RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummers: 05/145419-25; 05/005883-23 (tul); 05/201069-24 (tul); 05/220034-23 (tul).
Datum uitspraak : 5 februari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in [plaats] .
Raadsvrouw: mr. M.J.R. Roethof, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen van 21 augustus 2025, 13 november 2025 en 22 januari 2026.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.zij op of omstreeks 10 mei 2025 te Doetinchem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,- een mes, althans enig gelijkend scherp voorwerp, heeft vastgepakt/vastgehouden,- met voornoemd mes in de hand gericht op die [slachtoffer] is afgerend en/of- met voornoemd mes een of meerdere stekende bewegingen in de richting van het hart en/of de borst en/of de buik van die [slachtoffer] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:zij op of omstreeks 10 mei 2025 te Doetinchem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen- een mes, althans enig gelijkend scherp voorwerp, heeft vastgepakt/vastgehouden,- met voornoemd mes in de hand gericht op die [slachtoffer] is afgerend en/of- met voornoemd mes een of meerdere stekende bewegingen in de richting van het hart en/of de borst en/of de buik van die [slachtoffer] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:zij op of omstreeks 10 mei 2025 te Doetinchem [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door- een mes, althans enig gelijkend scherp voorwerp, vast te pakken/vast te houden,- met voornoemd mes in de hand gericht op die [slachtoffer] af te rennen,- met voornoemd mes een of meerdere stekende bewegingen in de richting van het hart en/of de borst en/of de buik van die [slachtoffer] te maken en/of- die [slachtoffer] daarbij dreigend de woorden toe te voegen "ik rijg je eraan", althans woorden en/of feitelijkheden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
2.zij op of omstreeks 10 mei 2025 te Doetinchem, een ambtenaar, [aangever] (hoofdagent Politie Eenheid Oost-Nederland), gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door die [aangever] in/op/tegen het kruis te schoppen/trappen;
3.zij op of omstreeks 10 mei 2025 te Doetinchem, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [aangever] (hoofdagent Politie Eenheid Oost-Nederland) en/of [ambtenaar] (hoofdagent Politie Eenheid Oost-Nederland) en/of [ambtenaar] (hoofdagent Politie Eenheid Oost-Nederland), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte door- een of meerdere malen met haar armen om zich heen te slaan,- een of meerdere malen wild met haar benen te trappen,- voornoemde [aangever] in/op/tegen het kruis te trappen en/of- een of meerdere malen in tegengestelde richting te bewegen dan waarin voornoemde ambtenaren haar trachtten te bewegen.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair onder 1 ten laste gelegde poging doodslag. Daarnaast heeft de officier van justitie gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 en onder 3 tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair vrijspraak bepleit voor feit 1 wegens onvoldoende overtuigend bewijs, omdat de verklaringen van aangever en de verklaringen van de getuige tegenstrijdigheden bevatten. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat er maximaal sprake is van bedreiging. Verdachte kan de aanmerkelijke kans op de dood niet hebben aanvaard, gelet op de afstand tussen verdachte en aangever en omdat niet bekend is met welke snelheid verdachte aangever is genaderd en met welke kracht zou zijn gestoken. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van feit 2 en feit 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
Ten aanzien van feit 1
Dhr. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 10 mei 2025 naar de tuin van zijn buren liep omdat hij een bonkend geluid hoorde en hij wist dat er voorheen krakers in het pand in Doetinchem zaten. Hij zag een vrouw (verdachte) op het terrein staan en vroeg haar weg te gaan. Zij schreeuwde vervolgens in zijn richting: “dat kan helemaal niet, want ik woon hier”. Daarop wilde [slachtoffer] op zijn telefoon het huurcontract tonen. Verdachte begon daarop in de richting van [slachtoffer] te lopen en had daarbij een scherp voorwerp, een soort priem, vast. Vervolgens maakte zij een steekbeweging in de richting van zijn hart/borst. Die beweging miste hem op een haar naar. Als zijn vriend [naam] hem niet had weggetrokken, dan had zij hem neergestoken. Verdachte schreeuwde onder meer naar hem: “ik rijg je eraan, kom hier dan”, aldus [slachtoffer] .
