ECLI:NL:RBGEL:2026:937

ECLI:NL:RBGEL:2026:937

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 05-02-2026
Datum publicatie 10-02-2026
Zaaknummer 05/230378-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Gevangenisstraf van 48 maanden, waarvan 16 maanden voorwaardelijk, voor het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing bij een kortverblijfhuis. Gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. Beroep op artikel 193 Sr (toerekenbaarheid) verworpen. Vordering benadeelde partij niet-ontvankelijk omdat de schade al was vergoed door de verzekeraar.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05.230378.25

Datum uitspraak : 5 februari 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2002 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] ,

op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfsplaats] .

Raadsman: mr. R.J.A. van den Munckhof, advocaat in Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 31 december 2024 te [plaats], tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door explosieve stoffen met daaraan een elektriciteitssnoer en ontsteker, althans een explosief, voor de deur, althans in de onmiddellijke nabijheid van het pand gelegen aan [adres] te plaatsen en vervolgens te ontsteken, waarna voornoemd explosief tot ontploffing is gekomen,

terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor goederen, te weten de buitenkant en/of de inboedel van het voornoemde

pand en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van de kamers/appartementen in het voornoemde pand,

te duchten was.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op dinsdag 31 december 2024 om 04:28 uur ontving de politie een melding van een explosie aan [adres] te [plaats]. Op dit adres is een kortverblijfhuis van de [bedrijf] gevestigd, waar bewoners verblijven met uiteenlopende begeleidingsbehoeften. Op het moment van de explosie waren er ongeveer 20 bewoners en een begeleidster in het kortverblijfhuis aanwezig. De explosie had buiten plaatsgevonden in de hoek van de U-vorm van het gebouw. Daar bevond zich de keuken. Er heerste grote paniek onder de bewoners.

Ten gevolge van de explosie is veel schade aan het gebouw ontstaan. Zowel op de begane grond als op de eerste verdieping waren meerdere ruiten kapot. In een straal van circa 20 meter lagen glasscherven en delen hout, afkomstig van de keukendeur, verspreid over het plein. Buiten voor de deur van de keuken waren klinkers in de grond gezakt/gedrukt door de kracht van de explosie. Een gietijzeren rioolputdeksel voor de keukendeur was losgekomen en lag deels buiten het mangat. Het houten kozijndeel van het raam achter de ingedrukte klinkers was aan de onderzijde volledige weggeslagen, alsmede de volledige ruit. De overige ruiten in en naast de deur waren deels verbroken en deels volledig versplinterd. De ontstane druk afkomstig van de explosie is dusdanig geweest dat de beplating aan de onderzijde van de dakgoot was losgekomen. Delen waren naar beneden gevallen en delen beplatingen hingen los onder de dakgoot. Glas- en houtdelen en ruiten in zijn geheel zijn met de zonwering en al de achterliggende ruimten in geblazen. De volledige ruimte achter de keukendeur was bezaaid met glasscherven. Op de eerste verdieping was de thermopane ruit van een slaapkamer volledig verbroken ten gevolge van de explosie. Er lagen er glasdelen op het hoofdkussen van het bed.

Voor het pand lag een elektriciteitssnoer aan met een lengte van ongeveer 10 meter. Halverwege het snoer bevond zich een vertakking van de snoeren, gerealiseerd met isolatieplakband. Elektriciteitssnoeren worden gebruikt om een explosieve lading te doen ontsteken.

Het elektrasnoer heeft onderdeel uitgemaakt van de explosieve constructie. Het chemische sporenbeeld past bij een (ontplofte) explosieve lading op basis van kaliumperchloraat en aluminiumpoeder. Pyrotechnische mengsels met deze samenstelling staan ook wel bekend onder de naam flitspoeder. Flitspoeder is een krachtige explosieve stof. Het schadebeeld past bij de ontploffing van meerdere honderden grammen tot richting een kilogram flitspoeder.

Op de camerabeelden is te zien dat op 31 december 2024 om 04:24:11 uur een persoon het terrein van de stichting op loopt. De persoon draagt een blauwe gevulde plastic tas waar een kabel of snoer uit lijkt te steken. Om 04:26:40 uur is een harde knal te horen. Om 04:26:50 uur is een felle lichtflits te zien die bijna het gehele beeld bedekt. Enkele seconden later loopt de zelfde persoon met een versnelde pas in westelijke richting de Malkenschoten op. Het lijkt erop dat de eerder gevulde plastictas op dat moment niet of minder gevuld is.

Op de telefoon van verdachte staat een videofilm, gemaakt op 31 december 2024 om 4:26:21 uur, waarop de explosie in [plaats] te zien is. Op de video is zichtbaar dat een persoon een ontsteking lijkt te activeren. Vervolgens is een heldere lichtflits te zien en een luide knal te horen en rent de persoon weg, waarbij hij de telefoon in zijn mond vast lijkt te houden, met de camera naar grond gericht.

Verdachte is degene die op de camerabeelden en op het filmpje op zijn telefoon te zien is. Op 31 december 2024 is hij naar de het pand aan [adres] in [plaats] gegaan, met het doel om een ontploffing teweeg te brengen. Aldaar heeft hij het explosief uit de blauwe tas gehaald en bij het pand geplaatst. Vervolgens heeft hij het elektriciteitssnoer over het pad uitgerold en van een afstand aangestoken, terwijl hij zijn handelingen filmde met zijn telefoon.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat verdachte een verkeerde voorstelling van zaken had voor wat betreft het beoogde doel van de explosie en de zwaarte van het explosief. Het was nooit zijn bedoeling om iemand pijn te doen.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat er als gevolg van de explosie geen levensgevaar te duchten viel en hiervan partiële vrijspraak bepleit.

