verder te zien dat een Snapchataccount met de nickname [alias] en een bepaald emailadres op 1 juli 2024 de namen “ [alias] ” en “ [alias] ” met verdachte deelde. [aangever] (zaak 5) geeft in zijn aangifte aan dat hij op 30 juni 2024 contact heeft gehad met ene [alias] via de datingsite [website] . Achter het tegenaccount bleek het e-mailadres van “ [alias] ”.
Verdachte heeft verklaard dat hij is benaderd door iemand (wiens naam hij niet wil noemen) om zijn bankrekening beschikbaar te stellen, zodat hij hierop bedragen kon ontvangen. Hij maakte hiervoor betaalverzoeken aan. Toen zijn bankrekeningen geblokkeerd waren en hij vanwege fraudeonderzoeken geen rekening meer kon openen, heeft hij [naam 1] gevraagd de bankrekening bij Revolut op haar naam voor hem te openen. Hij verklaart dat hij vanaf het moment dat hij werd benaderd door de persoon wiens naam hij niet wil noemen door had dat het met strafbare feiten te maken had en dat hij na een keer of vijf dat hij geld had ontvangen, wist dat het om sextortion ging. De telefoon met nummer [telefoonnummer] heeft verdachte weleens onder zich gehad, maar alleen zodat hij kon zien wanneer bedragen werden bijgeschreven en hij geld moest pinnen. Ook heeft verdachte weleens naast de persoon gezeten op het moment dat deze afdreigtelefoon door die persoon werd gebruikt om af te dreigen. Verdachte heeft verklaard nooit zelf contact te hebben gehad met aangevers of berichten te hebben gestuurd met de telefoon. Andere telefoons die in dit onderzoek naar voren komen heeft hij ook nooit onder zich gehad/gebruikt. Hij heeft alleen bedragen gepind, die binnenkwamen op de rekeningen van hem en die van [naam 1] . Verdachte geeft aan dat hij niet weet hoe de foto van “ [alias] ” op zijn telefoon is terechtgekomen en waarom het telefoonnummer [telefoonnummer] onder de naam [alias] staat opgeslagen in zijn telefoon. Hij heeft, nadat hem duidelijk was waarom door de aangevers geld werd betaald, uit interesse gezocht naar de verschillende datingsites die zijn gebruikt om slachtoffers af te dreigen en naar de strafmaat hiervan en heeft geen verklaring voor de aangetroffen gegevens van “ [alias] ” op zijn telefoon.
De rechtbank overweegt dat zij er moeite mee heeft de verklaring van verdachte (volledig) te geloven. Verdachte heeft ervoor gekozen zich geruime tijd op zijn zwijgrecht te beroepen en heeft pas een verklaring afgelegd na het gereedkomen van het eindproces-verbaal. Dat maakt dat zijn verklaring kritisch moet worden bekeken. Hij kan zijn verklaring immers hebben afgestemd op de resultaten van het onderzoek. Verdachte verklaart dat hij één van de afdreigtelefoons, te weten de telefoon met nummer [telefoonnummer] , wel eens onder zich heeft gehad, maar dan enkel om te zien wanneer betalingen waren verricht, zodat hij wist wanneer hij moest pinnen van de rekening van [naam 1] . Dit is moeilijk te geloven. Verdachte had immers een bankapp op zijn telefoon waardoor hij precies kon zien wanneer betalingen waren verricht en wanneer hij kon gaan pinnen. Ook het feit dat verdachte niet weet dat en waarom het telefoonnummer [telefoonnummer] , de naam [alias] , de foto van “ [alias] ” en het bericht van “ [alias] ” in zijn telefoon zijn aangetroffen, vindt de rechtbank, tegen de achtergrond van deze hele zaak, ongeloofwaardig.
Uit het onderzoek en de verklaring van verdachte blijkt dat hij op (enige wijze) betrokken is bij (de groep personen rond) de afdreigingen. Dat de rechtbank de verklaring van verdachte (ten minste op onderdelen) niet gelooft en dat verdachte op enige wijze betrokken is, is echter onvoldoende om tot een bewezenverklaring voor het medeplegen van (poging tot) afdreiging te kunnen komen.
