RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/469784 / HZ ZA 26-254
Vonnis in incident van 2 september 2026
in de zaak van
CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS,
te Den Haag,
eisende partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident tot verwijzing wegens verknochtheid
verwerende partij in het bevoegdheidsincident,
hierna te noemen: COA,
advocaat: mr. A.G.A. van Rappard,
tegen
1. [gedaagde 1] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,2. [gedaagde 2],
te [woonplaats] ,3. [gedaagde 3],
te [vestigingsplaats] ,4. [gedaagde 4] C.V.,
te [vestigingsplaats] ,5. [gedaagde 5] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,6. [gedaagde 6],
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
verwerende partijen in het incident tot verwijzing wegens verknochtheid,
eisende partijen in het bevoegdheidsincident,
hierna samen te noemen: [gedaagde ] ,
advocaat: mr. M.A. Oostendorp.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met een incidentele vordering tot verwijzing wegens verknochtheid van COA
- de incidentele vordering houdende exceptie van onbevoegdheid tevens conclusie van antwoord in incidentele vordering tot verwijzing van [gedaagde ]
- de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident van COA c.s..
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. De (hoofd)zaak in het kort
COA en [gedaagde 1] (hierna: [gedaagde 1] ) hebben in de periode van mei 2022 tot en met december 2024 met elkaar samengewerkt op basis van raamovereenkomsten en bijbehorende allonges (hierna: de overeenkomsten). Deze overeenkomsten zagen op de (tijdelijke) huisvesting van asielzoekers in hotelkamers. Tussen partijen is een geschil ontstaan over de omstandigheden waaronder de overeenkomsten tot stand zijn gekomen en de al dan niet correcte nakoming van de daaruit voortvloeiende verbintenissen. Het voornaamste geschilpunt tussen partijen is of de overeenkomsten moeten worden gekwalificeerd als huurovereenkomsten of overeenkomsten van opdracht (bemiddeling). COA vordert in de hoofdzaak:
jegens [gedaagde 1]
I. te verklaren voor recht dat de raamovereenkomsten kwalificeren als een overeenkomst van opdracht, meer in het bijzonder als een bemiddelingsovereenkomst, althans als een overeenkomst van lastgeving, althans als een gemengde overeenkomst met kenmerken van opdracht en/of bemiddeling en/of lastgeving,
II. te verklaren voor recht dat [gedaagde 1] toerekenbaar tekort is geschoten jegens COA in de nakoming van de verbintenissen voortvloeide uit de raamovereenkomsten, onder meer doordat [gedaagde 1] bij de uitvoering daarvan niet de zorg van een goed opdrachtnemer in acht heeft genomen als bedoeld in artikel 7:401 BW en/of heeft gehandeld in strijd met artikel 7:417 BW en/of artikel 7:418 BW,
III. te verklaren voor recht dat [gedaagde 1] dientengevolge geen recht heeft op loon en/of ingevolge artikel 6:74 BW aansprakelijk is voor de schade die COA als gevolg van deze tekortkoming heeft geleden,
IV. te verklaren voor recht dat de overeenkomsten onder invloed van bedrog, althans misbruik van omstandigheden, althans dwaling tot stand zijn gekomen, in het bijzonder voor het gedeelte dat daarmee winst, althans bovenmatige winst is gemaakt, en daarom partieel vernietigbaar zijn,
V. de overeenkomsten partieel te vernietigen op grond van artikel 3:44 BW lid 3 en/of artikel 3:44 lid 4 BW en/of artikel 6:228 BW lid 1 onder a BW en/of artikel 6:228 lid 1 onder b BW, althans, subsidiair, de gevolgen van de overeenkomsten op de voer van artikel 3:54 lid 2 BW of artikel 6:230 lid 2 BW te wijzigen, ter opheffing van het nadeel dat COA wegens dwaling of misbruik van omstandigheden heeft geleden,
VI. te verklaren voor recht dat COA recht heeft op terugbetaling van de door [gedaagde 1] gemaakte (bovenmatige) winst, althans voor recht te verklaren dat COA recht heeft op terugbetaling van hetgeen het uit hoofde van de overeenkomsten onverschuldigd aan [gedaagde 1] heeft betaald,
VII. te verklaren voor recht dat de overeenkomsten rechtsgeldig zijn geëindigd op 31 december 2024, althans op een in goede justitie te bepalen datum,
jegens [gedaagde ]
VIII. voor recht te verklaren dat [gedaagde ] , ieder afzonderlijk, onrechtmatig heeft gehandeld jegens COA door te handelen in strijd met wat volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt,