[slachtoffer] is op de terechtzitting van 22 januari 2026 gehoord als getuige. Daar heeft hij bovenstaande verklaring bevestigd.
[getuige] heeft verklaard dat hij op 10 mei 2025 bij [slachtoffer] op bezoek was. Nadat zij een klap hoorden en naar buiten liepen om te kijken, zag hij een onbekende vrouw op het terrein lopen. [slachtoffer] sprak haar aan dat zij van het terrein af moest. Vervolgens zag hij dat de vrouw met een soort priem of mes op [slachtoffer] af stapte en daarmee een stekende beweging in de richting van [slachtoffer] maakte. Toen hij dat zag, heeft hij [slachtoffer] naar achteren getrokken. Als hij dat niet had gedaan, dan was [slachtoffer] neergestoken door de vrouw. De steekbeweging was ter hoogte van de buik. [getuige] schat de afstand tussen [slachtoffer] en verdachte op 1 à 1,5 meter.
Onder verdachte is een voorwerp in beslaggenomen, te weten een vaststaand mes, meer specifiek een brievenopener met scherpe zijkant. Dit voorwerp is naar zijn aard geschikt om als snij- of steekwapen te gebruiken.
Verdachte heeft verklaard dat dit het voorwerp is wat zij bij zich had toen zij op het terrein was om haar post op te halen. Verdachte zegt dat zij richting [slachtoffer] is gelopen maar ontkent dat zij met de brievenopener een stekende beweging in zijn richting heeft gemaakt.
Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de verklaringen van [slachtoffer] en [getuige] omdat deze verklaringen elkaar op essentiële onderdelen ondersteunen, bijvoorbeeld op het punt van het wegtrekken van [slachtoffer] en de omschrijving van het gebruikte voorwerp. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte met een mes een steekbeweging heeft gemaakt in de richting van het bovenlichaam van [slachtoffer] en dat hij ter hoogte van de buik was geraakt als hij niet door [getuige] was weggetrokken. Nietis komen vast te staat dat verdachte met het mes in de hand gericht op [slachtoffer] is afgerend. Daarom zal zij van dat gedeelte van de tenlastelegging onder feit 1 worden vrijgesproken.
De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of het handelen van verdachte gekwalificeerd kan worden als een poging tot doodslag (primair), een poging tot zware mishandeling (subsidiair) of een bedreiging (meer subsidiair).
Poging doodslag
Verdachte heeft met een scherp mes, dat geschikt was om steek- of snijwonden toe te brengen, in de richting van het bovenlichaam van [slachtoffer] gestoken. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte daarmee [slachtoffer] opzettelijk heeft willen doden.
Vervolgens is de vraag of verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] heeft gehad. Vast staat dat [slachtoffer] zou zijn neergestoken als hij niet was weggetrokken. Niet kan worden vastgesteld dat met zoveel kracht is gestoken dat het met het steken veroorzaakte letsel een aanmerkelijke kans op de dood had opgeleverd. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van het primair tenlastegelegde, een poging doodslag.
Poging zware mishandeling
Wel acht de rechtbank het subsidiair tenlastegelegde, een poging tot zware mishandeling bewezen. Het met een scherp voorwerp steken in het bovenlichaam levert een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op als het hart, borst of buikholte zou worden geraakt. Dat mag bij een ieder, en dus ook bij verdachte, als bekend worden verondersteld, wat ook wordt bevestigd door het feit dat verdachte tijdens de steekbeweging “ik rijg je eraan!” heeft geroepen.
Conclusie
De verdachte zal worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair tenlastegelegde, een poging tot zware mishandeling.