De rechtbank stelt voorop dat van medeplegen van een strafbaar feit sprake is indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de deelnemers ten aanzien van één of meerdere onderdelen in de tenlastelegging.
Ten laste is gelegd (poging tot) afdreiging door middel van telefonische contacten. De in de dagvaarding opgenomen feitelijke handelingen zien daar ook op. Om te kunnen oordelen of verdachte als medepleger betrokken is bij deze afdreigingen moet er, gelet op de wijze van tenlastelegging, – kortgezegd – een verband kunnen worden gelegd tussen de telefonische afdreigingen en verdachte of tussen de telefonische afdreiger(s) en verdachte. Met andere woorden, is bewijsbaar dat verdachte de gebruiker van een van deze telefoons was en dat hij daarmee heeft afgedreigd of dat hij ten aanzien van de telefonische contacten waarin is afgedreigd voldoende nauw heeft samengewerkt met de gebruiker(s) van de telefoon(s).
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af.
Bij een deel van de tenlastegelegde (pogingen tot) afdreigingen is telefoonnummer [telefoonnummer] gebruikt door de afdreiger(s). Verdachte heeft deze telefoon naar eigen zeggen meermaals onder zich gehad, maar op basis van het dossier en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte de telefoon heeft gebruikt om slachtoffers af te dreigen. Zij zal hieronder uiteenzetten waarom.
Door de officier van justitie is ter terechtzitting aangevoerd dat de telefoon met nummer [telefoonnummer] verreweg het meest gebruik heeft gemaakt van een mast, die zich op 100 meter van de woning van verdachte bevindt. Ook zou volgens de officier van justitie uit het proces-verbaal op pagina’s 1940-1941 blijken dat deze telefoon ten tijde van het pinnen door verdachte telkens de mast nabij de pinlocaties aanstraalde. Uit de stukken blijkt weliswaar, zoals eerder overwogen, dat de telefoon op 12 november 2024 in de nabijheid van een pinlocatie aanstraalde. Dit is de datum waarop de afdreiging in zaak 1 heeft plaatsgevonden. Op die datum is echter een ander telefoonnummer gebruikt om af te dreigen, te weten het nummer + [telefoonnummer] . In het betreffende proces-verbaal worden nog 5 data genoemd waarop verdachte gepind heeft van de rekening van [naam 1] op momenten waarop de telefoon met nummer [telefoonnummer] in de buurt zou uitpeilen. Dit betreft echter data waaraan geen aangifte te koppelen is. Niet gezegd kan dan ook worden dat op die data is afgedreigd met nummer [telefoonnummer] , waardoor deze telefoon niet te linken is aan verdachte in relatie tot concrete (pogingen tot) afdreigingen. Bovendien is deze telefoon uiteindelijk aangetroffen bij een medeverdachte. Dit maakt dat de rechtbank niet kan vaststellen dat verdachte ten tijde van de tenlastegelegde (pogingen tot) afdreigingen de gebruiker is geweest van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Uit het dossier komt ook geen bewijs naar voren dat verdachte de gebruiker is geweest van een van de andere “afdreigtelefoons”. Verdachte verklaart weliswaar dat hij er soms bij is geweest als “die ander” gebruik maakte van de dreigtelefoon [telefoonnummer] en daarmee (zo begrijpt de rechtbank) personen afdreigde. Nog los van de vraag dat onduidelijk blijft om welke specifieke aangiftes het dan zou gaan, geldt dat op basis hiervan niet gezegd kan worden dat sprake is van een bijdrage van voldoende gewicht aan deze afdreiging van de zijde van verdachte, nodig om te kunnen komen tot de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. Het feit dat de foto van “ [alias] ” en het telefoonnummer [telefoonnummer] in de telefoon van verdachte opgeslagen stonden, dat met de telefoon van verdachte bepaalde zoekslagen zijn gemaakt en het feit dat “ [alias] ” na de datum van de afdreiging in zaak 5 bepaalde gegevens aan verdachte heeft doorgestuurd, is minst genomen opvallend en maakt dat de rol van verdachte mogelijk groter is geweest dan hij wil doen geloven. Het levert echter geen bewijs op voor (het medeplegen van)(poging tot) afdreiging in de hierboven beschreven zin.
