RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05/881720-18
Datum uitspraak : 30 oktober 2026
Tegenspraak
verkort vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1983 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , in [woonplaats] .
Raadsman: mr. A.C. Vingerling, advocaat in Utrecht.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode 1januari 2017 tot en met 18 juni 2019 te Zutphen en/of (elders) in Nederland en/of in Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) van het (mede)plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), (telkens)
a. a) van een contant geldbedrag van (in totaal) EUR 54.950 en/of EUR 27.400 ( [adres] ) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dit voorwerp c.q. deze voorwerpen is/zijn en/of deze voorwerpen voorhanden gehad en/of
b) van een contant geldbedrag van (in totaal) EUR 12.000 en/of een horloge (Rolex Submariner) [adres] de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dit voorwerp is en/of dit voorwerp voorhanden gehad en/of
c) een of meer (contant(e)) geldbedrag(en) van (in totaal) EUR 175.952,18 (zie eenvoudige kasopstelling) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt door dit/deze geldbedrag(en) te besteden aan (onder andere) levensonderhoud, verbouwingen, inrichtingskosten, brandstof, vakantie(s), gokken en/of betaling van boetes, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s), (telkens) wist(en) dan wel redelijkerwijs moesten vermoeden, dat voornoemd(e) geldbedrag(en) onmiddellijk of middellijk (mede) afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
2.
hij op of omstreeks 18 juni 2019 te Zutphen
- een (omgebouwd) gaspistool (merk Zoraki en/of model M-906 en/of kaliber 7.65mm), zijnde een (gebruiksklaar) (vuur)wapen van categorie III onder 1 en/of
- een hoeveelheid munitie bestemd en/of geschikt voor voormeld (vuur)wapen en/of een grote hoeveelheid munitie bestemd en/of geschikt voor een (automatisch) vuurwapen van het type AK47 Kalasjnikov, zijnde een (grote) hoeveelheid munitie van categorie III onder 1,
(telkens) zijnde een wapen en/of munitie van categorie III voorhanden heeft gehad.
2. Procesafspraken
Het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben de rechtbank op 24 augustus 2026 een afdoeningsvoorstel doen toekomen. Daarmee zou de onderhavige zaak op korte termijn tot een einde kunnen komen. In dat afdoeningsvoorstel zijn diverse afspraken opgenomen, die, na enkele overeengekomen aanpassingen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting, als volgt luiden:
De verdediging:
Het Openbaar Ministerie:
Het OM zal ter zitting rekwireren tot:
1 - een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen, waarvan 164 dagen voorwaardelijk, waarbij de periode dat verdachte in voorarrest heeft gezeten in mindering zal worden gebracht. De proeftijd wordt daarbij vastgesteld op 2 jaren en
2 - een taakstraf voor de duur van 200 uren. Indien deze taakstraf niet naar behoren
wordt verricht zal deze taakstraf worden vervangen door 100 dagen hechtenis;
- bepalingen met betrekking tot de financiële verrekening:
1 - De verdachte betwist niet dat hij uit de (mede) door hem gepleegde strafbare feiten
wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten, te weten een bedrag van € 127.500;
2 - Verdachte doet afstand van het onder hem gelegde waardebeslag ter waarde van een bedrag van € 117.280. Als onderdeel van de procesafspraak zal de restende betalingsverplichting van € 10.220 op nihil worden gesteld.
Overige voorwaarden:
Voorafgaand aan de behandeling ter terechtzitting heeft de rechtbank aan de officier van justitie een aantal vragen gesteld over de procesafspraken. Deze zijn door de officier van justitie beantwoord. Ter terechtzitting van 9 oktober 2026 heeft de rechtbank nader onderzoek gedaan naar de procesafspraken. Daarbij waren verdachte en zijn raadsman aanwezig.
