ECLI:NL:RBGEL:2026:8092

ECLI:NL:RBGEL:2026:8092

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 09-09-2026
Datum publicatie 16-10-2026
Zaaknummer 26/2772
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Verzoek om handhaving tegen de aanwezigheid van bouwwerken op een perceel waarop asbestdaken liggen die niet in goede staat verkeren is door het college afgewezen. Er is geen sprake van een overtreding. Geen sprake van een uitzonderlijke situatie die aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening. Geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het besluit geen stand zou kunnen houden in de bezwaarprocedure. Verzoek afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

uitspraak van de voorzieningenrechter van

[verzoeker] , verzoeker

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldebroek

Als derde-partij neemt aan het geding deel: [derde-partij] .

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 26/2772

in de zaak tussen

en

(gemachtigden: mr. A.J. Ishaq en R.M.L. Knol).

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van het verzoek om handhaving van verzoeker. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. De voorzieningenrechter oordeelt dat voorshands niet is gebleken dat de afwijzing van het handhavingsverzoek onvoldoende is gemotiveerd. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

Waar gaat deze procedure over?

2. Verzoeker heeft het college op 13 maart 2026 verzocht om handhavend op te treden tegen de situatie op perceel [perceel] (verder: het perceel). Verzoeker heeft het college bij brief van 14 april 2026 in gebreke gesteld omdat niet tijdig op zijn verzoek is beslist. Vervolgens heeft verzoeker op 1 mei 2026 beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland tegen het niet tijdig nemen van een besluit omdat het college niet binnen de beslistermijn en ook niet binnen twee weken na de ingebrekestelling een besluit op zijn verzoek heeft bekendgemaakt. Vervolgens heeft het college op 28 mei 2026 beslist op het handhavingsverzoek van verzoeker en heeft het college het verzoek afgewezen. De rechtbank heeft in de uitspraak van 15 juni 2026 in procedure met zaaknummer 26/2267 het beroep van verzoeker tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaard en heeft het van rechtswege ontstane beroep verwezen naar het college voor behandeling als bezwaar. Verzoeker heeft op 19 juni 2026 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 mei 2026 en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 1 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigden van het college. De derde-partij heeft voorafgaand aan de zitting aangegeven niet aanwezig te kunnen zijn.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Totstandkoming van het besluit

3. Verzoeker heeft op 27 maart 2026 bij het college verzocht om handhavend op te treden tegen de bouwwerken op het perceel waarop asbestdaken liggen die niet in goede staat verkeren. Verzoeker heeft erop gewezen dat sprake zou zijn van een gevaarlijke asbestsituatie en de mogelijke gezondheidsrisico's voor de omgeving en zijn perceel. Op 28 mei 2026 heeft het college het handhavingsverzoek van verzoeker afgewezen. Het controlerapport waar het besluit van 28 mei 2026 op is gebaseerd is op 31 augustus 2026 uitgewerkt en ondertekend en aan de voorzieningenrechter verstrekt.

Inhoud verzoek

4. Verzoeker verzoekt de voorzieningenrechter om het college op te dragen handhavend op te treden tegen de situatie op het perceel. Volgens verzoeker leveren de op dat perceel aanwezige daken van asbest een gevaar op voor de volksgezondheid. Verzoeker wijst erop dat het oostelijke asbestdak begin 2026 gedeeltelijk is ingestort en verdere instorting dreigt. Volgens verzoeker staan er op het perceel weliswaar hekken maar dat voorkomt niet dat er kinderen op het terrein spelen, er dieren grazen en er snoeiwerkzaamheden plaatsvinden. Ook wijst verzoeker op gevaar van door de wind verspreide asbestvezels voor zijn eigen kinderen omdat verzoeker met zijn gezin aan de overzijde van de weg woont. Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft verzoeker verschillende foto’s en documenten (voornamelijk correspondentie met derden) overgelegd. Tijdens de zitting heeft verzoeker gereageerd op het rapport van de toezichthouder van 31 augustus 2026 en onder andere betoogd dat daarin niet is opgenomen welk soort asbest op het perceel aanwezig is.

Verzoeker verzoekt de voorzieningenrechter om bij wijze van voorlopige voorziening de volgende maatregelen te nemen:

het besluit van 28 mei 2026 (kenmerk R2026-01142) te schorsen;

het college op te dragen te voorkomen dat grazende dieren, zoals schapen, opnieuw binnen de bouwhekken worden geplaatst;

het college op te dragen de neergestorte brokstukken van het asbestdak af te dekken zodat dieren, zoals huiskatten, er niet langs of tegen kunnen schuren;

het college op te dragen een onafhankelijk en gecertificeerd asbestinventarisatiebureau een asbestinventarisatie te laten uitvoeren naar het feitelijke verspreidingsgebied van de asbestvezels die zijn vrijgekomen bij de gedeeltelijke instorting van het asbestdak van [perceel] ;

te bepalen dat indien uit de asbestinventarisatie blijkt dat het verspreidingsgebied van de asbestvezels de huidige veiligheidsradius van de bouwhekken overschrijdt, het college van rechtswege gehouden is terstond aanvullende beheersmaatregelen te treffen;

het college op te dragen een kopie van het rapport van de asbestinventarisatie onverwijld en met ongeschoonde milieu-informatie naar mij toe te sturen;

te bepalen dat het college een dwangsom verbeurt van € 500,- per dag voor iedere dag dat zij nalaat aan één of meer van de bovenstaande bevelen te voldoen;

te bepalen dat de voorlopige voorziening van kracht blijft totdat aan bovenstaande bevelen is voldaan, ook indien het college een herstelbesluit of een nieuw besluit neemt (artikel 8:85, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)).

Is sprake van spoedeisend belang?

