RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.322492.24
Datum uitspraak : 10 februari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats] (Syrië),
wonende aan [adres] .
Raadsman: mr. A.W. Syrier, advocaat in Utrecht.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
Hij op of omstreeks 7 oktober 2024 te [plaats] , zijn moeder [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door haar één of meermalen (met een theepot) op haar hoofd te slaan;
2.
Hij op of omstreeks 7 oktober 2024 te [plaats] , [slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem één of meermalen met een theepot en/of zijn, verdachtes, handen en/of vuisten op/tegen zijn hoofd en/of oor en/of wang en/of in het gezicht, althans op zijn lichaam te slaan;
3.
hij op of omstreeks 7 oktober 2024 te [plaats] [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] , heeft bedreigd met
- enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen en/of goederen ontstaat en/of
- enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of
- zware mishandeling
door opzettelijk dreigend –nadat hij voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] had mishandeld- met een mes in zijn hand tegen een deur te trappen waarachter voornoemde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] stonden en/of (vervolgens) terwijl hij dat mes in de richting van de deur gericht hield voornoemde deur heeft geprobeerd te openen;
4.
hij op of omstreeks 7 oktober 2024 te [plaats] , opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van de woning gevestigd aan [adres] , in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde, heeft vernield en/of beschadigd;
5.
hij op of omstreeks 21 september 2024 te Nijmegen ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg brengen aan/en of nabij het politiebureau gevestigd aan [adres] ,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten het voornoemde politiebureau (ruit en/of gevel) en/of de gracht en/of het trottoir omliggend aan het voornoemde politiebureau te duchten was, met dat opzet:
- met één of meerdere fles(sen) gevuld met lampenolie en/of een brandbare vloeistof in zijn hand in de richting van het voornoemde politiebureau is gelopen en/of,
- één of meerdere fles(sen) met lampenolie en/of een brandbare vloeistof heeft aangestoken en/of
- deze (brandende) fles(sen) heeft gegooid in de richting van de gevel en/of ruit(en) en/of gracht van het voornoemde politiebureau, in elk geval in de richting van het voornoemde politiebureau,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten 1, 2, 3, 4 en 5.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 1, 2, 3 en 4 kunnen worden bewezen. Voor feit 5 heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Hij heeft betoogd dat sprake is van een ondeugdelijke poging. Niet is vastgesteld wat de inhoud van de flessen was. Verder kan niet worden vastgesteld dat verdachte de flessen heeft gegooid. Niet bekend is wanneer de vingerafdruk van verdachte die op een van de flessen is aangetroffen op die fles is gekomen. Dat kan in de supermarkt zijn gebeurd. Het gaat in dat geval niet om een daderspoor. De raadsman heeft verder gesteld dat de kleding die wordt beschreven niet heel specifiek is. Verdachte kan dan ook niet met voldoende zekerheid op de plaats delict worden geplaatst. Uit de stukken kan verder niet worden afgeleid dat verdachte in Nijmegen was.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1
De rechtbank acht de mishandeling van de moeder van verdachte niet bewezen. Uit het dossier komt naar voren dat de moeder van verdachte aan de verbalisanten heeft verteld dat ze door verdachte was mishandeld en dat verdachte haar met een theepot op het hoofd had geslagen. Dit vindt echter onvoldoende steun in andere bewijsmiddelen. Zo heeft een vrouwelijke verbalisant geen letsel op het hoofd van verdachtes moeder gezien. Verdachte heeft ontkend zijn moeder te hebben geslagen. Nu de verklaring van verdachtes moeder geen steun vindt in andere bewijsmiddelen, zal de rechtbank verdachte van dit feit vrijspreken.
Feit 2
Verbalisanten kregen op 7 oktober 2024 omstreeks 17.09 uur de melding dat een jongen, mogelijk van Syrische afkomst, in [plaats] doorgedraaid zou zijn bij zijn moeder en met een mes op straat stond. Ter plaatse hoorden verbalisanten de broer van verdachte zeggen dat verdachte hem zojuist op het oor had geslagen. Verbalisant [getuige 1] zag dat de broer een rood oor had en dat ook een deel van zijn wang rood kleurde.
Volgens verbalisant [getuige 2] betrof het [slachtoffer 2] , die was mishandeld.
