RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummers: 05.218719.25 en 10.118935.23 (tul)
Datum uitspraak : 4 februari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2005 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres], [postcode] [woonplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de [plaats] .
Raadsman: mr. W. Suttorp, advocaat in Rotterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1. De inhoud van de tenlastelegging
3. De bewezenverklaring
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
feit 1 hij op of omstreeks 17 juli 2025 te Geldermalsen, gemeente West Betuwe tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,- een mobiele telefoon (merk Apple, type Iphone 13 kleur groen) en/of- meerdere fotocameratoestellen en/of- meerdere cameralenzen,in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] en/of [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft/hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door- voorzien van een vuurwapen, althans op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of met een capuchon en/of een balaclava en/of een bivakmuts en/of een (scooter)helm, in ieder geval met gezichtsbedekking, voornoemde [bedrijf] in te gaan en/of- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te richten op die [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [aangever 1] en/of- hierbij tegen die [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [aangever 1] te zeggen en/of te schreeuwen: "Niet bewegen! Op de grond gaan liggen, dan gebeurt er niets" en/of ‘’Als jullie gewoon rustig mee werken, overkomt jullie niks’’ en/of- de mobiele telefoon van die [aangever 2] te pakken en/of te grissen en/of- (een) of meer vitrinekast(en) kapot te slaan en/of- fotocameratoestellen en/of de cameralenzen uit deze vitrinekast(en) te pakken en/of te grissen;
feit 2 hij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 17 juli 2025 te Geldermalsen, gemeente West Betuwe, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [aangever 4] meermalen, althans eenmaal, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door die [aangever 4] een vuurwapen, althans een vuurwapengelijkend voorwerp te tonen en/of voor te houden en/of op/tegen de borst van die [aangever 4] tezetten en/of die [aangever 4] daarbij de woorden toe te voegen: "Ik schiet!" en/of "Ik ga schieten!", althans woorden van gelijke bedreigende aard en/of strekking.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde onder feit 1 en feit 2. De officier van justitie heeft gesteld dat bij beide feiten sprake is van medeplegen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte geen opzet heeft gehad op het plegen van de overval, nu hij niet wist dat er een overval zou gaan plaatsvinden. Verdachte werd bedreigd en had enkel opzet op het pakken van goederen en vullen van de tas, zijnde een eenvoudige diefstal. Het voor medeplegen vereiste dubbele opzet ontbreekt, aldus de raadsman. De raadsman heeft verder betoogd dat er geen sprake is van medeplegen. Er is daarmee onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor feit 1 en feit 2.
Beoordeling door de rechtbank
feit 1
Aangever [aangever 1] heeft verklaard dat hij op 17 juli 2025 omstreeks 09:30 uur met twee medewerkers aanwezig was in zijn [bedrijf] in Geldermalsen. [aangever 1] hoorde dat iemand riep dat zijn medewerkers op de grond moesten gaan liggen. Vervolgens kwam de man naar het kantoor van [aangever 1] toe. De man dwong hem op de grond te gaan liggen en vervolgens over de grond te kruipen om bij zijn medewerkers te gaan liggen. De man droeg een soort bivakmuts en had een vuurwapen vast waarmee hij hen bedreigde. Na ongeveer twee minuten rende de man weer terug de winkel in. [aangever 1] ging de winkel in en zag dat een vitrinekast kapot was geslagen. Meerdere camera’s en cameralenzen waren weggenomen.
Aangever [aangever 2] heeft verklaard dat hij op 17 juli 2025 werkzaam was bij de [bedrijf] in Geldermalsen. [aangever 2] zat achter zijn bureau achter de toonbank. [aangever 2] hoorde dat iemand de winkel in kwam rennen. [aangever 2] zag via een scherm dat er twee personen in de winkel waren. Eén persoon liep vanaf de ingang naar de vitrines. De andere persoon kwam op [aangever 2] afgelopen. Deze persoon had een vuurwapen in zijn hand en richtte deze op [aangever 2] . De man schreeuwde dat hij op de grond moest gaan liggen en riep: "Niet bewegen! Op de grond gaan liggen, dan gebeurt er niets." De man griste de telefoon van [aangever 2] , een groene iPhone 13, van zijn bureau. [aangever 2] en zijn collega [aangever 3] gingen op de grond liggen. [aangever 2] hoorde dat de man met het wapen en de andere persoon met elkaar communiceerden. Aan het stemgeluid hoorde hij dat de personen mannen waren. De man in de winkel zei tegen de man met het wapen dat zijn tas vol zat.