IX. voor recht te verklaren dat [gedaagde ] hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die COA heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van [gedaagde ] ,
X. [gedaagde ] hoofdelijk, dan wel afzonderlijk al dan niet voor gelijke delen, te veroordelen tot betaling aan COA van een bedrag van € 167.636.748, althans € 147.191.673, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, zulks met bepaling dat daarover de wettelijke handelsrente verschuldigd zal zijn met ingang van 1 januari 2025, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening,
XI. [gedaagde ] hoofdelijk, dan wel afzonderlijk al dan niet voor gelijke delen, te veroordelen tot betaling van de overige schade die COA vanaf 1 januari 2025 heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de tekortkoming dan wel het onrechtmatig handelen van [gedaagde ] , nader op te maken bij staat,
XII. [gedaagde ] hoofdelijk, dan wel afzonderlijk al dan niet voor gelijke delen, te veroordelen tot betaling van € 6.775 aan COA aan buitengerechtelijke incassokosten,
XIII. [gedaagde ] hoofdelijk, dan wel afzonderlijk al dan niet voor gelijke delen, te veroordelen in de kosten van deze procedure, de nakosten daaronder begrepen, conform het liquidatietarief begroot op € 173, dan wel in het geval van betekening, € 271, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na vonniswijziging.
Naast onderhavige procedure is tussen [gedaagde 1] en COA een procedure aanhangig bij de kantonrechter van de rechtbank Den Haag. Deze procedure gaat eveneens over de overeenkomsten en de kwalificatie en nakoming daarvan. In deze procedure vordert [gedaagde 1] – zo blijkt uit de door haar overgelegde dagvaarding – het volgende:
I. veroordeling van COA tot betaling van het bedrag van € 12.800.029,53 (ter zake de als productie 36 overgelegde facturen tot en met 31 december 2024 die het COA deels onbetaald heeft gelaten) althans een duur de kantonrechter te bepalen bedrag, een en ander te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de datum van opeisbaarheid per individuele factuur tot de dag van volledige voldoening althans vanaf een door de kantonrechter te bepalen datum,
II. veroordeling van COA tot betaling van de schade van € 26.999.168,00, althans een door de kantonrechter te bepalen schadebedrag, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2025 – de datum waarop de vroegtijdige beëindiging van de (raam)huurovereenkomst en de allonges is ingegaan althans een door de kantonrechter te bepalen datum tot aan de dag van volledige voldoening,
III. veroordeling van COA tot betaling van de proceskosten.
3. Het geschil in de incidenten
COA vordert op grond van artikel 220 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) verwijzing van de onderhavige procedure tussen COA en [gedaagde ] naar de rechtbank Den Haag, sector civiel.
COA legt aan haar vordering ten grondslag dat deze procedure verknocht is aan de procedure tussen [gedaagde 1] en COA die eerder aanhangig is gemaakt bij de kantonrechter van de rechtbank Den Haag.
[gedaagde ] voert verweer. Zij concludeert tot afwijzing van de door COA ingestelde incidentele vordering. Volgens [gedaagde ] is niet de rechtbank, maar de kantonrechter bevoegd om van het geschil (tussen COA en [gedaagde 1] ) kennis te nemen. Verder heeft [gedaagde 1] een eigen incidentele vordering ingesteld waarin zij vordert dat deze rechtbank zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van het geschil tussen COA en [gedaagde 1] en deze in de stand waarin die zich bevindt te verwijzen naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank.
COA voert verweer tegen de door [gedaagde 1] ingestelde incidentele vordering. Zij concludeert tot afwijzing daarvan. Volgens [gedaagde 1] is de kamer voor andere zaken dan kantonzaken bevoegd om kennis te nemen van het geschil tussen [gedaagde 1] en COA. Voor zover deze rechtbank zich onbevoegd verklaard en de procedure tussen [gedaagde 1] en COA naar de kantonrechter verwijst, verzoekt COA de rechtbank om de ingestelde vorderingen jegens de andere gedaagden – gelet op de samenhang met de vordering jegens [gedaagde 1] – eveneens te verwijzen naar de kantonrechter.
