ECLI:NL:RBGEL:2026:805

ECLI:NL:RBGEL:2026:805

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 04-02-2026
Datum publicatie 04-02-2026
Zaaknummer 05/241737-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Chauffeur vuilniswagen (integraal) vrijgesproken van veroorzaken dodelijk ongeval door schuld, veroorzaken gevaar of hinder op de weg of het houden van onvoldoende afstand waardoor een ongeval is veroorzaakt.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/241737-25

Datum uitspraak : 4 februari 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1991 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] .

Raadsvrouw: mr. P.M. Breukink, advocaat in Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 januari 2025 te Nijmegen als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto, vuilniswagen), daarmee rijdende op de weg, de Parkweg, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl hij dat voertuig beroepsmatig bestuurde,- niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor hem gelegen weggedeelte van die weg (Parkweg) en/of het zich daarop bevindende verkeer en/of- alvorens/gedurende het vanuit stilstand optrekken zich niet of in onvoldoende mate ervan heeft vergewist of het voor hem gelegen weggedeelte vrij was van enig verkeer en/of- in strijd met artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 tijdens het wegrijden geen voorrang heeft verleend aan het overige verkeer en/of- in strijd met artikel 19 van voornoemd reglement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een voor hem uit rijdende fietser, ten gevolge waarvan of waardoor deze fietser ten val is gekomen, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 januari 2025 te Nijmegen als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de Parkweg, terwijl hij dat voertuig beroepsmatig bestuurde,- niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor hem gelegen weggedeelte van die weg (Parkweg) en/of het zich daarop bevindende verkeer en/of- alvorens/gedurende het vanuit stilstand optrekken zich niet of in onvoldoende mate ervan heeft vergewist of het voor hem gelegen weggedeelte vrij was van enig verkeer en/of- in strijd met artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 tijdens het wegrijden geen voorrang heeft verleend aan het overige verkeer en/of- in strijd met artikel 19 van voornoemd reglement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een voor hem uit rijdende fietser, ten gevolge waarvan of waardoor deze fietser ten val is gekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 januari 2025 te Nijmegen als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto) rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Parkweg, zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een voor hem uit rijdende fietser, ten gevolge waarvan of waardoor deze fietser ten val is gekomen.

2. De standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Volgens de officier van justitie zou het slachtoffer tijdens het inhalen van de vuilniswagen vanaf de bestuurdersplaats van verdachte minstens 2,6 seconden zichtbaar zijn geweest in de linkerbuitenspiegel en breedtespiegel van de vuilniswagen en vervolgens minstens 3,2 seconden vóór de vuilniswagen, dus door de voorruit, dan wel één van de spiegels. De officier van justitie heeft betoogd dat verdachte te lang onvoldoende heeft opgelet, waardoor er sprake is van aanmerkelijk onoplettend en/of onvoorzichtig rijgedrag. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke rijontzegging voor de duur van 12 maanden, met een proeftijd van twee jaren.

De verdediging heeft voor integrale vrijspraak gepleit. Subsidiair heeft de verdediging ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde betoogd dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu verdachte een geslaagd beroep op AVAS (afwezigheid van alle schuld) toekomt.

3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Op 24 januari 2025 reed verdachte als bestuurder van een DAR-vuilniswagen op de Parkweg in Nijmegen. Twee collega’s van verdachte liepen achter de vuilniswagen aan om oud papier te verzamelen. Zij liepen aan de linkerzijde van de weg op de stoep omhoog. Verdachte stond stil om op zijn collega’s te wachten, trok vervolgens op en reed rechtdoor. Verdachte reed hierbij volledig rechts op de weg, ook omdat hij daarvoor al ruimte had moeten maken voor een tegemoetkomende, passerende stadsbus waarbij bovendien sprake was van een smalle rijbaan. Na enkele seconden hoorde verdachte een klap en zag hij dat een voorbijganger zijn aandacht probeerde te trekken. Verdachte stopte de vuilniswagen en stapte uit. Verdachte bleek in botsing te zijn gekomen met een fietser, [slachtoffer] . Door dit ongeval is zij overleden.

De politie heeft vervolgens ter plaatse onderzoek verricht, waaronder aan de vuilniswagen en de fiets van het slachtoffer. Het letsel van het slachtoffer is onderzocht en er zijn getuigen gehoord. Verder heeft verdachte verklaringen afgelegd. Ter terechtzitting heeft verdachte onder andere verklaard goed in zijn spiegels te hebben gekeken voorafgaand aan het ongeval.

Wat kan op basis van het dossier worden vastgesteld?