Aangever [aangever 3] heeft verklaard dat hij iemand door de winkel hoorde rennen. [aangever 3] draaide zich om en zag dat er iemand stond die een pistool op het hoofd van zijn collega [aangever 2] richtte. De man riep: “op de grond liggen!” Vervolgens richtte de man het vuurwapen op [aangever 3] . [aangever 3] ging gelijk liggen. Hij hoorde de man zeggen: “Als jullie gewoon rustig mee werken, overkomt jullie niks.”
De camerabeelden van de [bedrijf] en de omgeving zijn uitgekeken. De verbalisant zag dat om 09:32 uur twee verdachten op een scooter in beeld verschenen. Eén verdachte droeg een helm. De andere verdachte droeg een capuchon over zijn hoofd. Verdachte heeft verklaard dat hij de man met de helm is. Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij de andere persoon met de capuchon is. Op de camerabeelden werd gezien dat verdachte en [medeverdachte] de winkel binnenliepen. [medeverdachte] liep direct achter de toonbank langs naar het achterste gedeelte van de winkel. Te zien en te horen was dat [medeverdachte] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op een medewerker richtte en zei: “Liggen, liggen.” Te zien was dat [medeverdachte] een mobiele telefoon van tafel pakte en meenam. Verdachte ging bij binnenkomst in de winkel direct naar de vitrine en sloeg deze kapot met een hamer. Vervolgens pakte hij camera’s en cameralenzen uit de vitrine en stopte deze in een bigshopper. Verdachte wilde vervolgens de winkel verlaten, maar [medeverdachte] schreeuwde dat verdachte meer spullen in de tas moest doen. Verdachte zei: “Hij is vol. Hij is vol,” maar liep vervolgens weer terug naar de vitrines en stopte nog twee camera’s in de tas. Verdachte verliet vervolgens om 09:33 uur de winkel. Na enkele seconden volgde medeverdachte [medeverdachte] . De mannen stapten vervolgens op de scooter en reden weg naar de Geldersestraat. Ter hoogte van de winkel Takko Fashion lieten de jongens de scooter vallen en renden te voet weg door een steegje dat uitkomt op een parkeerplaats. Omstanders renden achter de jongens aan. Op de parkeerplaats stond een Audi geparkeerd met de kofferbak open.
Medeverdachte [medeverdachte] werd door agenten vervolgens aangetroffen in een bosschage op een braakliggend terrein en aangehouden. Door de verbalisanten werd opgemerkt dat medeverdachte [medeverdachte] op dat moment andere kleding droeg dan naar voren kwam uit het signalement van de verdachten. Onder verdachte zijn drie sets kleding in beslag genomen die hij op het moment van de aanhouding droeg.
Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat zijn rol het bedreigen van het personeel was. Hij liep naar achteren en zorgde ervoor dat de medewerkers op de grond gingen liggen. Hij had iets dat op een vuurwapen leek op de medewerkers gericht. Verdachte haalde vervolgens de vitrines leeg. Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij was ‘samengelegd’ met verdachte om de zaak te overvallen. Hij werd die dag opgehaald en toen zijn ze naar Geldermalsen gereden. Hij was gecontacteerd op Snapchat door iemand die vroeg of hij wilde werken. Hij wist dat hij naar binnen moest gaan en terug moest komen met de camera’ [medeverdachte] zou hier € 3.000,- voor krijgen. Het voorwerp dat op een pistool leek, was vooraf aan hem gegeven en toen werd er gezegd wat hij moest doen. [medeverdachte] vond dat het als een nepwapen voelde. Toen [medeverdachte] wegrende voor de menigte, heeft hij één van de trainingspakken die hij droeg uitgedaan.
Verdachte heeft verklaard dat hem was verteld dat hij naar de [bedrijf] moest gaan, dat hij de vitrine moest legen en de tas moest vullen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het wapen voor het eerst bij zijn medeverdachte zag op het moment dat hij de winkel in liep. Verdachte wist dat hij een diefstal moest plegen. De hamer en de tas had hij in de auto overhandigd gekregen.