4. De beoordeling in de incidenten
Ontvankelijkheid COA
Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde ] is dat COA niet-ontvankelijk is in haar vorderingen in het incident (en in de hoofdzaak) wegens schending van de waarheidsplicht (artikel 21 Rv). Op grond van artikel 21 Rv zijn partijen verplicht de feiten die van belang zijn volledig en naar waarheid aan te voeren. Als partijen dat niet doen, kan de rechter daar consequenties aan verbinden.
[gedaagde ] verwijt COA dat zij – terwijl zij de onjuistheid van dat standpunt volgens [gedaagde ] zou moeten kennen – in deze procedure blijft betogen dat de overeenkomsten kwalificeren als overeenkomst van opdracht. De rechtbank stelt voorop dat de vraag hoe de rechtsverhouding tussen partijen moet worden gekwalificeerd een rechtsvraag betreft die door de rechtbank dient te worden beoordeeld. Het staat partijen in beginsel vrij hieromtrent standpunten in te nemen. Duidelijk is dat [gedaagde ] meent dat het door COA ingenomen standpunt – dat sprake is van overeenkomsten van opdracht – onjuist is. Dit op zichzelf betekent evenwel niet dat COA dit standpunt niet mag innemen.
Volgens [gedaagde ] heeft COA verder voor de beslissing in deze zaak van belang zijnde stukken – waaruit zou blijken dat de overeenkomsten kwalificeren als huurovereenkomsten – verzwegen. Het gaat hierbij volgens [gedaagde ] – kennelijk – om de volgende stukken:
een antwoord op Kamervragen van de Minister van Migratie & Asiel uit 2024;
een vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 3 juni 2025;
een vonnis van de rechtbank Den Haag van 11 februari 2026.
De rechtbank is van oordeel dat COA niet heeft gehandeld in strijd met de in artikel 21 Rv neergelegde waarheidsplicht. Zoals COA terecht opmerkt, heeft zij het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 3 juni 2025 wel overgelegd in deze procedure (productie 27 bij dagvaarding). Van de overige twee stukken heeft COA toegelicht waarom zij deze niet in het geding heeft gebracht, te weten dat de stukken volgens haar niet relevant zijn voor de beoordeling van onderhavig geschil. Gelet op die toelichting is de rechtbank onvoldoende gebleken van het bewust achterhouden van voor de beoordeling relevante feiten. Bovendien is niet gebleken dat [gedaagde ] door het niet in het geding brengen van voornoemde stukken in haar (verdedigings)belang is geschaad. [gedaagde ] heeft immers de mogelijkheid gehad (en benut) om op deze stukken te wijzen. De zaak zal hierna dan ook inhoudelijk worden behandeld.
Verwijzing
Een incidentele vordering tot verwijzing kan worden ingesteld indien zaken die reeds eerder bij een andere gewone rechter van gelijke rang aanhangig zijn gemaakt tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp, of in geval de zaak verknocht is aan een zaak die reeds bij een andere gewone rechter van gelijke rang aanhangig is (artikel 220 Rv). Van verknochtheid is sprake als de feitelijke of juridische geschilpunten in de ene zaak identiek zijn aan die in de andere zaak, dan wel dat zij daarmee zodanige samenhang vertonen dat consistentie van de uitspraken wenselijk is. Dat de zaken aanhangig zijn tussen verschillende partijen is daarbij niet relevant.
De rechtbank is van oordeel dat de door COA tegen [gedaagde 1] ingestelde vorderingen (I tot en met VII) in deze procedure verknocht zijn aan de procedure die [gedaagde 1] bij de kantonrechter van de rechtbank Den Haag aanhangig heeft gemaakt jegens COA. In beide zaken moet immers geoordeeld worden over de aard van de overeenkomsten – of het gaat om huur of om bemiddeling – en de vraag of partijen over en weer de daaruit voortvloeiende verbintenissen (correct) zijn nagekomen. De samenhang tussen deze vorderingen lijkt tussen partijen ook niet in geschil te zijn. [gedaagde ] voert over de vorderingen van COA jegens [gedaagde 1] in deze procedure en die van [gedaagde 1] jegens COA in de procedure bij de kantonrechter van de rechtbank Den Haag zelf namelijk ook aan dat sprake is van voldoende samenhang en dat deze samenhang zich tegen afzonderlijke behandeling verzet.