De deskundigen die het proces-verbaal FO Verkeer hebben opgesteld, zagen tijdens het onderzoek ter plaatse dat de afstand tussen de aanvang van de aangetroffen sporen op het wegdek en de aangetroffen eindpositie van de vuilniswagen circa 38,2 meter was. Dit gegeven hebben zij ingevoerd in de tachograafgrafiek van de vuilniswagen. De deskundige zag vervolgens dat de snelheid van de vuilniswagen op het vermoedelijke botsmoment met de fietser, 19 km/u was. Hij zag in de grafiek dat de vuilniswagen, nadat de vuilniswagen ongeveer 15 seconden stil heeft gestaan, circa 4 seconden aan het rijden was op het moment dat de vuilniswagen tegen de fietser botste. Het ongeval vond plaats op de Parkweg waar een maximale snelheid van 30 km per uur is toegestaan. Vastgesteld kan dus worden dat verdachte niet harder reed dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid.

Uit het dossier is verder gebleken dat de vuilniswagen in een voldoende rijtechnische staat van onderhoud verkeerde en dat er geen afwijkingen in rem-, stuur- en weggedrag van het voertuig zijn vastgesteld. Het zicht vanuit de bestuurderscabine van de vuilniswagen was goed en de spiegels waren goed afgesteld. Verdachte had de werklampen aan de beide zijkanten van de vuilniswagen ingeschakeld ten tijde van de botsing.

Uit onderzoek aan de telefoon van verdachte is gebleken dat hij vóór en tijdens het ongeval niet van zijn telefoon gebruik heeft gemaakt. Verdachte heeft daarnaast negatieve alcohol- en drugstesten afgelegd. Tijdens het rijden was verdachte dus niet onder invloed van alcohol of drugs en maakte hij geen gebruik van zijn telefoon.

Verder kan worden vastgesteld, op basis van het letsel van de fietser en de aangetroffen sporen op de vrachtwagen, dat de fietser tegen de linker voorzijde van de vuilniswagen is gebotst, onder de vuilniswagen terecht is gekomen en is overreden. Op het moment van de botsing bevond de fiets zich in het geheel vóór de vrachtwagen. De vrachtwagen is dus tegen de achterkant van de fiets aangebotst.

Ten slotte kan op basis van het dossier worden vastgesteld dat het moment waarop de vuilniswagen (waar verdachte in reed) en de fiets (van [slachtoffer] ) met elkaar in botsing zijn gekomen, door geen van de verhoorde getuigen is waargenomen en dat dit moment ook niet is vastgelegd op camerabeelden.

Wat kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld?

De rechtbank stelt, mede na het ter terechtzitting horen van de deskundigen die het proces-verbaal FO Verkeer en het proces-verbaal Zichtreconstructie hebben opgesteld, vast dat overige bevindingen uit die processen-verbaal en de mede daarop gebaseerde computeranimatie overwegend zijn gebaseerd op aannames.

In de eerste plaats is door de deskundigen de gemiddelde snelheid van de fietser berekend op basis van beschikbare camerabeelden van een camera die zicht heeft op de Parkweg. Over een afstand van 72,6 meter reed de fietser gemiddeld 10,4 km/u. Deze gemiddelde snelheid werd berekend over een traject waarbij zij grotendeels bergopwaarts fietste. Het traject waarover de gemiddelde snelheid is berekend, stopt evenwel ongeveer 47 meter vóór het botspunt. Van die laatste 47 meter zijn geen camerabeelden beschikbaar.

Over de snelheid van de fietser over die laatste 47 meter kunnen dus niet met voldoende zekerheid uitspraken worden gedaan. Dit hebben de deskundigen ook ter zitting verklaard. Bij het maken van de computeranimatie is evenwel uitgegaan van (onder meer) de aanname dat de fietser over de laatste 47 meter voor het botsmoment zou hebben gefietst met een constante snelheid van 10,4 km/u.

Dat het scenario zoals weergegeven in de computeranimatie (waarbij de fietser met een constante snelheid van 10,4 km/u over de Parkweg rijdt, ook over de laatste ongeveer 47 meter) niet overeenkomt met de daadwerkelijke gebeurtenissen, volgt al uit het feit dat de fietser in die animatie ongeveer vier seconden ‘te vroeg’ op het botspunt aankomt. Ter terechtzitting hebben de deskundigen aangegeven dat dit erop duidt dat de fietser in werkelijkheid tijdens of kort vóór het inhalen van de vuilniswagen haar snelheid heeft geminderd of (bijvoorbeeld) vóór het inhalen van de vuilniswagen even heeft moeten wachten op tegemoetkomend verkeer.