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] op 17 juli 2025 de [bedrijf] in Geldermalsen is binnengegaan en dat zij daar camera’s, cameralenzen en de telefoon van een medewerker hebben gestolen. Beide verdachten droegen iets dat hun gezichten bedekte: verdachte droeg een scooterhelm en [medeverdachte] droeg een capuchon en een bivakmuts. Verdachte had, net als zijn medeverdachte, meerdere sets kleding over elkaar aan, kennelijk bedoeld om tijdens hun vlucht niet herkend te worden aan de hand van het signalement. Zij werden voorafgaand aan de overval afgezet op een plek waar al een scooter klaar stond om naar de betreffende winkel te rijden. Op een parkeerplaats stond een auto klaar voor de vlucht, met de kofferbak open.
Ten aanzien van de vraag of bewezen kan worden dat verdachte zich – samen met medeverdachte [medeverdachte] – schuldig heeft gemaakt aan de gewapende overval van de [bedrijf] , overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat het medeplegen van een strafbaar feit bewezen kan worden verklaard, indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn mededaders. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal ook dan van voldoende gewicht, voldoende significant, moeten zijn. Daarnaast geldt een dubbel opzetvereiste. Verdachte moet zowel opzet op de onderlinge samenwerking met de mededader(s) hebben gehad, als opzet op het gronddelict: in dit geval de diefstal met geweld.
De rechtbank zal allereerst de vraag beantwoorden of verdachte opzet heeft gehad op de diefstal met bedreiging met geweld. Verdachte heeft verklaard dat hij een diefstal moest plegen in de [bedrijf] en een tas had meegekregen om deze te vullen, maar dat hij niet zou hebben geweten dat daarbij door de medeverdachte ook een wapen zou worden gebruikt. Hij dacht dat het om een ‘gewone’ diefstal zou gaan. De rechtbank acht deze verklaring niet aannemelijk en is van oordeel dat bij verdachte sprake is van voorwaardelijk opzet op de gewapende overval gelet op het volgende. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] gingen omstreeks 09:32 uur de [bedrijf] binnen. Gelet op de dag (een donderdag) en het tijdstip dat verdachte en [medeverdachte] bij de winkel arriveerden, kon verdachte verwachten dat er personeel of winkelend publiek in de winkel aanwezig zou zijn en dat zij hen mogelijk zouden beletten de diefstal te plegen. Voorts is van belang dat verdachte en medeverdachte beiden met gezichtsbedekking de winkel in gingen en dat zij meerdere sets kleding droegen. Verdachte heeft daarnaast verklaard dat hij het wapen dat [medeverdachte] vasthad bij binnenkomst in de winkel heeft gezien. De rechtbank overweegt dat op de camerabeelden te zien is dat verdachte desondanks samen met [medeverdachte] de winkel in rende, direct naar de vitrinekast liep en deze met een hamer insloeg. Anders dan de raadsman heeft betoogd, ziet de rechtbank in dit handelen van verdachte geen duidelijke tekenen van twijfel of het onder dwang staan. Nu verdachte wist dat zijn medeverdachte een wapen bij zich droeg en hij desondanks op klaarlichte dag de winkel met hem instapte, aanvaardde verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans dat er bij de diefstal (in ieder geval) bedreiging met geweld zou plaatsvinden, temeer nu er de nodige voorbereidingshandelingen vooraf waren getroffen, waaronder het dragen van gezichtsbedekking en meerdere lagen kleding om de vlucht mogelijk te maken of gemakkelijker te maken en het feit dat er een scooter klaar stond voor verdachten om naar de winkel toe te rijden en vervolgens met deze scooter weer te vluchten naar een auto die verderop klaar stond. De rechtbank komt daarmee tot het oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de diefstal en de daarbij komende bedreiging met geweld.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat is gebleken dat verdachte opzet had op de samenwerking met medeverdachte [medeverdachte] . Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] kwamen in één auto aan in Geldermalsen, reden samen op een voor de overval klaarstaande scooter naar de [bedrijf] en voerden direct bij binnenkomst ieder hun taak uit. Verdachte liep direct naar de vitrine en begon deze stuk te slaan met een hamer. Hij begon vervolgens de door hem meegebrachte tas te vullen met camera’s en cameralenzen. [medeverdachte] liep direct achter de toonbank en begon de medewerkers te bedreigen. Op de camerabeelden was te zien en te horen dat verdachte en [medeverdachte] tijdens de overval met elkaar communiceerden. Uit het voorgaande blijkt dat verdachte en [medeverdachte] functioneerden als een team, waarbij ieder direct bij binnenkomst zijn eigen rol pakte. Ook bij de vlucht uit de winkel kozen zij ervoor om samen op de scooter weg te gaan en samen naar de klaarstaande vluchtauto te rennen. De rechtbank leidt hieruit af dat er een nauwe en bewuste samenwerking bestond tussen verdachte en [medeverdachte] die bestond uit een gezamenlijke uitvoering. De rechtbank is van oordeel dat daarmee sprake was van medeplegen.