De rechtbank heeft daarbij te kennen gegeven dat als het verhandelde ter terechtzitting en de beraadslagingen in raadkamer aanleiding geven om af te wijken van de procesafspraken, er geen eindvonnis zal worden gewezen maar een tussenvonnis. De zaak zal dan heropend worden en inhoudelijk worden behandeld door een andere zittingscombinatie.
De overwegingen van de rechtbank over de procesafspraken.
De rechtbank overweegt dat de rechter alleen acht kan slaan op door het Openbaar Ministerie en de verdediging opgestelde procesafspraken als gewaarborgd is dat wordt voldaan aan de eisen die artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden stelt. Deze waarborg is in het bijzonder van belang omdat in de regel mede van een dergelijke overeenkomst deel uitmaakt dat de verdachte afziet van de uitoefening van bepaalde aan hem toekomende verdedigingsrechten.
Verdachte heeft ter terechtzitting van 9 oktober 2026 onder meer het volgende verklaard:
‘Ik realiseer me wat de procesafspraken inhouden en ik sta erachter.’
Verdachte heeft daarmee bevestigd achter de procesafspraken te staan, onder meer inhoudende dat geen onderzoekswensen worden ingediend, geen verweer wordt gevoerd, hij kan instemmen met een bewezenverklaring overeenkomstig de overgelegde ‘uitgestreepte’ tenlastelegging in combinatie met de nadere omschrijving tenlastelegging zoals besproken en toegewezen op de zitting en dat geen hoger beroep wordt ingesteld indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform (binnen de bandbreedte van) de gemaakte procesafspraken.
Met inachtneming van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte, die gedurende het proces is bijgestaan door een raadsman, vrijwillig, op basis van voldoende duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. De rechtbank heeft zich er bij de inhoudelijke behandeling op 9 oktober 2026 van vergewist dat verdachte nog altijd achter de gemaakte afspraken staat. Daarnaast heeft de rechtbank getoetst of de procesafspraken, gelet op wat is bepaald in de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering, stand kunnen houden. Ten slotte overweegt de rechtbank dat zij actief door partijen op de hoogte is gehouden van de procedure en de voortgang daarvan.
Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat zij acht kan slaan op het voornoemde afdoeningsvoorstel. Daarom zal de rechtbank beslissen als hieronder weergegeven.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij in of omstreeks de periode 1 januari 2017 tot en met 18 juni 2019 te Zutphen en/of (elders) in Nederland en/of in Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) van het (mede)plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), (telkens)
a. a) van een contant geldbedrag van (in totaal) EUR 54.950 en/of EUR 27.400 ( [adres] ) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dit voorwerp c.q. deze voorwerpen is/zijn en/of deze voorwerpen voorhanden gehad en/of
b) van een contant geldbedrag van (in totaal) EUR 12.000 en/of een horloge (Rolex Submariner) [adres] de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dit voorwerp is en/of dit voorwerp voorhanden gehad en/of
c) een of meer (contant(e)) geldbedrag(en) van (in totaal) EUR 175.952,18 (zie eenvoudige kasopstelling) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt door dit/deze geldbedrag(en) te besteden aan (onder andere) levensonderhoud, verbouwingen, inrichtingskosten, brandstof, vakantie(s), gokken en/of betaling van boetes, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s), (telkens) wist(en) dan wel redelijkerwijs moesten vermoeden, dat voornoemd(e) geldbedrag(en) onmiddellijk of middellijk (mede) afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
2.
hij op of omstreeks 18 juni 2019 te Zutphen
- een (omgebouwd) gaspistool (merk Zoraki en/of model M-906 en/of kaliber 7.65mm), zijnde een (gebruiksklaar) (vuur)wapen van categorie III onder 1 en/of
- een hoeveelheid munitie bestemd en/of geschikt voor voormeld (vuur)wapen en/of een grote hoeveelheid munitie bestemd en/of geschikt voor een (automatisch) vuurwapen van het type AK47 Kalasjnikov, zijnde een (grote) hoeveelheid munitie van categorie III onder 1,
(telkens) zijnde een wapen en/of munitie van categorie III voorhanden heeft gehad.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben. De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1:
medeplegen van gewoontewitwassen;
Feit 2:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en munitie van categorie III.