5. Verzoeker betoogt dat sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de verzochte voorzieningen en wijst op het mogelijke instortingsgevaar van de bouwwerken op het perceel en de mogelijke verspreiding van asbest als gevolg daarvan.

Het college stelt zich op het standpunt dat er geen acute situatie is vastgesteld die onmiddellijk ingrijpen noodzakelijk maakt. Het enkele feit dat verzoeker zich zorgen maakt over mogelijke gezondheidsrisico's is begrijpelijk, maar vormt volgens het college zonder objectieve onderbouwing onvoldoende grond om te concluderen dat sprake is van een spoedeisende situatie die het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt.

Voor het treffen van een voorlopige voorziening hangende de bezwaarprocedure bestaat alleen aanleiding als sprake is van een spoedeisend belang. Daarvan is sprake als de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht. Een beslissing op bezwaar kan niet worden afgewacht als er vóór die tijd onomkeerbare gevolgen ontstaan of dreigen te ontstaan. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er in dit geval sprake is van een spoedeisend belang. Verder verval van de bouwwerken en mogelijke verspreiding van asbest op het perceel kunnen mogelijk gevaar opleveren voor de omgeving. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van onverwijlde spoed als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.

Heeft het college het handhavingsverzoek terecht afgewezen?

6. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de argumenten die verzoeker heeft aangevoerd, de zogenoemde gronden. Bij de beoordeling van het verzoek is van belang dat het college met het besluit van 28 mei 2026 heeft geweigerd handhavend op te treden. Dat betekent dat verzoeker met de schorsing van dat besluit niet kan bereiken dat het college alsnog handhavend gaat optreden. Feitelijk strekt het verzoek er dan ook toe dat het college, vooruitlopend op de uitkomst van de bezwaarprocedure, bij wijze van voorlopige voorziening wordt opgedragen om handhavend op te treden. Een dergelijke voorlopige voorziening strekt heel ver. Voor het treffen van een dergelijk verstrekkende voorlopige voorziening bestaat dan ook slechts aanleiding in zeer uitzonderlijke situaties.

Het college heeft het handhavingsverzoek afgewezen omdat volgens het college geen sprake is van een overtreding of een concrete gevaarsituatie waartegen opgetreden kan worden omdat er geen objectief vastgestelde gezondheidsrisico's zijn aangetoond, er geen concreet vastgestelde overtreding is geconstateerd, er geen acute gevaarzetting is vastgesteld, er geen actuele verspreidingssituatie is waargenomen en reeds voorzorgsmaatregelen zijn getroffen door afsluiting van het terrein met hekken. Het college baseert zijn standpunt op onderzoek ter plaatse door de toezichthouder. Het college heeft meegewogen dat de standpunten van verzoeker niet zijn onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens. Er zijn geen asbestinventarisatierapporten, bodemonderzoeken, laboratoriumuitslagen, deskundigenrapportages of andere objectieve onderzoeksbevindingen overgelegd waaruit blijkt dat zich buiten het afgesloten terrein daadwerkelijk asbestvezels bevinden of dat sprake is van concentraties die leiden tot een risico voor de volksgezondheid of de fysieke leefomgeving. Evenmin is door verzoeker aangetoond dat de eventuele aanwezigheid van asbestdeeltjes in de omgeving afkomstig is van het perceel. De enkele aanwezigheid of mogelijke aanwezigheid van asbesthoudende materialen op een perceel is op zichzelf onvoldoende om te kunnen concluderen dat sprake is van een overtreding die bestuursrechtelijke handhaving rechtvaardigt. Daarvoor is vereist dat sprake is van een concrete overtredingssituatie of een aantoonbare gevaarzetting. Een dergelijke situatie is niet vastgesteld. Ook uit de hercontrole van de toezichthouder is volgens het college niet gebleken van een acute verspreidingssituatie, beschadiging waarbij emissie plaatsvindt of andere omstandigheden die directe bestuursrechtelijke interventie noodzakelijk maken.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een uitzonderlijke situatie die aanleiding is voor het treffen van de verstrekkende verzochte voorlopige voorzieningen. De toezichthouder van het college is ter plaatse geweest en is tot de conclusie gekomen dat geen sprake is van een acute gevaarzetting. Vastgesteld is dat het perceel met hekwerken is afgesloten, waardoor het niet toegankelijk zou moeten zijn. Het college heeft op grond van de bevindingen van de toezichthouder tot de conclusie kunnen komen dat geen sprake is van een overtreding en het verzoek kunnen afwijzen. De voorzieningenrechter komt voorshands niet tot de conclusie dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd. Voor zover er nog vragen leven over de inhoud van het rapport van de toezichthouder, bijvoorbeeld de vraag welk soort asbest op het perceel aanwezig is, is er tijdens de bezwaarprocedure voor partijen de mogelijkheid om een en ander nog aan te vullen en nader te motiveren. Daarnaast stelt de voorzieningenrechter vast dat verzoeker weliswaar zijn bedenkingen bij de bevindingen van de toezichthouder heeft en ter onderbouwing van zijn betoog foto’s en documenten heeft overgelegd, maar dat hij zijn betoog niet heeft onderbouwd met een deskundigenrapport waaruit blijkt van zodanig gevaar dat het treffen van de verzochte voorlopige voorzieningen rechtvaardigt.

In dat wat verzoeker heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter voorshands geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het besluit van 28 mei 2026 geen stand zou kunnen houden in de bezwaarprocedure. Gelet op de motivering van het college in het besluit en het controlerapport van 31 augustus 2026 is voorshands niet vast komen te staan dat sprake is van een overtreding die noodzaakt tot het treffen van de voorzieningen waar verzoeker om verzoekt. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de weigering van het handhavingsverzoek in stand blijft. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Dijkman, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M.H. Dijkman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand