RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05/396744-24
Datum uitspraak : 5 februari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachten] ,
geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats] ,
[adres] .
Raadsman: mr. M.P.T. Peters, advocaat in Zutphen.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 30 oktober 2025 en 22 januari 2026.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot aanpassing nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 13 december 2024 te Apeldoorn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet meermalen, althans eenmaal, (met kracht) die [slachtoffer] bij de keel heeft gepakt en/of de keel heeft dichtgedrukt en/of dichtgedrukt heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 13 december 2024 te Apeldoorn zijn levensgezel, [slachtoffer] , heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal, (met kracht) die [slachtoffer] bij de keel te pakken en/of de keel dicht te drukken en/of dichtgedrukt te houden;2.
hij op of omstreeks 13 december 2024 te Apeldoorn zijn levensgezel, [slachtoffer] , heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal, (met kracht)
- die [slachtoffer] met een bus deodorant, althans met een soortgelijk hard voorwerp, in het gezicht, althans op/tegen het hoofd te slaan en/of te stompen en/of
- een bus deodorant, althans een soortgelijk hard voorwerp, in het gezicht en/of op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] te gooien/werpen;
3.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2024 tot en met 12 december 2024 te Apeldoorn en/of te Eindhoven, althans op een of meer plaatsen in Nederland, zijn levensgezel, [slachtoffer] , heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal, (met kracht)
- die [slachtoffer] aan de haren te trekken en/of
- die [slachtoffer] op/tegen het lichaam te duwen ( ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen) en/of
- die [slachtoffer] bij de keel te pakken en/of de keel dicht te drukken en/of dichtgedrukt te houden en/of
- die [slachtoffer] in het gezicht, althans op/tegen het hoofd en/of op/tegen het lichaam te slaan en/of te stompen en/of
-die [slachtoffer] met het hoofd tegen een muur te slaan.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrij moeten worden gesproken van de poging tot zware mishandeling zoals primair ten laste is gelegd onder feit 1. Voorts heeft de officier van justitie gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen subsidiair ten laste is gelegd onder feit 1 en de ten laste gelegde feiten 2 en 3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van feit 1 en feit 3 vanwege onvoldoende (steun)bewijs. Feit 2 kan wettig en overtuigend bewezen worden, omdat verdachte bekent dat hij een deodorant bus in de richting van slachtoffer heeft gegooid. Hij ontkent wel dat hij haar daarmee heeft geslagen, zodat voor dit onderdeel vrijspraak moet volgen.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1 en feit 2
Mevrouw [slachtoffer] heeft verklaard dat zij op 13 december 2024 ruzie kreeg met haar (ex)-vriend (verdachte). Tijdens deze ruzie heeft hij op een gegeven moment zijn handen naar haar keel toebracht en haar geprobeerd te wurgen. Zijn handen waren volledig om haar keel, zij voelde dat hij hard kneep en dat hij haar omhoog duwde.
[slachtoffer] heeft verder verklaard dat verdachte tijdens die ruzie een voorwerp pakte, haar aankeek, en een zwaaiende dan wel gooiende beweging maakt met zijn arm. Met het voorwerp sloeg hij haar in haar gezicht. Het werd kort zwart voor haar ogen en zij voelde daarna dat er bloed uit haar gezicht droop of spoot en dat haar voorstand los zat. Ook haar lip deed heel erg pijn.
Verdachte heeft verklaard dat hij, tijdens een ruzie met [slachtoffer] , een deodorant bus uit zijn tas heeft gepakt en tegen haar aan heeft gegooid. Hij ontkent dat hij haar keel heeft vastgepakt en dichtgeknepen.
[slachtoffer] is op 16 december 2024 forensisch medisch onderzocht bij GGNet in Apeldoorn. Uit de geneeskundige letselbeschrijving volgt dat aangeefster een loszittende voortand, een scheurverwonding van de onderlip, schaafverwondingen en bloeduitstortingen van het aangezicht heeft. De hals van [slachtoffer] is ook onderzocht maar aan de hals is geen letsel gezien. Ook de verbalisant die [slachtoffer] op 13 december in de woning heeft gezien, zag een diepe snee in de lip en meerdere bloedvlekken maar noemt geen letsel in de hals. Het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel past bij het slaan met een bus deodorant maar niet bij het dichtknijpen van de keel.
Onder feit 1 is tenlastegelegd dat verdachte de keel van [slachtoffer] heeft dichtgeknepen. In het dossier bevindt zich enkel de verklaring van [slachtoffer] . Op grond van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs niet uitsluitend worden aangenomen op basis van alleen de aangifte van het slachtoffer. Er moet aanvullend bewijs zijn. Dat ontbreekt hier. Verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken.
Onder feit 2 acht de rechtbank bewezen dat verdachte met de bus deodorant heeft geslagen. De verklaring van [slachtoffer] wordt op dit punt ondersteund door het geconstateerde letsel.
Verdachte wordt verweten dat hij dit feit heeft begaan tegen zijn levensgezel.
De rechtbank is van oordeel dat [slachtoffer] niet als levensgezel van verdachte kan worden aangemerkt. Om als levensgezel te kunnen worden aangemerkt, gaat het niet enkel om het hebben van een relatie. Doorslaggevend in het begrip ‘levensgezel’ is een is nauwe persoonlijke betrekking van zekere hechtheid. Het moet gaan om een relatie die qua hechtheid vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten of geregistreerde partners. Verdachte en aangeefster hadden een turbulente relatie en kende periodes waarin zij bij elkaar waren en periodes waarin zij dat niet waren. Zij woonden niet (altijd) samen. Er kan daarom niet worden gesproken van ‘levensgezel’, zodat voor dit onderdeel uit de tenlastelegging vrijspraak volgt.
Ten aanzien van feit 3
[slachtoffer] heeft verklaard dat zij vanaf begin 2024 wel 40 à 50 keer is mishandeld door verdachte. De vraag is of en in hoeverre het dossier steunbewijs bevat voor die verklaring van aangeefster.
In die periode, is zij rond 25 juli 2024 naar de spoedeisende hulp gegaan. Zij heeft de arts toen verteld dat zij eerder mishandeld was door haar vriend. Er is toen vastgesteld dat aangeefster een hersenkneuzing had.
In de medische gegevens van [slachtoffer] die bij het verzoek tot schadevergoeding zijn overgelegd, staat dat zij op 25 juli 2024 naar de spoedpost in het Gelre Ziekenhuis in Apeldoorn is geweest. Zij heeft daar verteld dat zij ruzie heeft gehad met haar (ex)-vriend een paar weken geleden en dat hij haar flink wat klappen heeft gegeven.
Nu de verklaring van [slachtoffer] wordt ondersteund door het geconstateerde letsel en de medische stukken acht de rechtbank bewezen dat zij in de periode rond 25 juli 2025 door verdachte is geslagen met meerder klappen.
Op 10 december 2024 heeft [slachtoffer] ook ruzie gehad met verdachte. Toen zij in de slaapkamer op de grond zat, voelde en zag zij dat verdachte haar begon te slaan met zijn vuisten in haar ribben en op haar rug. Hij deed dit met kracht.
[slachtoffer] is op 13 december 2024 ter plaatse behandeld door een ambulancebroeder. De ambulancebroeder constateerde oude, blauwe plekken op het lichaam van aangeefster. In de geneeskundige letselbeschrijving staat dat [slachtoffer] verschillende bloeduitstortingen op haar rug heeft, die zijn ontstaan door de inwerking van stomp uitwendig geweld zoals slaan, schoppen, samendrukken, stoten, knijpen of zuigen.
Ook hier wordt de verklaring van [slachtoffer] ondersteund door geconstateerd letsel. De rechtbank acht daarom ook deze mishandeling bewezen.
Voor de andere door [slachtoffer] genoemde keren bevat het dossier geen steunbewijs. Ook biedt de verklaring van [slachtoffer] onvoldoende aanknopingspunten om tot een bewezenverklaring te komen omdat zij slechts in algemene zin heeft verklaard en weinig tot niets heeft gezegd over waaruit die mishandelingen zouden hebben bestaan.
De rechtbank is, gelet op hetgeen bij feit 2 is overwogen, ook hier van oordeel dat [slachtoffer] niet als levensgezel van verdachte kan worden aangemerkt, zodat hij hiervan wordt vrijgesproken.
3. De bewezenverklaring
-die [slachtoffer] met het hoofd tegen een muur te slaan.
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
2.
hij op of omstreeks 13 december 2024 te Apeldoorn zijn levensgezel, [slachtoffer] , heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal, (met kracht)
- die [slachtoffer] met een bus deodorant, althans met een soortgelijk hard voorwerp, in het gezicht, althans op/tegen het hoofd te slaan en/of te stompen en/of
- een bus deodorant, althans een soortgelijk hard voorwerp, in het gezicht en/of op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] te gooien/werpen;
3.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 25 juli 2024 tot en met 12 december 2024 te Apeldoorn en/of te Eindhoven, althans op een of meer plaatsen in Nederland, zijn levensgezel, [slachtoffer] , heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal, (met kracht)
- die [slachtoffer] aan de haren te trekken en/of
- die [slachtoffer] op/tegen het lichaam te duwen ( ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen)en/of
- die [slachtoffer] bij de keel te pakken en/of de keel dicht te drukken en/of dichtgedrukt te houden en/of
- die [slachtoffer] in het gezicht, althans op/tegen het hoofd en/of op/tegen het lichaam te slaan en/of te stompen en/of
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 2:
mishandeling
feit 3:
mishandeling, meermalen gepleegd
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 365 dagen, waarvan 163 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van 3 jaar. Aan de voorwaardelijke straf moeten de bijzondere voorwaarden, zoals door de reclassering geadviseerd, worden verbonden. De officier van justitie vordert de dadelijke uitvoerbaarheid van de deze voorwaarden, gelet op de feiten, het verloop van de schorsing van de voorlopige hechtenis en het risico dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en een voorwaardelijke taakstraf van 60 uur bepleit. Verder heeft hij zich op het standpunt gesteld dat aan een voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden, zoals door de reclassering geadviseerd, kunnen worden gekoppeld, met uitzondering van de klinische opname.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het meermaals mishandelen van zijn (ex)-vriendin. Hij heeft haar meerdere malen geslagen en gestompt in haar gezicht en tegen haar lichaam. Ook heeft hij met een deodorant bus tegen haar gezicht geslagen, waardoor zij meerdere nare verwondingen heeft opgelopen. Deze mishandelingen vonden onder andere plaats in haar eigen huis, een plek waar zij zich veilig zou moeten kunnen voelen. Hoewel zij geen levensgezel zijn van elkaar in juridische zin, hadden zij wel (af en aan) een relatie en bevond het slachtoffer zich om die reden in een kwetsbare positie. Verdachte heeft door de mishandelingen een grote inbreuk gemaakt op het gevoel van veiligheid en op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat het een grote impact op haar heeft. Zij vertelt dat zij er angstig van is geworden en dat zij slecht slaapt vanwege nachtmerries.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de justitiële documentatie van verdachte van
17 september 2025 waaruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Uit de Pro Justitia rapportage volgt dat bij verdachte een ongespecificeerde stemmingsstoornis, een ongespecificeerde trauma- of stressor gerelateerde stoornis en een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis is vastgesteld. Deze stoornissen waren aanwezig ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde. Geadviseerd wordt om de tenlastegelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen. De rechtbank neemt dit advies over en gaat uit van verminderde toerekeningsvatbaarheid..
Uit het rapport van de reclassering volgt het advies om verdachte aan te melden voor een klinisch behandeltraject vanwege de hoge risico’s, de vastgestelde problematiek en het feit dat de motivatie aan de zijde van verdachte niet altijd duidelijk is gebleken. Gelet hierop vindt de reclassering een klinische behandeling noodzakelijk.
De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden:
Daarnaast adviseert de reclassering de dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden.
Gelet op de ernst van de feiten acht de rechtbank een gevangenisstraf passend. De rechtbank acht het ook noodzakelijk dat in wordt gezet op verplichte behandeling en een woonvorm met ondersteuning teneinde recidive in de toekomst te voorkomen. De rechtbank zal van de op te leggen gevangenisstraf daarom een deel voorwaardelijk opleggen met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Uitzondering daarop is de klinische opname Hoewel zij het advies van de reclassering begrijpt, staat een klinische behandeling van minimaal een jaar niet in verhouding tot de bewezenverklaarde feiten. Het contactverbod zal de rechtbank niet in de vorm van een bijzondere voorwaarde maar als een artikel 38v Sr maatregel zodat bij eventuele overtreding hechtenis zou kunnen plaatsvinden zonder dat een lopend toezicht in gevaar wordt gebracht. Verder zal de rechtbank aan de bijzondere voorwaarden toevoegen de voorwaarde dat verdachte bij zijn tante zal verblijven totdat een passende woonplek voor hem is gevonden, dit om te voorkomen dat verdachte op straat belandt en daarmee uit het zicht van de hulpverlening verdwijnt. Bij het locatieverbod wordt verder de duur van de elektronische monitoring beperkt tot drie maanden in verband met de impact van de enkelband en de proportionaliteit ten opzichte van de bewezenverklaarde feiten.