Het voorgaande maakt dat aan de hand van de overige bevindingen die volgen uit het laatste deel van de computeranimatie (de momenten kort vóór en tijdens de botsing) geen conclusies kunnen worden getrokken c.q. vaststellingen kunnen worden gedaan.

Zo kan niet worden vastgesteld hoe lang de fietser in de zij- of breedtespiegels van de vuilniswagen zichtbaar is geweest. Op basis van de computeranimatie hebben de deskundigen berekend dat de fietser 2,6 seconde zichtbaar moet zijn geweest in de zij- en/of breedtespiegel. Deze berekening gaat echter uit van de aanname van een constante fietssnelheid van 10,4 km/u, terwijl uit het voorgaande volgt dat de fietser het laatste deel van het traject vóór de botsing juist niet constant met die snelheid heeft gefietst.

Evenmin kan worden vastgesteld op welk moment de fietser in de zij- en of breedtespiegel zichtbaar is geweest.

Verder kan niet worden vastgesteld of de fietser op enig moment door de voorruit van de vuilniswagen zichtbaar is geweest voor verdachte. In het proces-verbaal Zichtreconstructie wordt over de zichtbaarheid van de fietser door de voorruit al opgemerkt (p. 86) dat met de beschikbare gegevens niet onderzocht kon worden of de bestuurder van de vuilniswagen (verdachte) via de voorruit ook daadwerkelijk zicht had op de fietser gedurende het tijdsbestek dat zij vóór de vuilniswagen reed. Ter terechtzitting hebben de deskundigen verklaard dat de onderzoeksbevindingen de mogelijkheid openlaten dat de fietser, gedurende de (gehele) tijd die zij met haar fiets vóór de vuilniswagen heeft gereden, niet zichtbaar voor verdachte is geweest, omdat zij zich in de dode hoek bevond. Dat de fietser, zoals door de officier van justitie gesteld, voor verdachte 3,2 seconden zichtbaar moet zijn geweest aan de voorzijde van de vuilniswagen, kan op basis van de beschikbare gegevens door de rechtbank dus niet worden vastgesteld.

Conclusie

Het enige dat op basis van de onderzoeksresultaten kan worden vastgesteld, is dat in de laatste 47 meter voorafgaand aan de botsing de fietser op enig moment aan de linkerzijkant van de vuilniswagen moet hebben gereden, omdat aan de rechterzijde van de vuilniswagen geen ruimte was om te passeren. Zij moet daarbij op enig moment in de linkerzij- en/of breedtespiegel zichtbaar zijn geweest. Hoe lang dit is geweest en op welk moment dit is geweest, kan echter (zoals hiervoor overwogen) niet worden vastgesteld. Daardoor kan ook niet worden vastgesteld of dit bijvoorbeeld is geweest op het moment dat de vuilniswagen nog stil stond, op het moment dat deze ging optrekken of bijvoorbeeld op het moment dat de vuilniswagen al in beweging was gekomen.

De conclusie dat de bestuurder van de vrachtwagen de fietser op enig moment niet alleen had kunnen, maar ook had móeten zien, kan op basis van het dossier dan ook niet worden getrokken. Evenmin kan de conclusie worden getrokken dat van verdachte verwacht mocht worden dat hij op het desbetreffende moment ook in de linkerzij- en/of breedtespiegel keek (nu immers onduidelijk is op welk moment de fietser de vrachtwagen passeerde).

De rechtbank concludeert dan ook dat op essentiële vragen geen antwoorden zijn gekomen. Wat er precies is gebeurd in die laatste 47 meter voorafgaand aan de botsing is niet met zekerheid vast te stellen. Dit betekent dat hetgeen verdachte strafrechtelijk wordt verweten niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. De rechtbank zal verdachte om die reden vrijspreken van het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde.

Het voorgaande neemt niet weg dat er een vreselijk ongeval heeft plaatsgevonden waarbij een jonge vrouw, [slachtoffer] , is komen te overlijden. De rechtbank beseft dat dit verlies voor de nabestaanden van [slachtoffer] veel verdriet heeft veroorzaakt en nog steeds veroorzaakt, zoals door hen ook indringend verwoord in hun slachtofferverklaringen. Zij zullen hun leven lang met het gemis van [slachtoffer] moeten leven en ook verdachte zal moeten leven met de wetenschap dat bij dit ongeval, waarbij hij de bestuurder van de vuilniswagen was, [slachtoffer] is komen te overlijden.

4. De beslissing

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. S. Jansen
  • mr. T.M.A. Arts

Griffier

  • mr. V. Buscop

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?