De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat verdachte gedurende een lange periode drie bankrekeningen ter beschikking heeft gesteld, waarvoor hij betaalverzoeken aanmaakte. Op deze drie rekeningen kwamen bedragen binnen. Deze bedragen heeft verdachte steeds kort na de overboekingen gepind. Dit deed hij in de wetenschap dat mensen werden afgedreigd/dat sprake was van sextortion. Hij heeft immers zelf verklaard dat hij al vrij snel, na 5 keer, wist dat het om sextortion ging en er soms bij is geweest als er mensen werden afgedreigd. Het beschikbaar stellen van de bankrekeningen en het opnemen van de bedragen in de wetenschap dat sprake was van sextortion, maakt echter geen onderdeel uit van de tenlastelegging.
Verdachte zal gelet op al het bovenstaande worden vrijgesproken van het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde.
Dat de aangever in zaak 1 tijdens het spreekrecht heeft verklaard de stem van verdachte te herkennen, maakt dit niet anders. Een tijdens het spreekrecht gedane uitlating mag niet voor het bewijs worden gebruikt. Daarbij komt overigens dat uit de nu voorhanden zijnde dossierstukken niet blijkt dat deze aangever (zelf) telefonisch contact heeft gehad met één of meerdere afdreigers, dan wel dat hij bij het telefoongesprek, dat zijn vrouw heeft gevoerd, aanwezig is geweest en op die manier stemmen zou hebben gehoord.
Ten aanzien van feit 1 subsidiair
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Verdachte heeft gebruik gemaakt van drie verschillende bankrekeningen. Twee daarvan stonden op zijn eigen naam, te weten rekeningnummers [rekeningnummer] en [rekeningnummer] . Via [naam 1] heeft hij ten behoeve van zichzelf bij Revolut op haar naam een bankrekening laten openen met rekeningnummer [rekeningnummer] . Verdachte was de enige gebruiker van deze rekeningen. Hierop zijn tussen 13 juni 2024 en 10 december 2024 (in totaal) de volgende bedragen per slachtoffer van sextortion binnengekomen:
- [aangever] : € 3.378,-;
- [aangever] : € 1.400,-;
- [aangever] : € 400,-;
- [aangever] : € 3.114,-;
- [aangever] : € 720,-;
- [aangever] : € 500,-;
- [aangever] : € 100,-;
- [aangever] : € 500,-;
- [aangever] : € 100,-.
In totaal gaat het om een bedrag van € 10.212,-.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier heeft, in verband met de verzochte bewezenverklaring voor feit 1 primair, geen standpunt ingenomen ten aanzien van de witwasverdenking.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangegeven dat een veroordeling ter zake witwassen kan volgen voor een bedrag van € 8.812,-. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken, voor zover het gaat om betalingen die verricht zijn aan bankrekeningen van medeverdachten, evenals de betaling van € 1.400,- in de zaak [aangever] . Dit laatste bedrag is immers door de bank geblokkeerd en teruggestort, waardoor geen witwashandeling heeft plaatsgevonden, aldus de raadsvrouw.
Beoordeling door de rechtbank
Verdachte heeft verklaard dat hij is benaderd om zijn bankrekening ter beschikking te stellen. Op dat moment wist hij dat dit te maken had met strafbare feiten, anders was hij er niet voor nodig geweest.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte meerdere uit misdrijf verkregen geldbedragen voorhanden heeft gehad, waarvan hij ten tijde van het verkrijgen wist dat deze uit misdrijf afkomstig waren. Dit geldt ook voor de € 1.400,- in de zaak [aangever] . Dit bedrag is overgemaakt en verdachte heeft dit ontvangen op rekeningnummer [rekeningnummer] . Op dat moment beschikte hij over dit geldbedrag, dat hij daarmee voorhanden had. Het enkele feit dat de bank dit bedrag later heeft teruggestort maakt niet dat op het moment van ontvangen geen sprake is geweest van een voltooid delict. Het verweer slaagt niet.