De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden niet dadelijk uitvoerbaar verklaren maar zal het onder die voorwaarden geschorste bevel tot voorlopige hechtenis niet opheffen maar laten doorlopen zodat op die manier behandeling en huisvesting gewaarborgd is tot het moment dat het vonnis onherroepelijk is.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 247 dagen, waarvan 61 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar en met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden. De rechtbank legt hierbij de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd op, met uitzondering van de klinische behandeling en het contactverbod.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
De rechtbank is van oordeel dat oplegging van een maatregel ex artikel 38v Sr ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten door verdachte, passend en geboden is. De maatregel bestaat uit een contactverbod, inhoudende dat verdachte op geen enkele wijze direct of indirect contact zal hebben met het slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , wonende aan [adres] . De rechtbank zal de maatregel opleggen voor de duur van 3 jaren. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 maanden.
De rechtbank zal deze vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr dadelijk uitvoerbaar verklaren. Er is sprake van meerdere mishandelingen van een (ex) vriendin. Daarom moet er rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
8. De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 157,75 aan materiële schade en € 35.000,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
De materiële schade ad € 157,75 bestaat uit:
De immateriële schade bedraagt € 35.000,-, waarvan € 27.500,- pro memorie schade is. De schade bestaat uit:
Op de zitting heeft de advocaat van de benadeelde partij zich op het standpunt gesteld dat in ieder geval een bedrag van € 4.500,- aan smartengeld moet worden toegewezen.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van het materiële deel kan worden toegewezen. Ten aanzien van de hoogte van het immateriële deel van de vordering benadeelde partij heeft de rechtbank zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Telkens met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige deel aan smartengeld heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering pas heel kort voor de zitting is ingediend. Subsidiair betoogt de verdediging t dat de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van het materiële deel kan worden toegewezen. Het immateriële deel van de vordering benadeelde partij moet niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen de schade en de feiten.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De
schadeposten zijn verder voldoende onderbouwd en komen redelijk voor.
Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de materiële schade ad € 157,75 kan worden toegewezen.
Smartengeld
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.
Door de feiten heeft de benadeelde lichamelijk letsel in de vorm van een kapotte tand, een gescheurde lip en een hersenschudding opgelopen. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 2.000- vaststellen.
In totaal zal de rechtbank een schadevergoeding toewijzen van € 2.157,75 die bestaat uit:
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Verdachte is vanaf 13 december 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 57 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 tenlastegelegde;
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 247 dagen;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. De verdachte zich zal melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn.
2. De verdachte zich ambulant zal laten behandelen bij een forensische polikliniek, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Hij houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Bij een terugval in het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor stabilisatie. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal verdachte zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt.
3. De verdachte zal meewerken aan het vinden en behouden van passende huisvesting, ook als dat betekent een verblijf in een instelling voor beschermd wonen, bij Neos of een soortgelijke instelling, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
4. De verdachte zich zal inspannen voor het vinden en behouden van een zinvolle en structurele dagbesteding, met een vaste structuur.
5. De verdachte zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden in Apeldoorn. Verdachte werkt voor de duur van drie maanden mee aan elektronische monitoring op dit locatieverbod. Verdachte gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering dit locatieverbod (deels) laten vervallen.
6. De verdachte verblijft, tot dat er een passende plek is gevonden, ter overbrugging bij zijn nicht, mevrouw [naam] , aan [adres] .
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
legt voor een periode van 3 jaar een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op, inhoudende een contactverbod. Het contactverbod houdt in dat verdachte gedurende drie jaar onthoudt van – direct of indirect – contact met:
[slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , wonende aan [adres] ;
beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden in totaal.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen op grond van de opgelegde maatregel niet op.
beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Benadeelde partij [slachtoffer]
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;