Verdachte heeft verklaard dat hij zijn broer heeft geslagen met een theepot.
De rechtbank overweegt dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat [slachtoffer 2] door verdachte is geslagen. Gezien is dat [slachtoffer 2] een rood oor en een rode wang had. Verdachte heeft ook verklaard dat hij zijn broer heeft geslagen. De rechtbank acht gelet op het voorgaande de mishandeling van de broer van verdachte bewezen.
Feit 3
Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat ze op 7 oktober 2024 omstreeks 16.30 uur in [adres] in [plaats] was. Ze hoorde dat er veel geluid vanuit de woning aan [adres] kwam en dat meerdere personen hard tegen elkaar schreeuwden. Ze zag dat de man die later door de politie is aangehouden naar de voordeur van [adres] liep en tegen de deur trapte. Tijdens het trappen hield hij een mes vast in zijn rechterhand. Een broer van de man duwde de deur van binnenuit dicht.
Getuige [getuige 3] hoorde veel geschreeuw in een andere taal komen vanuit de woning aan [adres] of [adres] . Een man kwam uit het pad om een woningblok heen lopen en liep naar de voordeur. Aan de andere kant van de voordeur stond een vrouw. De man wilde naar binnen, maar de voordeur werd van binnenuit dichtgehouden. De man had op een gegeven moment zijn voet tussen de deur. [getuige 3] zag dat de man een mes vast had in zijn rechterhand. Hij wees daarmee richting de deur.
Verbalisant [getuige 2] die ter plaatse kwam, heeft verdachte gefouilleerd en trof een mes aan in zijn heuptasje.
In de woning troffen verbalisanten twee broers van verdachte en zijn moeder aan. Uit het politiesysteem komt naar voren dat de moeder [slachtoffer 1] heet.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zijn moeder en één van zijn broers heeft bedreigd. Uit de verklaringen van de getuigen volgt dat verdachte met een mes in zijn hand naar de voordeur van de woning aan [adres] in [plaats] is gegaan en heeft geprobeerd naar binnen te gaan. Hij heeft tegen de deur getrapt en het mes op de deur gericht. Een broer en een vrouw probeerden van binnenuit de voordeur van de woning dicht te drukken. De rechtbank gaat ervan uit dat de man en de vrouw in de woning zich bedreigd voelden. [slachtoffer 2] was kort daarvoor in de woning door verdachte mishandeld. Ten aanzien van deze mishandeling verwijst de rechtbank naar haar overwegingen onder feit 2, die hier als herhaald en ingelast moeten worden aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw in de woning verdachtes moeder [slachtoffer 1] moet zijn geweest, nu de verbalisanten één vrouw in de woning aantroffen. De rechtbank kan niet vaststellen wie van de broers bij de voordeur stond, omdat er volgens verbalisanten twee broers in de woning aanwezig waren. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van de bedreiging van [slachtoffer 2] .
Feit 4
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 14;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 januari 2026.
Feit 5
Op 21 september 2024 omstreeks 00.15 uur kregen verbalisanten de melding dat een persoon twee flessen met vloeistof met een vlam erin naar het politiebureau aan [adres] in Nijmegen zou hebben gegooid. De melder, [naam] , verklaarde dat hij en zijn vader zagen dat een persoon vanaf het Kronenburgpark naar boven liep in de richting van het politiebureau. [naam] zag dat de persoon op het fietspad stond voor het politiebureau. Vervolgens gooide hij twee flessen richting het politiebureau. Hierop volgend gooide hij nog een fles die op dat moment een vlam had in dezelfde richting. De persoon droeg een capuchon, een donsjasje, een skinny jeans en was volledig donker gekleed.
Op camerabeelden is om 15.40 te zien dat een persoon met een brandend voorwerp voor het bordes van het politiebureau op de openbare weg staat. Om 17.16 staat de persoon met het brandende voorwerp bij het hek. De persoon draagt een blauwe spijkerbroek en zwarte schoenen met witte zolen.