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft overeenkomstig het afdoeningsvoorstel gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen, waarvan 164 voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast moet verdachte een taakstraf verrichten van 200 uur, te vervangen door 100 dagen vervangende hechtenis bij het niet of niet goed voldoen daarvan.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht overeenkomstig de procesafspraken te beslissen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich meerdere jaren samen met een ander schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen. Hij heeft zich hiermee een luxe levensstijl aangemeten die niet in overeenstemming was met zijn legale inkomsten. Het witwassen van dergelijke grote geldbedragen is een zeer ondermijnende vorm van criminaliteit. Door het handelen van verdachte is de integriteit van en het vertrouwen in het financiële en economische verkeer aangetast. Daarnaast draagt witwassen bij aan de instandhouding van criminaliteit. Witwassen dekt immers de onderliggende strafbare feiten af en faciliteert aldus andere – winstgevende – vormen van criminaliteit. Dit wordt de verdachte aangerekend.
Daarnaast was verdachte in het bezit van een vuurwapen en een grote hoeveelheid scherpe munitie. Het wapen en de munitie lagen op een toegankelijke plek in de woning van verdachte waar hij met zijn partner en dochtertje woonde. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens en munitie vormt naast een gevaarlijke thuissituatie ook een onaanvaardbaar risico voor de algemene veiligheid binnen de samenleving. Vuurwapens worden dikwijls gebruikt bij het plegen van ernstige strafbare feiten. Het voorhanden hebben van een vuurwapen brengt dan ook gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweeg.
Door de toename in het aantal, de omvang en de complexiteit van strafzaken met betrekking tot de georganiseerde drugs- en vermogenscriminaliteit komt de efficiëntie en de effectiviteit van de strafrechtspleging onder druk te staan. Omdat verdachte meewerkt aan een procedure die uiteindelijk tot tijdswinst leidt, is een matiging van de straf gerechtvaardigd. De behandeling van deze strafzaak duurt inmiddels al geruime tijd en zou bij een eventueel hoger beroep nog meerdere jaren kunnen duren. Ook zorgt deze procedure ervoor dat de opgelegde straf sneller kan worden geëxecuteerd.
De rechtbank is van oordeel dat het afdoeningsvoorstel betreffende de strafoplegging in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak en rekening houdt met de aanzienlijke mate waarin de redelijke termijn is overschreden, alsmede met een recente veroordeling (artikel 63 Sr). Bovendien heeft verdachte afstand gedaan van een groot geldbedrag en een Rolex die onder hem in beslag zijn genomen, waarmee ook een ontnemingsprocedure is voorkomen en het crimineel verdiende vermogen voor een groot deel is gecompenseerd.
Het voorstel dient een efficiënte en voortvarende behandeling en afdoening. Nu de rechtbank in lijn met het afdoeningsvoorstel oordeelt, vloeit daaruit voort dat het belang bij een behandeling van de zaak in hoger beroep ontbreekt. Partijen hebben ter zitting aangegeven dat zij zich zullen neerleggen bij een vonnis als de strafoplegging binnen de in het afdoeningsvoorstel opgenomen kaders blijft. De op te leggen straf kan daarmee onmiddellijk ten uitvoer worden gelegd. Het afdoeningsvoorstel doet daarmee ook recht aan de belangen van de maatschappij.
De rechtbank legt aan verdachte overeenkomstig het afdoeningsvoorstel een gevangenisstraf van 300 dagen op, waarvan 164 voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast legt de rechtbank aan verdachte een taakstraf van 200 uren op, bij het niet of niet goed voldoen daarvan te vervangen door 100 dagen hechtenis.
8. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 63 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht;
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
9. De beslissing
De griffier is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 300 (driehonderd) dagen;
bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 164 (honderdvierenzestig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
legt op een taakstraf van 200 (tweehonderd) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 (honderd) dagen.