De rechtbank acht feit 1 dan ook wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onderdeel “vuurwapen”, nu uit het dossier niet is gebleken dat het een echt vuurwapen betrof. Ook is niet gebleken dat verdachte of medeverdachte [medeverdachte] geweld heeft gebruikt tegen de medewerkers van de [bedrijf] . De rechtbank zal verdachte daarom ook van dat onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.
feit 2
Aangever [aangever 4] heeft verklaard dat hij zag dat er een scooter uit de richting van [bedrijf] kwam en dat de twee personen die op de scooter reden omvielen. [aangever 4] riep “opzouten” naar de twee personen. De jongen met de zwarte helm riep: “Ik schiet!”. [aangever 4] zag dat de jongen een klein zwart vuurwapen vasthield. De personen renden weg in de richting van de parkeerplaats op de Badweg in Geldermalsen. [aangever 4] rende achter de personen aan en wilde hen vastpakken. Er ontstond een kleine worsteling. De persoon met de helm hield het vuurwapen tegen zijn borst en zei iets in de trant van: “ik schiet” of “ik ga schieten.”
Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij zag dat de verdachten uit de [bedrijf] kwamen rennen. De jongens stapten op de scooter. De jongen achterop had een wapen in zijn rechterhand. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij reed.
Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij [aangever 4] naar buiten zag rennen. [getuige 2] zag twee jongens op een scooter aan komen rijden. De jongens riepen: “schieten!”. [aangever 4] zei tegen [getuige 2] dat één van de jongens een wapen had.
Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij het vuurwapen nog in zijn handen had toen hij op de scooter stapte.
De rechtbank acht bewezen dat medeverdachte [medeverdachte] [aangever 4] met het nepwapen heeft bedreigd en daarbij heeft geroepen: “ik schiet” of “ik ga schieten”. Hoewel de verklaring van [aangever 4] het enige directe bewijsmiddel is dat [medeverdachte] hem (op deze wijze) heeft bedreigd, is de rechtbank van oordeel dat deze verklaring op essentiële punten wordt ondersteund door de verklaringen van getuigen en de verklaring van [medeverdachte] zelf. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij het nepwapen in zijn handen had toen hij op de scooter stapte. Dit werd ook gezien door getuige [getuige 1] , die verklaarde dat één van de jongens op de scooter een wapen in zijn hand vasthield. Hieruit volgt voor de rechtbank dat [medeverdachte] het nepwapen nog bij zich droeg op het moment dat hij de winkel verliet en bij verdachte op de scooter stapte. De verklaring van [aangever 4] - dat er naar hem werd geroepen dat men zou schieten - wordt bovendien ondersteund door de getuigenverklaring van getuige [getuige 2] , die hoorde dat er door de jongens “schieten” werd geroepen. Nu de verklaring van [aangever 4] op belangrijke punten wordt ondersteund, acht de rechtbank deze betrouwbaar. De rechtbank acht daarmee bewezen dat [medeverdachte] [aangever 4] heeft bedreigd door een vuurwapen op hem te richten, te roepen dat hij zou schieten, het vuurwapen tegen de borst van [aangever 4] te zetten en te herhalen dat hij zou of ging schieten.
Ook ten aanzien van dit feit moet de rechtbank beoordelen of sprake is van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] dat sprake is van medeplegen door verdachte. De rechtbank overweegt als volgt. Verdachte en zijn medeverdachte hebben samen een gewapende overval gepleegd, waarbij de medeverdachte in de winkel personen met het (nep)wapen heeft bedreigd. Vervolgens zijn zij vanaf de [bedrijf] gezamenlijk met de scooter gevlucht. Verdachte wist en kon ook zien dat zijn medeverdachte een (nep)wapen bij zich droeg. Uit de voornoemde gang van zaken volgt een zo waarschijnlijke mogelijkheid dat er ook tijdens de gezamenlijke vlucht een bedreiging met het (nep)wapen zou gaan plaatsvinden dat sprake is van een aanmerkelijk kans op die bedreiging, welke verdachte ook bewust heeft aanvaard door samen met de medeverdachte na de overval op een scooter te vluchten en deze te besturen. Door op deze wijze samen op de vlucht te slaan geldt verder dat zij ook wat betreft de bedreiging van [aangever 4] , zo bewust en nauw hebben samengewerkt dat sprake is van medeplegen van dat misdrijf.
De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van feit 2.
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
feit 1 hij op of omstreeks 17 juli 2025 te Geldermalsen, gemeente West Betuwe tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,- een mobiele telefoon (merk Apple, type Iphone 13 kleur groen) en/of- meerdere fotocameratoestellen en/of- meerdere cameralenzen,in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] en/of [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft/hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door- voorzien van een vuurwapen, althans op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of met een capuchon en/of een balaclava en/of een bivakmuts en/of een (scooter)helm, in ieder geval met gezichtsbedekking, voornoemde [bedrijf] in te gaan en/of- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te richten op die [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [aangever 1] en/of- hierbij tegen die [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [aangever 1] te zeggen en/of te schreeuwen: "Niet bewegen! Op de grond gaan liggen, dan gebeurt er niets" en/of “Als jullie gewoon rustig mee werken, overkomt jullie niks’’ en/of- de mobiele telefoon van die [aangever 2] te pakken en/of weg te grissen en/of- (een) of meer vitrinekast(en) kapot te slaan en/of- fotocameratoestellen en/of de cameralenzen uit deze vitrinekast(en) te pakken en/of te grissen;
feit 2 hij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 17 juli 2025 te Geldermalsen, gemeente West Betuwe, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [aangever 4] meermalen, althans eenmaal, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door die [aangever 4] een vuurwapen, althans een vuurwapengelijkend voorwerp te tonen en/of voor te houden en/of op/tegen de borst van die [aangever 4] tezetten en/of die [aangever 4] daarbij de woorden toe te voegen: "Ik schiet!" en/of "Ik ga schieten!", althans woorden van gelijke bedreigende aard en/of strekking.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
feit 2:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Standpunten
De raadsman heeft betoogd dat verdachte enkel onder dwang en onder bedreiging van een persoon genaamd “ [naam] ” betrokkenheid heeft gehad bij de overval. Verdachte moest meewerken om zijn schulden bij “ [naam] ” af te lossen, omdat er anders fysieke consequenties zouden volgen voor hem of zijn familie. De raadsman heeft betoogd dat sprake was van psychische overmacht nu verdachte aan de externe druk in redelijkheid geen weerstand heeft kunnen bieden.
De officier van justitie heeft gesteld dat de verklaring van verdachte over de bedreigingen van “ [naam] ” niet verifieerbaar zijn en dat (daarmee) geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden waaruit blijkt van een van buiten komende drang. De officier van justitie heeft gesteld dat het beroep op psychische overmacht dient te worden verworpen.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat van psychische overmacht sprake is bij een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden.
De rechtbank acht op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden dat door anderen een zodanige druk is uitgeoefend op verdachte dat hij daaraan in redelijkheid geen weerstand kon bieden. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep op psychische overmacht verwerpen.