Mogelijk draagt hij een North Face jas en voor zijn gezicht draagt hij een doek of een sjaal, grijs met zwart van kleur. Er worden twee flessen gegooid die tegen de ruit/gevel van het politiebureau komen. De derde fles belandt brandend in de ‘gracht’. Deze fles is verbrand door het onderzoeksteam aangetroffen in de ‘gracht’. De persoon rent naar de overkant van de weg, slaat de hoek om de Spoorstraat in en verdwijnt uit beeld. Op de foto’s is te zien dat de persoon geen handschoenen draagt.
De rechtbank leidt uit voornoemde bewijsmiddelen af dat op 21 september 2024 is geprobeerd het politiebureau in Nijmegen in brand te steken door flessen met een brandbare vloeistof in de richting van het politiebureau te gooien. Twee flessen zijn tegen het politiebureau aan gegooid, maar dit heeft niet tot brand geleid. Een derde fles is in de ‘gracht’ voor het politiebureau terecht gekomen. Deze fles is verbrand.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte de persoon is die de flessen naar het politiebureau heeft gegooid en de persoon is die op de camerabeelden staat.
Bij het politiebureau zijn twee zwarte plastic flessen op het bordes aangetroffen. Vloeistof uit deze flessen was tegen het politiebureau en op de grond terechtgekomen. De flessen betroffen lampenolie. Een van de twee flessen is veiliggesteld en nader onderzocht op dactyloscopische sporen. Op de zijkant van de fles ter hoogte van de bovenzijde is een vingerafdruk aangetroffen. De vingerafdruk vertoont een zeer grote mate van overeenkomst en geen verschillen van dactyloscopische aard met de afbeelding van de linkerduim van verdachte. De kans om deze mate van overeenkomst aan te treffen bij een willekeurig ander persoon is verwaarloosbaar klein.
De telefoon van verdachte is onderzocht. In de telefoon is een video van 20 september 2024 om 17.10.16 uur aangetroffen met een duur van twee seconden. Een screenshot van de video is vergeleken met een foto van verdachte uit het SKDB. Gelet op de uiterlijke kenmerken is verdachte de persoon op de video. Verdachte was op de video gekleed in een zwarte bodywarmer met capuchon met daaronder een trui met capuchon met camouflage print. Op de bodywarmer was op de linkerborst een rond logo te zien van het merk “Moncler”. In de hiervoor genoemde video draagt verdachte dezelfde bodywarmer. Opvallend bij deze bodywarmer is de lichte streep naast de ritssluiting, het ronde logo op de linkerborst en de zwarte capuchon. Verder is in de telefoon een video van twee seconden aangetroffen van 20 september 2024 om 17.32 uur. Daarop is het standbeeld van keizer Karel de Grote, gelegen op het Keizer Karelplein in Nijmegen, te zien.
De camerabeelden van het incident zijn vergeleken met de video’s aangetroffen in de telefoon. Volgens verbalisant komt de kleding van de persoon op de camerabeelden overeen met de kleding die verdachte droeg op de video op zijn telefoon op 20 september 2024. De punten waarop de kleding overeenkomt, zijn de zwarte bodywarmer, de lichte streep naast de ritssluiting van de bodywarmer, de capuchon op de bodywarmer, het ronde witte logo op de linkerborst en de trui met camouflageprint.
De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte de persoon op de camerabeelden is die de flessen naar het politiebureau gooit.
De raadsman heeft betoogd dat geen sprake is van een deugdelijke poging. De rechtbank overweegt hierover dat verdachte tijdens de inverzekeringstelling op 8 oktober 2024 heeft gezegd dat hij het politiebureau in de fik zou steken. Hoewel de datum van dit verhoor ligt na het incident, leidt de rechtbank hieruit af dat verdachte gelet op de bewijsmiddelen, kennelijk al eerder voornemens was het politiebureau in brand te steken. Daarnaast is een verbrande fles aangetroffen in de ‘gracht’. Reeds hieruit blijkt dat het ging om een brandbare vloeistof. Niet kan worden uitgesloten dat er brand zou zijn ontstaan als deze fles tegen de gevel van het politiebureau was aangekomen. De rechtbank verwerpt om die reden het verweer van de raadsman.