Ook de vorderingen die COA in deze procedure instelt jegens alle gedaagden (VIII tot en met XIII) zijn naar het oordeel van de rechtbank verknocht aan de geschilpunten tussen [gedaagde 1] en COA in de procedure bij de kantonrechter van de rechtbank Den Haag (en overigens ook aan de vorderingen die COA in deze procedure instelt jegens [gedaagde 1] ). De overige gedaagden in deze procedure zijn de (indirect) bestuurders en aandeelhouders van [gedaagde 1] . Zij worden door COA aangesproken op grond van onrechtmatige daad en/of bestuurdersaansprakelijkheid. Voor de beoordeling van deze vorderingen is eveneens van belang hoe de overeenkomsten tussen COA en [gedaagde 1] kwalificeren en of de daaruit voortvloeiende verbintenissen door [gedaagde 1] (correct) zijn nagekomen. [gedaagde ] lijkt deze samenhang ook te onderkennen. Zij voert namelijk aan dat de grondslag van de vorderingen jegens de bestuurders/aandeelhouders vervalt indien komt vast te staan dat sprake is van een huurovereenkomst tussen COA en [gedaagde 1] .
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het met het oog op de consistentie van de uitspraken in deze procedure en de procedure die aanhangig is bij de kantonrechter van de rechtbank Den Haag wenselijk dat beide zaken door dezelfde rechter worden beoordeeld en beslist.
De door COA gevorderde verwijzing naar de rechtbank Den Haag, sector civiel kan echter niet worden toegewezen. Uit de toelichting van haar incidentele vordering maakt de rechtbank op dat COA hiermee voorstaat dat de zaak wordt verwezen naar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken bij de rechtbank Den Haag. De procedure tussen [gedaagde 1] en COA is echter niet aanhangig bij deze kamer van de rechtbank Den Haag, zodat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 220 lid 1 Rv.
COA is bij haar incidentele vordering – zo blijkt uit haar toelichting daarop – uitgegaan van de veronderstelling dat rechtstreekse verwijzing van deze procedure naar de kantonrechter van de rechtbank Den Haag niet mogelijk is op de voet van artikel 220 Rv. De tweede volzin van lid 1 van artikel 220 Rv stelt echter buiten twijfel dat een procedure rechtstreeks kan worden verwezen door een kamer voor andere zaken dan kantonzaken naar een kamer voor kantonzaken, zo blijkt ook uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 220 Rv:
“[…] Is de oudste zaak bij de kantonrechter van het ene gerecht in behandeling, dan zal de jongere zaak, die bij een ander gerecht wordt behandeld door een niet-kantonrechter, op grond van het eerste lid in één keer kunnen worden verwezen naar de kantonrechter van het eerste gerecht.[…]”
Hoewel COA geen verwijzing naar de kantonrechter van de rechtbank Den Haag heeft gevorderd, kan de rechtbank ook ambtshalve de zaak naar een andere rechter verwijzen (zo blijkt uit artikel 220 lid 1 Rv). Gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverwegingen 4.6 tot en met 4.8 is de rechtbank voornemens om deze zaak in de stand waarin zij zich bevindt te verwijzen naar de kamer voor kantonzaken van de rechtbank Den Haag. Voordat de rechtbank hiertoe overgaat, zal zij partijen eerst in de gelegenheid stellen zich – bij korte akte – uit te laten over deze voorgenomen verwijzing.
[gedaagde ] heeft in haar conclusie van antwoord in het verwijzingsincident verzocht om – indien de rechtbank beslist dat de zaak moet worden verwezen naar de rechtbank Den Haag – haar toe te staan tussentijds hoger beroep in te stellen tegen het vonnis in incident. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dient [gedaagde ] zich ook uit te laten over of zij dit verzoek wenst te handhaven indien de rechtbank de zaak verwijst naar de kantonrechter van de rechtbank Den Haag.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
5. De beslissing
De rechtbank
in het incident
verwijst de zaak naar de rol van 16 september 2026 voor akte uitlaten door partijen over hetgeen is bepaald in rechtsoverwegingen 4.11 en 4.12,
in het incident en in de hoofdzaak
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.H.A. Heenk en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
RG/KH