De rechtbank acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, voor zover het gaat om de bedragen die op zijn rekeningen, dan wel op de (door hem gebruikte) rekening van [naam 1] zijn binnengekomen. Voor het overige wordt verdachte (partieel) vrijgesproken van het tenlastegelegde, omdat niet vastgesteld kan worden dat hij dit geld (dat op rekeningen van anderen is gestort) voorhanden heeft gehad.
De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte de geldbedragen heeft witgewassen met een of meerdere anderen. Verdachte wordt dan ook vrijgesproken van het medeplegen.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1. subsidiair
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 juni
2024 tot en met 8 mei 2025 te Arnhem, althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
meermalen
een geldbedrag,
te weten in totaal ongeveer € 17.602,65
voorhanden heeft gehad terwijl hij en/of zijn medeverdachte(n) wist(en),
althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat geldbedrag geheel of
gedeeltelijk, middellijk of onmiddellijk afkomstig was uit enig (eigen)
misdrijf;
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1 subsidiair:
witwassen, meermalen gepleegd
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar. Aan het voorwaardelijk deel van de straf dienen de bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld zoals geadviseerd door de reclassering met daarbij een contactverbod met alle slachtoffers.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ter hoogte van het voorarrest op te leggen aan verdachte. Er zou nog een fors voorwaardelijk deel opgelegd kunnen worden om verdachte een goede stok achter de deur te bieden om aan de slag te gaan met de bijzondere voorwaarden. Daarbij verzoekt de raadsvrouw rekening te houden met de vordering tot tenuitvoerlegging.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
In een periode van ongeveer een jaar is een grote groep mannen slachtoffer geworden van sextortion, oftewel het dreigen om naaktbeelden te verspreiden, dan wel erotisch getinte gesprekken te openbaren, tenzij zou worden betaald door het slachtoffer. De slachtoffers hadden zich aangemeld op een chatsite of datingapp. De slachtoffers kregen contact met iemand die zich voordeed als iemand op zoek naar erotisch contact. De persoon voerde erotisch getinte gesprekken met de slachtoffers en stuurde erotische foto’s naar hen. De slachtoffers stuurden dergelijke foto’s van zichzelf dan ook weer terug. Wanneer zij dat hadden gedaan, ontvingen zij al snel een bericht dat een geldbedrag moest worden betaald om te voorkomen dat het compromitterende beeldmateriaal en screenshots van de gevoerde gesprekken zouden worden doorgestuurd naar de partners van de slachtoffers, met naam genoemde familieleden, vrienden en/of collega’s, naar wie van tevoren nauwkeurig onderzoek was gedaan via social media en andere open bronnen op het internet. In sommige gevallen is ook daadwerkelijk contact gezocht met mensen in de directe omgeving van het slachtoffer. Bij één slachtoffer is een smaadbericht verstuurd naar zijn ouders, bij een ander slachtoffer is zelfs gebeld naar de werkgever. Ook is een publiek toegankelijk smaadbericht als Google review geplaatst bij een zwemschool van een slachtoffer. Om dit te voorkomen moesten de slachtoffers geld overmaken. De meeste slachtoffers hebben dit gedaan en sommige slachtoffers hebben dit zelfs veelvuldig gedaan. In sommige gevallen ging het om aanzienlijke bedragen.