Voor zover de raadsman heeft betoogd dat de vingerafdruk op de fles geen daderspoor zou zijn, overweegt de rechtbank dat op de foto’s is te zien dat verdachte geen handschoenen draagt. Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat de persoon op de camerabeelden verdachte is, gaat de rechtbank ervan uit dat de vingerafdruk wel een daderspoor is.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de poging tot brandstichting bewezen.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
2.
hij op of omstreeks 7 oktober 2024 te [plaats] , [slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem één of meermalen met een theepot en/of zijn, verdachtes, handen en/of vuisten op/tegen zijn hoofd en/of oor en/of wang en/of in het gezicht, althans op zijn lichaam te slaan;
3.
hij op of omstreeks 7 oktober 2024 te [plaats] [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] , heeft bedreigd met
- enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen en/of goederen ontstaat en/of
- enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of
- zware mishandeling
door opzettelijk dreigend -nadat hij voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] had mishandeld- met een mes in zijn hand tegen een deur te trappen waarachter voornoemde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] stonden en/of (vervolgens) terwijl hij dat mes in de richting van de deur gericht hield voornoemde deur heeft geprobeerd te openen;
4.
hij op of omstreeks 7 oktober 2024 te [plaats] , opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van de woning gevestigd aan [adres] , in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde, heeft vernield en/of beschadigd;
5.
hij op of omstreeks 21 september 2024 te Nijmegen ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg brengen aan/en of nabij het politiebureau gevestigd aan [adres] , terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten het voornoemde politiebureau (ruit en/of gevel) en/of de gracht en/of het trottoir omliggend aan het voornoemde politiebureau te duchten was, met dat opzet:
- met één of meerdere fles(sen) gevuld met lampenolie en/of een brandbare vloeistof in zijn hand in de richting van het voornoemde politiebureau is gelopen en/of,
- één of meerdere fles(sen) met lampenolie en/of een brandbare vloeistof heeft aangestoken en/of
- deze (brandende) fles(sen) heeft gegooid in de richting van de gevel en/of ruit(en) en/of gracht van het voornoemde politiebureau, in elk geval in de richting van het voornoemde politiebureau,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 2:
Mishandeling
feit 3:
Bedreiging met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen ontstaat
feit 4:
Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen
feit 5:
Poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 540 dagen, waarvan 49 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Aan verdachte moeten de bijzondere voorwaarden worden opgelegd zoals geadviseerd door de reclassering, waarbij de officier van justitie heeft verzocht deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. De officier van justitie ziet, anders dan de reclassering, geen reden om een maatregel op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op te leggen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat bijzondere voorwaarden het recidiverisico kunnen verminderen.
Verdachte zit inmiddels 477 dagen in voorlopige hechtenis. De raadsman verzoekt daarom om schorsing van de voorlopige hechtenis met de voorwaarden die door de reclassering worden geadviseerd. De rechtbank kan die voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaren. Een maatregel op grond van artikel 38z Sr acht de raadsman niet nodig omdat geen sprake is van een zwaar geweldsdelict.
De beoordeling door de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot brandstichting. Hij heeft in Nijmegen geprobeerd het politiebureau in brand te steken door daar meerdere flessen met een (brandende) inhoud naar toe te gooien. Daardoor was er gevaar voor goederen.
Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn broer, bedreiging van zijn moeder en vernieling van een ruit. Hij is naar de woning van zijn familie in [plaats] gegaan en heeft daar een woordenwisseling gehad met zijn moeder en twee broers. Daarbij heeft hij zijn broer [slachtoffer 2] geslagen en een ruit vernield. Hij is vervolgens om de woning heen naar de voordeur gelopen. Daar heeft hij geprobeerd tegen de wil van zijn moeder en broer(s) de woning in te gaan. Verdachte heeft tegen de deur getrapt en een mes in de richting van de voordeur gehouden. Hij heeft zich zodoende schuldig gemaakt aan bedreiging van in ieder geval zijn moeder. Verdachtes handelen heeft grote impact op zijn familie gehad. Zijn familie maakte zich zorgen om de geestelijke gezondheid van verdachte, maar vreesde ook voor hun veiligheid als verdachte zou vrijkomen. Toch wilden verdachtes moeder en zijn broer geen aangifte tegen verdachte doen.
De rechtbank heeft de justitiële documentatie van verdachte in aanmerking genomen. Daaruit blijkt dat verdachte niet eerder in Nederland voor strafbare feiten is veroordeeld.