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van de straf
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 44 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals geadviseerd in het reclasseringsadvies van 8 januari 2026.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft erop gewezen dat verdachte gemotiveerd is om aan de slag te gaan als kapper en als pakketbezorger. Verdachte heeft positief contact met de reclassering en staat achter de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft voorgesteld. Verdachte heeft zelfinzicht en is reeds in detentie met verschillende cursussen gestart. Het is van belang dat verdachte, gelet op zijn jeugdige leeftijd, snel aan de slag gaat met de begeleiding van de reclassering. Gelet op het reclasseringsrapport, de motivatie van verdachte en de context van de zaak waarbij verdachte van begin af aan heeft aangegeven onder dwang te hebben gehandeld, heeft de raadsman de rechtbank gevraagd te volstaan met een gevangenisstraf die gelijk is aan het voorarrest. Daarnaast kan een voorwaardelijk strafdeel met de geadviseerde voorwaarden en eventueel een taakstraf worden opgelegd.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich samen met zijn mededader [medeverdachte] schuldig gemaakt aan het medeplegen van een gewapende overval op de winkel [bedrijf] in Geldermalsen. Verdachte sloeg met een hamer een vitrine in en vulde vervolgens een tas met camera’s en cameralenzen. Zijn mededader liep achter de toonbank door het kantoor binnen en bedreigde drie aanwezige medewerkers met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een bedreiging, nu mededader [medeverdachte] tijdens de vlucht vanuit de [bedrijf] een omstander heeft bedreigd met het nepwapen. Slachtoffers van dergelijke overvallen kunnen daarvan veelal langdurige en ernstige psychische gevolgen ondervinden. Met zijn handelswijze heeft verdachte het gevoel van veiligheid van de slachtoffers aangetast. Daarnaast veroorzaken dergelijke feiten veel maatschappelijke onrust en een toename van gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Dit geldt temeer nu verdachte en zijn mededader de overval op klaarlichte dag hebben gepleegd en er ten tijde van de overval veel winkelend publiek in het centrum van Geldermalsen was. Veel van die omstanders zijn getuige geweest van de overval en een aantal van hen heeft verdachte en zijn mededader op de vlucht achtervolgd en staande proberen te houden. Eén van die omstanders is daarbij zelfs gewond geraakt omdat hij door de vluchtauto overreden werd, die werd bestuurd door een onbekend gebleven persoon.
Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op een uittreksel uit het justitiële documentatieregister van 6 oktober 2025 waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit met een (vuur)wapen. Daarbij is aan hem een gedeeltelijk voorwaardelijke jeugddetentie opgelegd als straf. Deze eerder aan hem opgelegde straf, waarvan verdachte tijdens de onderhavige feiten nog in de proeftijd liep, heeft hem er niet van weerhouden opnieuw een dergelijk strafbaar feit te plegen. De rechtbank houdt hier dan ook in het nadeel van verdachte rekening mee.
De rechtbank heeft verder acht geslagen op de reclasseringsrapportage van Reclassering Nederland d.d. 8 januari 2026. De reclassering beschrijft dat verdachte een bewogen jeugd kent waarbij hij op jonge leeftijd al met politie en justitie in aanraking kwam. Op 18-jarige leeftijd werd verdachte voor het eerst veroordeeld vanwege verboden vuurwapenbezit. Hiervoor kreeg verdachte een jeugdreclasseringstraject opgelegd met bijzondere voorwaarden. De reclassering is van mening dat in dit traject te weinig doelen zijn bereikt waardoor er nog altijd sprake is van een grote mate van instabiliteit op diverse leefgebieden. Verdachte is begonnen aan meerdere studies, maar heeft deze niet weten af te ronden. Verdachte is niet in staat een baan langer dan drie weken vast te houden. De reclassering had vernomen dat de vader van verdachte (aanvankelijk) niet meer wilde dat verdachte thuis woonde, nu hij met zijn (delict-)gedrag zorgt voor te veel onrust en onveiligheid binnen het gezin. Uit de referenteninformatie komt naar voren dat verdachte problematisch cannabis gebruikt. Tevens kampt verdachte met schulden van zijn niet afgeronde studies en nog te betalen boetes. Ook het netwerk waar verdachte zich in begeeft is (deels) negatief en hij lijkt daardoor te worden beïnvloed. De instabiliteit op de diverse leefgebieden lijkt bij te dragen aan zijn delictgedrag. Als beschermende factor noemt de reclassering dat verdachte goed in contact staat met zijn coach van E25. Verdachte was bij E25 begonnen met een kappersopleiding om een startkwalificatie voor de arbeidsmarkt te kunnen behalen. Uit de onlangs uitgevoerde verdiepingsdiagnostiek komen aanwijzingen naar voren om verdachte verder psychi(atri)sch te onderzoeken om zo een diagnose te kunnen stellen en gerichte behandeling op te kunnen starten. Tevens hebben de onderzoekers een stoornis in het cannabisgebruik vastgesteld waarvoor eveneens een behandeling noodzakelijk wordt geacht. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld-hoog. Bij een veroordeling adviseert de reclassering om een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen: een meldplicht bij de reclassering, het volgen van de gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, het ondergaan van diagnostiek en een ambulante behandeling, verblijf in een beschermde woonvorm (indien nodig), een verbod voor het gebruik van verdovende middelen, een contactverbod met de slachtoffers en de medeverdachte(n), en het hebben van dagbesteding. De rechtbank neemt dit advies over.