Verdachte heeft drie verschillende bankrekeningen ter beschikking gesteld om geld van de slachtoffers op te ontvangen. Ondanks dat hij (al vrij snel) wist waar het om ging, is hij doorgegaan met het aanmaken van betaalverzoeken en het ontvangen en pinnen van geld van de slachtoffers. Bewezen is verklaard dat hij over een periode van ongeveer een half jaar in totaal € 10.212,- ontvangen, waarmee hij zich gedurende een aanzienlijke periode schuldig heeft gemaakt aan witwassen. Zijn handelen was enkel gericht op winstbejag ten koste van de slachtoffers. Dit rekent de rechtbank verdachte zeer zwaar aan.
Uit schaamte en/of angst was het voor de slachtoffers erg lastig om aangifte te doen van de afdreigingen. Relaties zijn onder druk komen te staan of stukgelopen. Daarnaast is één slachtoffer zijn woning kwijtgeraakt en is zijn bedrijf failliet gegaan als direct gevolg van de afdreiging. Naar voren is gekomen dat verschillende slachtoffers en/of hun partners niet meer wilden leven naar aanleiding van de gebeurtenissen en de, in sommige gevallen nog altijd voortdurende, nasleep daarvan. Andere slachtoffers willen niets met de zaak te maken hebben, blijkt nadat het Openbaar Ministerie ze heeft benaderd in het kader van de inhoudelijke zitting. De rechtbank ziet dat de impact van de afdreigingen, waaraan verdachte door het witwassen een bijdrage heeft geleverd, op de slachtoffers zeer groot is. Dit blijkt ook uit de moedige en kwetsbare wijze waarop twee slachtoffers hun spreekrecht hebben uitgeoefend.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Daaruit blijkt dat hij zich eerder schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke misdrijven. De rechtbank meent dat sprake is van relevante recidive en zal hier in strafverzwarende zin rekening mee houden.
Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 21 augustus 2026. Daaruit volgt dat sprake is van een beginnend delictpatroon rondom oplichting. Het ontbreekt verdachte aan een zinvolle vorm van dagbesteding en inkomen. De reclassering ziet een pro-criminele houding als belangrijkste factor voor crimineel gedrag. Daarnaast ziet de reclassering de aanwezigheid van pro-criminele contacten als delictgerelateerde factor. Verdachte is geneigd gebruik te maken van de ruimte die hij krijgt en is daarom gebaat bij een strak kader, waarbij wordt samengewerkt door betrokken instanties, een toekomstige werkgever en zijn moeder. De reclassering schat het risico op algemene recidive in als hoog. Verdachte moet de consequenties van zijn gedrag ondervinden. Daarnaast ziet de reclassering ook in dat het belangrijk is dat verdachte een alternatief voor zijn criminele gedrag geboden wordt door te werken aan een positief toekomstbeeld op gebieden als werk en inkomen. De reclassering denkt dat een nieuw strak voorwaardelijk kader daaraan kan bijdragen. Geadviseerd wordt om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling, een contactverbod met de medeverdachten, een locatiegebod met elektronisch toezicht, dagbesteding, aflossing van schulden en inzicht in het sociale netwerk.
De ernst van het bewezenverklaarde feit rechtvaardigt een forse gevangenisstraf. De rechtbank zal echter een lagere straf aan verdachte opleggen dan de officier van justitie heeft geëist. Dit heeft te maken met het feit dat verdachte is vrijgesproken voor feit 1 primair en feit 2. Alles afwegend zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Aan deze voorwaardelijke straf verbindt de rechtbank de voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering. Hier wordt een contactverbod met alle slachtoffers aan toegevoegd, zoals geëist door de officier van justitie. Een lagere straf, zoals bepleit door de verdediging, is gelet op de ernst van het feit niet aan de orde.
8. De beoordeling van de civiele vorderingen
Benadeelde partij [aangever]
De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met feit 1 subsidiair een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 3.378,- aan materiële schade en € 4.500,- aan smartengeld (waarvan 2.500,- aan toekomstige schade), vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk kan worden toegewezen, namelijk tot een bedrag van € 5.378,- (€ 3.378,- aan materiële schade en € 2.000,- aan smartengeld), met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gevorderde toekomstige immateriële schade is nog niet toewijsbaar en daarom dient de benadeelde voor dit deel niet-ontvankelijk te worden verklaard.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering, voor zover deze ziet op immateriële schade, dient te worden afgewezen, dan wel dat de benadeelde partij voor dit deel niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, wegens het ontbreken van een causaal verband tussen het subsidiair tenlastegelegde en de gevorderde immateriële schade.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.