De rechtbank heeft ook in aanmerking genomen de rapportage van het Pieter Baan Centrum van 26 januari 2026. Daaruit komt naar voren dat bij verdachte sprake is van een andere gespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis. In de periode rondom de ten laste gelegde feiten heeft verdachte een psychotische episode meegemaakt. Deze is zonder medicamenteuze behandeling en zonder restsymptomen overgegaan. Ten tijde van de psychose was er in ieder geval sprake van religieuze wanen, achterdocht en desorganisatie in denken en handelen. Onder invloed van zijn psychose had verdachte extremistische gedachten en overtuigingen. Bij verdachte is verder een stoornis in het gebruik van cannabis vastgesteld die door zijn detentie in (gedwongen) remissie is.
Verdachte had ten tijde van het tenlastegelegde beperkte mogelijkheden om zijn eigen gedrag te sturen. Geadviseerd wordt verdachte de poging tot brandstichting verminderd en het feitencomplex van de mishandeling/bedreiging/vernieling sterk verminderd toe te rekenen. De deskundigen schatten het recidiverisico in als laag tot matig. Het recidiverisico neemt echter toe als er opnieuw sprake is van middelengebruik, omdat daarmee het risico op een nieuwe psychose toeneemt. Ook neemt het risico toe als verdachte zonder middelengebruik opnieuw psychotisch wordt. Het recidiverisico kan in dat geval binnen enkele weken of maanden oplopen tot een hoog risico. De deskundigen adviseren een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarde een behandeling bij een forensisch FACT ter monitoring van zijn middelengebruik dan wel psychotische klachten. Er is geen noodzaak voor een klinische behandeling, aangezien verdachte momenteel geen psychotische klachten ervaart.
De rechtbank kan zich vinden in de conclusies over de toerekenbaarheid van de feiten en neemt deze over.
Uit het reclasseringsrapport van 22 januari 2026 komt naar voren dat de reclassering advies heeft gevraagd aan Nuance door Training en Advies (NTA). Volgens NTA zijn er geen
aanwijzingen voor radicale interpretaties van islamitische leerstellingen of voor beïnvloeding door extremistische religieuze netwerken.
Volgens de reclassering is er instabiliteit op verschillende leefgebieden. Verdachte heeft geen opleiding in Nederland afgerond en heeft geen werk. Verdachte heeft na detentie geen zinvolle dagbesteding, er is sprake van schulden en er waren voorafgaand aan zijn aanhouding vermoedens van het gebruik van verdovende middelen. Momenteel zijn er geen beschermende factoren. Het risico op recidive en de kans op een misdrijf met schade voor personen is volgens de reclassering zonder interventie hoog. Geadviseerd wordt een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandelverplichting met mogelijkheid tot een kortdurende opname, een alcohol- en drugsverbod en een paar andere gedragsvoorwaarden. Deze bijzondere voorwaarden dienen dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard. Verder wordt geadviseerd een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38z Sr op te leggen.
De rechtbank overweegt, al het voorgaande in aanmerking nemend, dat een gevangenisstraf alleen al gelet op de poging tot brandstichting passend en geboden is. De rechtbank zal een gevangenisstraf opleggen van 527 dagen. Een deel daarvan, te weten 49 dagen, zal de rechtbank in voorwaardelijke vorm opleggen om te voorkomen dat verdachte opnieuw strafbare feiten pleegt. De rechtbank zal daaraan de bijzondere voorwaarden verbinden zoals die de reclassering heeft geadviseerd en de dadelijke uitvoerbaarheid van die voorwaarden gelasten. De door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf is iets korter dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat de rechtbank aanleiding heeft gezien de voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van 28 januari 2026 om 12.00 uur te schorsen. Het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf komt overeen met de eis van de officier van justitie.
De rechtbank ziet evenals de officier van justitie en de raadsman geen aanleiding een gedragbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38z Sr op te leggen.
8. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57, 157, 285, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
9. De beslissing
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van het onder 1 ten laste gelegde feit;
verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 527 dagen;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
Indien sprake is van een zodanige verslechtering van de psychische toestand van verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, laat verdachte zich, nadat dit door de rechter is bevolen, opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.