Ten aanzien van feit 2 en feit 3
Vast staat dat verdachte zich tijdens haar aanhouding in Doetinchem door [ambtenaar] , [ambtenaar] en [aangever] op 10 mei 2025 heeft verzet. Verdachte heeft zich meermaals in tegengestelde richting bewogen, om zich heen geslagen en geschopt en meermaals wild met haar benen getrapt.
Mishandeling verbalisant [aangever]
Verbalisant [aangever] heeft verklaard dat hij op 10 mei 2025als hondengeleider belast was met de noodhulpdienst in Doetinchem en dat hij op [adres] verdachte heeft aangehouden. Toen zij zich daarbij onder meer verzette tegen het opdoen van de spuugkap heeft hij daar gezegd dat het t goedschiks of kwaadschiks kon. Verdachte reageerde hierop met: “dan maar kwaadschiks”. Op hetzelfde moment zag verbalisant [aangever] dat verdachte haar linkerbeen optilde en met een kracht van meer dan geringe betekenis in zijn kruis, op zijn linker teelbal, trapte. Hierdoor ontstond een enorme scheut pijn, aldus verbalisant [aangever] .
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij zich inderdaad hevig heeft verzet tijdens haar aanhouding, maar dat zij de verbalisant niet in zijn ballen heeft geschopt. Zij heeft alleen in zijn ballen geknepen.
Van een hondengeleider ter plaatste zijn de bodycambeelden uitgekeken. Op de beelden is te horen dat een verbalisant zegt dat de spuugkap goedschiks of kwaadschiks opgezet kan worden. Verdachte reageert hierop met: “dan maar kwaadschiks!” Te zien is dat verdachte schopt en slaat. Terwijl de collega’s proberen het masker aan te brengen, is te zien dat verdachte haar linkerbeen omhoog tilt en met kracht schopt in de richting van de collega hondengeleider. Te zien is dat hij zich vervolgens wegdraait van verdachte.
De rechtbank is gelet op bovenstaande van oordeel dat verdachte in het kruis van verbalisant [aangever] heeft getrapt. De verklaring van verdachte dat zij hem in zijn ballen heeft geknepen, wordt op geen enkele wijze ondersteund.
Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de eendaadse samenloop van het onder feit 2 en 3 tenlastegelegde.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
zij op of omstreeks 10 mei 2025 te Doetinchem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen- een mes, althans enig gelijkend scherp voorwerp, heeft vastgepakt/vastgehouden,- met voornoemd mes in de hand gericht op die [slachtoffer] is afgerend en/of- met voornoemd mes een of meerdere stekende bewegingen in de richting van het hart en/of de borst en/of de buik van die [slachtoffer] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.zij op of omstreeks 10 mei 2025 te Doetinchem, een ambtenaar, [aangever] (hoofdagent Politie Eenheid Oost-Nederland), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door die [aangever] in/op/tegen het kruis te schoppen/trappen;
3.zij op of omstreeks 10 mei 2025 te Doetinchem, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [aangever] (hoofdagent Politie Eenheid Oost-Nederland) en/of [ambtenaar] (hoofdagent Politie Eenheid Oost-Nederland) en/of [ambtenaar] (hoofdagent Politie Eenheid Oost-Nederland), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte door- een of meerdere malen met haar armen om zich heen te slaan,- een of meerdere malen wild met haar benen te trappen,- voornoemde [aangever] in/op/tegen het kruis te trappen en/of- een of meerdere malen in tegengestelde richting te bewegen dan waarin voornoemde ambtenaren haar trachtten te bewegen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1 subsidiair:
poging tot zware mishandeling
feit 2:
mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening
feit 3:
wederspannigheid
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van de straf
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest bepleit. Verdachte kan dan in de gelegenheid gesteld worden om (vrijwillig) opgenomen te worden en aan haarzelf te werken.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Verdachte heeft met een mes in de richting van het bovenlichaam van [slachtoffer] een steekbeweging gemaakt. Dat er geen letsel is ontstaan omdat hij net op tijd is weggetrokken, is niet aan het handelen van verdachte te danken. Dat verdachte daarmee veel angst bij [slachtoffer] heeft veroorzaakt, zoals hij heeft verklaard, is zeer goed voorstelbaar. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de eendaadse samenloop van wederspannigheid en mishandeling van een ambtenaar in functie door hem (onder andere) in zijn kruis te trappen. Verdachte heeft daarmee niet alleen pijn toegebracht, maar ook het gezag ondermijnd van ambtenaren die een publieke taak verrichten en die altijd onder normale omstandigheden hun werk zouden moeten kunnen doen zonder met dergelijk gedrag geconfronteerd te worden.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de justitiële documentatie van verdachte van 6 oktober 2025 waaruit volgt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Zo liep verdachte in een proeftijd in verband met een veroordeling voor mishandeling van een ambtenaar in functie.
Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 21 oktober 2025 waaruit volgt dat het reclasseringscontact in de lopende proeftijden moeizaam verloopt door de afwerende en wantrouwende houding van verdachte. Vanuit de reclassering en hulpverlening zijn aan verdachte meerdere trajecten aangeboden met betrekking tot behandeling en wonen. Verdachte hield deze af doordat zij voorwaarden stelde die niet haalbaar waren. De reclassering adviseert daarom een straf zonder bijzondere voorwaarden omdat zij vanwege de houding van verdachte geen mogelijkheden zien om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen.
Gelet op de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Deze is lager dan de eis van de officier van justitie omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt van het onder 1 tenlastegelegde. De rechtbank is echter van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, zoals door de verdediging bepleit, onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten. Ook ziet de rechtbank ziet geen aanleiding om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van de dagen die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
8. De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met feit 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 475,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.
Overweging van de rechtbank
Immateriële schade
De rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.
Door de mishandeling heeft de benadeelde lichamelijk letsel opgelopen. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Zij acht de gevorderde € 475,- toewijsbaar.
Verdachte is vanaf 10 mei 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9. De vorderingen tot tenuitvoerlegging
Vordering tenuitvoerlegging 05/005883-23
Volgens de vordering heeft de politierechter verdachte op 12 april 2023 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken.
De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van die straf.
De raadsvrouw heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering of dat de vordering moet worden afgewezen omdat de stukken niet compleet zijn.
De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging, omdat de rechtbank niet beschikt over het aantekening mondeling vonnis, daarmee de juistheid van de vordering niet kan vaststellen en daarom niet kan vaststellen dat verdachte in een proeftijd liep.
Vordering tenuitvoerlegging 05/220034-23
Volgens de vordering heeft de politierechter verdachte op 24 januari 2024 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 week.
De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van die straf.
De raadsvrouw heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering of dat de vordering moet worden afgewezen omdat de stukken niet compleet zijn.
De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging, omdat de rechtbank niet beschikt over het \ aantekening mondeling vonnis, daarmee de juistheid van de vordering niet kan vaststellen en daarom niet kan vaststellen dat verdachte in een proeftijd liep.
Vordering tenuitvoerlegging 05/201069-24
De politierechter heeft verdachte op 17 juli 2024 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 87 dagen.
De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van die straf.
De raadsvrouw heeft bepleit dat de proeftijd verlengd dient te worden.
Bewezen is dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank is van oordeel dat de voorwaardelijk opgelegde straf daarom ten uitvoer moet worden gelegd.
10. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 36f, 45, 56, 57, 180, 300, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.
11. De beslissing
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair tenlastegelegde;
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten
zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.
Benadeelde partij [aangever]
Vordering tenuitvoerlegging 05/005883-23
verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter van 12 juli 2023 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 2 weken af (parketnummer 05/005883-23);
Vordering tenuitvoerlegging 05/220034-23
verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter van 24 januari 2024 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 1 week af (parketnummer 05/220034-23);
Vordering tenuitvoerlegging 05/201069-24
beveelt de tenuitvoerlegging van de op 17 juli 2024 door de politierechter voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf van 87 dagen (parketnummer 05/201069-24).