Gelet op de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat niet met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan worden volstaan. De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) geeft als oriëntatiepunt voor een overval van een winkel met licht geweld of bedreiging met geweld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee jaren. In dit geval zijn bovendien meerdere strafverzwarende factoren aan de orde, zoals de omvang van de schade, het feit dat sprake is van medeplegen en het gebruik van een nepwapen. Verder geven de oriëntatiepunten voor een bedreiging waarbij een (nep) vuurwapen wordt getoond (feit 2) als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden. In strafverzwarende zin neemt de rechtbank ook mee dat de overval heeft plaatsgevonden op klaarlichte dag, waarbij sprake is van meerdere slachtoffers. Verder neemt de rechtbank in strafverzwarende zin mee dat verdachte recent is veroordeeld voor verboden wapenbezit. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 36 maanden passend en geboden. Om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen en omdat de rechtbank het belang inziet van de geadviseerde voorwaarden, zal zij van deze gevangenisstraf een gedeelte van zes maanden voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van drie jaar. Aan dit voorwaardelijke deel zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
8. De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [aangever 1] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 250,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft gevraagd om hoofdelijke toewijzing van de vordering.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Overweging van de rechtbank
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank overweegt dat de schadepost niet is betwist. Hoewel de vordering niet is onderbouwd door middel van stukken, heeft de benadeelde partij ter terechtzitting evenwel toegelicht dat er schade is vergoed door de verzekering, maar dat hij een bedrag van € 250,- aan eigen risico heeft moeten betalen. De rechtbank overweegt dat het gebruikelijk is dat er een bedrag aan eigen risico door verzekeraars wordt gerekend en acht het door de benadeelde gevorderde bedrag redelijk. De rechtbank maakt gebruik van haar schattingsbevoegdheid en schat de schade op € 250,-.
Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
Verdachte is vanaf 17 juli 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
Hoofdelijke toewijzing
De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte(n) ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte(n) de schade heeft/hebben vergoed.
9. De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 10.118935.23)
De rechtbank Rotterdam heeft verdachte op 22 augustus 2023 veroordeeld tot (onder meer) een voorwaardelijke jeugddetentie van 16 dagen.
De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van die straf.
De raadsman heeft bepleit dat de vordering dient te worden afgewezen, nu het een ouder feit betreft en het om een heel ander soort strafbaar feit gaat.
Bewezen is dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, reden waarom de rechtbank van oordeel is dat de voorwaardelijk opgelegde straf ten uitvoer moet worden gelegd. De rechtbank overweegt daarbij bovendien dat de vordering tenuitvoerlegging ziet op een overtreding van de Wet wapens en munitie, en de bewezenverklaarde feiten zien op een gewapende overval en een bedreiging met een nepwapen, zodat er geen sprake is van een ander soort feit.
10. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 57, 285 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
11. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij reclassering Nederland op het adres Marconistraat 2 te Rotterdam , telefoonnummer 088 804 1302;
verdachte binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa of CoVa-plus van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;
verdachte zich gedurende de proeftijd laat diagnosticeren en de daaruit voortvloeiende behandeling zal volgen bij een nog nader te bepalen behandelsetting, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo spoedig mogelijk na het ingaan van de proeftijd. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, cognitieve vaardigheden en sociale vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
verdachte - indien nodig - gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een beschermde woonvorm of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start indien dit door de reclassering wordt geïndiceerd bij het wegvallen en/of wanneer er problemen ontstaan bij het wonen in zijn ouderlijk huis. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
verdachte gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn: urineonderzoek en/of ademonderzoek en/of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met de slachtoffers ( [aangever 1] , [aangever 2] , [aangever 3] en [aangever 4] );
verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met de mededaders, waaronder medeverdachte [medeverdachte] ;
verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
beveelt dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
beveelt de tenuitvoerlegging van de op 22 augustus 2023 door de rechtbank voorwaardelijk opgelegde straf, te weten 16 dagen jeugddetentie (parketnummer 10.118935.23);
bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.M.A. Arts (voorzitter), mr. M.A. van Leeuwen en mr. S. Jansen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V. Buscop, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 februari 2026.