De rechtbank overweegt dat de vordering niet is betwist. De vordering is verder voldoende onderbouwd en komt redelijk voor.
Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. De rechtbank zal de vordering van € 3.378,- aan materiële schade daarom in het geheel toewijzen.
Smartengeld
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
Door de benadeelde partij is op zeer indringende wijze naar voren gebracht wat de gevolgen van het misdrijf voor hem zijn. Hij heeft zich tijdens de zitting zeer kwetsbaar opgesteld, hetgeen indruk heeft gemaakt op de rechtbank. Hoe invoelbaar de gevolgen ook zijn, deze zijn ontstaan door de afdreiging. Verdachte is daarvan echter vrijgesproken. Tegelijkertijd is niet of onvoldoende gebleken dat de immateriële schade rechtstreeks is ontstaan door het bewezenverklaarde witwassen. De rechtbank kan niet vaststellen dat de benadeelde partij door het witwassen op andere wijze in de persoon is aangetast. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Verdachte is over het toegewezen bedrag wettelijke rente verschuldigd vanaf 12 november 2024.
De rechtbank ziet verder aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.
Benadeelde partij [aangever]
De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met feit 1 subsidiair een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 400,- aan materiële schade en € 2.100,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk kan worden toegewezen, namelijk tot een bedrag van € 2.400,- (€ 400,- aan materiële schade en € 2.000,- aan smartengeld), met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering, voor zover deze ziet op immateriële schade, dient te worden afgewezen, dan wel dat de benadeelde partij voor dit deel niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, wegens het ontbreken van een causaal verband tussen het subsidiair tenlastegelegde en de gevorderde immateriële schade.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.
De rechtbank overweegt dat de vordering niet is betwist. De vordering is verder voldoende onderbouwd en komt redelijk voor.
Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. De rechtbank zal de vordering van € 400,- aan materiële schade daarom in het geheel toewijzen.
Smartengeld
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
Door de benadeelde partij is op zeer indringende wijze naar voren gebracht wat de gevolgen van het misdrijf voor hem zijn. Hij heeft zich tijdens de zitting zeer kwetsbaar opgesteld, hetgeen indruk heeft gemaakt op de rechtbank. Hoe invoelbaar de gevolgen ook zijn, deze zijn ontstaan door de afdreiging. Verdachte is daarvan echter vrijgesproken. Tegelijkertijd is niet of onvoldoende gebleken dat de immateriële schade rechtstreeks is ontstaan door het bewezenverklaarde witwassen. De rechtbank kan niet vaststellen dat de benadeelde partij door het witwassen op andere wijze in de persoon is aangetast. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Verdachte is over het toegewezen bedrag wettelijke rente verschuldigd vanaf 30 juni 2024.
De rechtbank ziet verder aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.
Benadeelde partij [aangever]
De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met feit 1 subsidiair een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 4.804,65 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij geheel kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging verzoekt om deze vordering voor een deel af te wijzen. Dit betreft het deel van de geldbedragen dat is betaald aan medeverdachten [naam 1] en [naam 1] , namelijk in totaal € 1.690,65. Niet kan worden vastgesteld dat cliënt dit geldbedrag voorhanden heeft gehad. In totaal kan daarom € 3.114,- worden toegewezen aan materiële schade.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.
Ten aanzien van de bedragen die op de bankrekening op naam van [naam 1] zijn binnengekomen overweegt de rechtbank dat deze schadepost niet, dan wel onvoldoende inhoudelijk is betwist. De schade is verder voldoende onderbouwd en komt redelijk voor. Daarom is de rechtbank van oordeel dat deze schade geheel kan worden toegewezen.
Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Ten aanzien van de bedragen, die op andere rekeningen zijn binnengekomen, kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte deze bedragen voorhanden heeft gehad. Daarom zal zij de benadeelde partij voor dit deel niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering voor de materiële schade tot een hoogte van € 3.114,- kan worden toegewezen en zal de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaren.
Verdachte is over het toegewezen bedrag wettelijke rente verschuldigd vanaf 17 augustus 2024.
De rechtbank ziet verder aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.
Benadeelde partij [aangever]
De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met feit 1 subsidiair een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 720,- aan materiële schade en € 3.000,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk kan worden toegewezen, namelijk tot een bedrag van € 2.720,- (€ 720,- aan materiële schade en € 2.000,- aan smartengeld), met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering, voor zover deze ziet op immateriële schade, dient te worden afgewezen, dan wel dat de benadeelde partij voor dit deel niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, wegens het ontbreken van een causaal verband tussen het subsidiair tenlastegelegde en de gevorderde immateriële schade.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.
De rechtbank overweegt dat de vordering niet is betwist. De vordering is verder voldoende onderbouwd en komt redelijk voor.
Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. De rechtbank zal de vordering van € 720,- aan materiële schade daarom in het geheel toewijzen.
Smartengeld
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
Verdachte is vrijgesproken van afdreiging. Tegelijkertijd is niet of onvoldoende gebleken dat de immateriële schade rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde witwassen. De rechtbank kan niet vaststellen dat de benadeelde partij door het witwassen op andere wijze in de persoon is aangetast. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Verdachte is over het toegewezen bedrag wettelijke rente verschuldigd vanaf 7 november 2024.
De rechtbank ziet verder aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.
Benadeelde partij [aangever]
De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met feit 1 subsidiair een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 500,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij geheel kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft geen opmerkingen ten aanzien van deze vordering.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.
De rechtbank overweegt dat de vordering niet is betwist. De vordering is verder voldoende onderbouwd en komt redelijk voor.
Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. De rechtbank zal de vordering van € 500,- aan materiële schade daarom in het geheel toewijzen.
Verdachte is over het toegewezen bedrag wettelijke rente verschuldigd 9 december 2024.
De rechtbank ziet verder aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.
Benadeelde partij [aangever]
De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met feit 1 subsidiair een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 3.987,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij deels kan worden toegewezen tot een bedrag van € 1.250,-, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat een nadere onderbouwing ontbreekt.
De verdediging verzoekt de vordering van de benadeelde partij volledig af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren in verband met de bepleite integrale vrijspraak. Daarnaast ontbreekt een causaal verband met het tweede afpersingsmoment in november 2025.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Verdachte is vrijgesproken van het afdreigen, dan wel het witwassen van het door de benadeelde partij betaalde bedrag. De rechtbank kan niet vaststellen dat verdachte (een deel van) dit bedrag voorhanden heeft gehad. Daarom zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering worden verklaard.
9. De beoordeling van het beslag
De rechtbank zal de iPhone 16 met behulp waarvan feit 1 subsidiair is begaan, verbeurd verklaren. Verdachte heeft vanaf deze telefoon tikkies verstuurd, waardoor hij het uit misdrijf verkregen geld van de slachtoffers voorhanden heeft gehad.
10. De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 18/067651-23)
De rechtbank heeft verdachte op 3 oktober 2023 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden.
De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van die straf.
De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering af te wijzen, omdat een opeenstapeling van vrijheidsbenemende maatregelen, tezamen met de volledige tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, disproportioneel zwaar is ten opzichte van de ernst van de feiten, de persoon van cliënt en het resocialisatieperspectief. Bovendien zou de tenuitvoerlegging van de volledige voorwaardelijke straf minder doelmatig zijn in het licht van het huidig recidiverisico. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om gedeeltelijke toewijzing voor de duur van 6 weken.
Toewijzing
Bewezen is dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank is van oordeel dat de voorwaardelijk opgelegde straf daarom ten uitvoer moet worden gelegd.
11. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.
