uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[verzoeker], uit [plaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. M. Jozefzoon-Flipse),
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(gemachtigde: mr. M.M. Remmelts).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van de minister in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen het besluit van de minister van 12 april 2021. Hij heeft het beroep ingetrokken omdat de minister op 30 oktober 2025 dit besluit heeft vervangen en de opgebouwde schuld van eiser heeft kwijtgescholden.
De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De minister heeft de rechtbank meegedeeld dat hij de proceskosten zal vergoeden.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
Is de minister aan verzoeker tegemoetgekomen?
4. De rechtbank moet dus beoordelen of de minister geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen.
Op 21 mei 2021 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het bestreden besluit waarin zijn bezwaar ongegrond is verklaard. De minister heeft op 30 oktober 2025 het bezwaar van eiser alsnog gegrond verklaard en de opgebouwde schuld van eiser kwijtgescholden. Hiermee is de minister tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker.
Welk bedrag aan proceskosten moet de minister aan verzoeker vergoeden?
5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoeker krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en aan de zitting van
5 juni 2025 van de rechtbank deelgenomen. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868.
Daarnaast heeft verzoeker recht op vergoeding van zijn reiskosten. De rechtbank stelt de reiskosten vast op € 35,60. Dit bedrag is gebaseerd op een vergoeding op basis van kosten voor het openbaar vervoer 2e klas van station Culemborg naar station Arnhem en retour.
Krijgt verzoeker een vergoeding van het griffierecht?
6. Omdat de minister aan verzoeker tegemoet is gekomen, is de minister verplicht het door verzoeker betaalde griffierecht van € 49 te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. C. Ebbers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.