RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2026
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Putten
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/4632
in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. A.J. Verweij),
en
(gemachtigden: mr. G.J. Vooren en [gemachtigde] ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de Hersteld Hervormde Gemeente te Putten(gemachtigde: mr. M.C. van Meppelen Scheppink).
1. Deze uitspraak gaat over de ontvankelijkheid van het bezwaar van eiser. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen een aan de derde-partij verleende omgevingsvergunning, maar het college heeft het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij geen belanghebbende zou zijn. Eiser is het niet eens met dit besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college het bezwaar van eiser op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college eiser terecht niet als belanghebbende heeft aangemerkt. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Op 7 februari 2025 heeft de derde-partij een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het plaatsen van een LED-scherm van 3 meter breed en 2,2 meter hoog op het buitenterrein van het [gebouw] aan [adres] te Putten.
Op 3 april 2025 heeft het college de omgevingsvergunning verleend. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 1 september 2025 heeft het college het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
Met het bestreden besluit van 1 september 2025 heeft het college het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 21 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigden van het college en de gemachtigde van de derde-partij samen met [persoon 1] en [persoon 2] .
Beoordeling door de rechtbank
Is eiser belanghebbende?
3. Eiser stelt dat het college hem ten onrechte niet als belanghebbende heeft aangemerkt bij de omgevingsvergunning en dat daarbij slechts de factor ‘zicht’ is betrokken. Eiser stelt dat het plaatsen van het LED-scherm gevolgen heeft voor de verkeersveiligheid van het auto- en fietsverkeer op de N798. Zijn belang bij deze verkeersveiligheid onderscheidt zich volgens eiser voldoende van dat van andere willekeurige weggebruikers, omdat hij vanwege de locatie van zijn woning bij alle verkeersbewegingen die hij dagelijks maakt, gebruik moet maken van deze weg. Daarnaast stelt eiser dat LED-schermen kwetsbaar zijn voor vandalisme, met een reëel risico dat dit type object extra aanleiding geeft tot overlast of beschadiging. Eiser stelt verder dat het besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid, omdat met deze omstandigheden onvoldoende rekening is gehouden.
In artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geldt als uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium "gevolgen van enige betekenis" dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken als de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie en risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat het college eiser terecht niet als belanghebbende heeft aangemerkt. De rechtbank stelt vast dat de grens van het perceel van eiser op ongeveer [nummer] afstand van het LED-scherm ligt, dat het perceel van eiser niet direct grenst aan het kadastrale perceel waarop het scherm wordt geplaatst en dat eiser heeft bevestigd dat hij vanaf zijn perceel geen zicht heeft op het scherm. Dat eiser naar eigen zeggen vrijwel dagelijks over de weg rijdt vanwaar het LED-scherm zichtbaar is, is naar het oordeel van de rechtbank geen omstandigheid die hem toch belanghebbende maakt. Hiermee onderscheidt eiser zich niet in voldoende mate van andere weggebruikers op de N798 om te kunnen spreken van een persoonlijk belang. Ook als wordt aangenomen dat eiser de N798 vaker gebruikt dan een gemiddelde automobilist is er onvoldoende onderscheid te maken tussen eiser en een willekeurige andere passant van het scherm. Daarbij komt dat de rechtbank de stelling van eiser dat hij zijn woning niet zou kunnen verlaten zonder het LED-scherm te passeren, niet volgt. Er zijn voor eiser verschillende wegen waarlangs hij zijn woning kan verlaten zonder het LED-scherm te passeren. Dat dit volgens eiser geen logische of praktische uitvalswegen zouden zijn, is onvoldoende om aan te nemen dat eiser het bord vaker dan anderen passeert en daarom belanghebbende is. De rechtbank merkt verder op dat niet is gebleken van andere ruimtelijke of milieugevolgen van de vergunde activiteit ter plaatse van het perceel van eiser die van enige betekenis zijn. Het door eiser gestelde risico op vandalisme betreft een mogelijke toekomstige gedraging van derden en staat daarmee niet rechtstreeks in verband met de vergunde activiteit. Bovendien heeft eiser niet onderbouwd dat, in het geval dat vandalisme zou optreden, voor hem sprake zou zijn van gevolgen van enige betekenis. Ten aanzien van hetgeen eiser aanvoert over mogelijk onveilige verkeerssituaties op de N798 als gevolg van het LED-scherm, merkt de rechtbank op dat ook dit geen rechtstreeks feitelijk gevolg is dat eiser ondervindt door de activiteit die het besluit toestaat.
Conclusie en gevolgen
4. Omdat het college eiser terecht niet als belanghebbende heeft aangemerkt is het beroep ongegrond. Dat betekent dat de rechtbank niet toekomt aan de overige door eiser aangevoerde beroepsgronden. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. J. van Oosterhout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.