12. De beslissing
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van de onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde feiten;
verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig (20) maanden;
stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met de medeverdachten in onderhavige zaak, te weten:
o [naam 1] , geboren op [geboortedag] 2005, wonende aan [adres] in [woonplaats] ;
o [naam 1] , geboren op [geboortedag] 2004, wonende aan [adres] in [woonplaats] ;
o [naam 1] , geboren op [geboortedag] 2003, wonende aan [adres] in [woonplaats] ;
o [naam 1] , geboren op [geboortedag] 199, wonende aan [adres] in [woonplaats] ;
o [naam 1] , geboren op [geboortedag] 2001, wonende aan [adres] in [woonplaats] ;
o [naam 1] , geboren op [geboortedag] 2005, wonende aan [adres] in [woonplaats] ;
o [naam 1] , geboren op [geboortedag] 2003, wonende aan [adres] in [woonplaats] ;
o [naam 1] , geboren op [geboortedag] 2004, wonende aan [adres] in [woonplaats] ;
o [naam 1] , geboren op [geboortedag] 2001, wonende aan [adres] in [woonplaats] ;
o [naam 1] , geboren op [geboortedag] 2004, wonende aan het [adres] in [woonplaats] ;
- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met de volgende slachtoffers in onderhavige zaak, te weten:
o [aangever] , geboren op [geboortedag] 1990;
o [aangever] , geboren op [geboortedag] 2000;
o [aangever] , geboren op [geboortedag] 1962;
o [aangever] , geboren op [geboortedag] 1986;
o [aangever] , geboren op [geboortedag] 1987;
o [aangever] , geboren op [geboortedag] 1965;
o [aangever] , geboren op [geboortedag] 2002;
o [aangever] , geboren op [geboortedag] 1985;
o [aangever] , geboren op [geboortedag] 2001;
- gedurende de proeftijd op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op het verblijfadres, zolang de reclassering dat nodig vindt. Het locatiegebod geldt op de volgende dagen en tijden: Verdachte start met een schema van 7 dagen per week 12 uur aanwezigheid per dag en gedurende de gehele periode van het dragen van de band in ieder geval tussen 23:00-06:00 uur. De reclassering kan tijdens deze periode de dagen en tijden waarop het locatiegebod geldt, al dan niet tijdelijk aanpassen. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met verdachte en afhankelijk van de dagbesteding. Het huidige verblijfadres is [adres] , [woonplaats] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft. Verdachte werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatiegebod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. Tevens is het zo dat verdachte voor een goede werking van het elektronisch toezicht gedurende de duur van het elektronisch toezicht Nederland niet verlaat zonder toestemming van de reclassering;
- zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk en/of een opleiding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag. Verdachte werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van deze verplichting, voor de genoemde periode of zoveel korter dan de reclassering dat nodig vindt. De reclassering kan met de GPS-gegevens van het elektronisch toezicht zien of verdachte zich houdt aan afspraken over de dagbesteding;
- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
- de reclassering inzicht geeft in zijn sociaal netwerk en online leefwereld. Hij maakt het bespreekbaar wanneer er contact wordt gelegd vanuit personen die risicovol geacht worden en volgt adviezen die de reclassering op dit thema geeft op;
stelt als overige voorwaarden dat:
geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;
beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [aangever]
verklaart de benadeelde partij [aangever] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot (toekomstig) smartengeld;
De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [aangever]
verklaart de benadeelde partij [aangever] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;
De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [aangever]
veroordeelt verdachte in verband met feit 1 subsidiair tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever] van € 3.114,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 augustus 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
verklaart de benadeelde partij [aangever] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [aangever]
verklaart de benadeelde partij [aangever] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;
De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [aangever]
De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [aangever]
verklaart de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
De beslissing ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging
beveelt de tenuitvoerlegging van de op 3 oktober 2023 door de rechtbank voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf van acht (8) maanden (parketnummer 18/067651-23);
De beslissing ten aanzien van het beslag
verklaart verbeurd de iPhone 16.