Beoordeling door de rechtbank

Op basis van voornoemde feiten staat vast dat verdachte op 31 december 2024 een ontploffing teweeg heeft gebracht, door explosieve stoffen met daaraan een elektriciteitssnoer en ontsteker in de onmiddellijke nabijheid van het pand gelegen aan [adres] in [plaats] te plaatsen en vervolgens te ontsteken, waarna voornoemd explosief tot ontploffing is gekomen. Reeds uit de omvang van de door de ontploffing veroorzaakte schade volgt dat daardoor gemeen voor goederen te duchten was.

Levensgevaar

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat het weliswaar zijn bedoeling was om een ontploffing teweeg te brengen en daarmee schade te veroorzaken, maar dat het nooit zijn bedoeling is geweest om iemand letsel toe te brengen. Ook is door de verdediging betwist dat er als gevolg van de explosie levensgevaar te duchten viel. Daarover overweegt de rechtbank als volgt.

De politie heeft forensisch onderzoek verricht naar de oorzaak en de gevolgen van de explosie. In het rapport van de deskundige staat dat het te duchten levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel door de explosie aanwezig waren, gebaseerd op de verwoestende werking van het explosief aan het gebouw en de klinkers waarop het explosief lag. Indien er sprake was geweest van lichaamscontact met het explosief (optillen/oppakken) tijdens de explosie zou er ernstig tot dodelijk lichamelijk letsel kunnen ontstaan door de drukgolf en de hitte. Op afstanden verder weg is het van de specifieke omstandigheden afhankelijk of en tot welk letsel de hitte en drukgolf leiden. Daarnaast kan ook letsel optreden door de impact van scherven en brokstukken. Op relatief korte afstand kunnen hete fragmenten van het gebruikte explosief en diens verpakking verwondingen aan de huid veroorzaken. Doordat het explosief de omgeving aantoonbaar had beschadigd, zijn scherven en brokstukken – voornamelijk glas en hout – met hoge snelheden weggeslingerd. Deze wegslingerende delen kunnen tot op tientallen meters afstand (in een vrije baan) lichamelijk tot “zeer” lichamelijk letsel veroorzaken.

Ook het NFI heeft gerapporteerd over de gevaarzetting van de explosie. De deskundigen van het NFI onderschrijven de conclusies van de politie. Bij personen die zich op het moment van ontploffing direct achter de dichtstbijzijnde ruiten bevonden, was als gevolg van de combinatie van hitte, drukwerking en rondvliegende glasscherven zeer ernstig lichamelijk letsel tot dodelijk lichamelijk letsel te verwachten. Op afstanden verder weg was het van de specifieke omstandigheden afhankelijk of en tot welk letsel de drukgolf en glasscherven konden leiden.

Namens de [bedrijf] is aangifte gedaan door een medewerkster die ten tijde van de explosie in het pand werkzaam was. Uit haar verklaring volgt dat er in de nacht en vroege ochtend van 31 december 2024 ongeveer 20 bewoners aanwezig waren in het pand. Die nacht werd er omstreeks 04:00 uur op de deur van de medewerkster geklopt, omdat een bewoner medicatie nodig had. Nadat de bewoner terug was gegaan naar haar kamer, is de medewerkster nog even naar de wc gegaan en is ze weer terug naar bed gegaan. In bed hoorde zij nog iemand de trap aflopen en in de richting van de keuken gaan. Later hoorde ze iemand vanuit de keuken de trap oplopen. De medewerkster sliep nog niet toen ze een enorme doffe knal hoorde, gevolgd door vallend glas en glasgerinkel.

De rechtbank stelt voorop dat het opzet van verdachte niet gericht hoeft te zijn op het teweegbrengen van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander. Het gevaar moet ten tijde van het teweegbrengen van de ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zijn geweest. Daarbij is niet van belang of de dader dat gevaar wellicht zelf niet heeft voorzien.

De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande zonder meer blijkt dat als gevolg van de explosie levensgevaar voor anderen, te weten de in het pand aanwezige personen, te duchten was. De explosie werd in de voor nachtrust bestemde uren teweeggebracht bij een verblijfhuis, waar op dat moment ongeveer 20 bewoners en de medewerkster aanwezig waren. Uit de aangifte volgt dat nog niet iedereen lag te slapen toen het explosief tot ontploffing kwam. Korte tijd voor de explosie heeft de medewerkster nog iemand naar de keuken horen gaan. Het explosief is vlakbij de keuken tot ontploffing gekomen. Weliswaar heeft verdachte verklaard dat hij door het raam van de keuken naar binnen heeft gekeken tijdens en voordat hij het explosief ontstak en dat hij daarbij niemand heeft gezien, maar uit zijn verklaring volgt ook dat hij het explosief van een afstand heeft aangestoken. Het er was een reële kans dat een bewoner zich vlakbij het explosief zou bevinden op het moment dat verdachte deze ontstak. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het te duchten levensgevaar aanwezig en naar algemene ervaringsregels voorzienbaar.

De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat van de door de verdachte opzettelijk veroorzaakte explosie zowel levensgevaar als gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was voor de bewoners van de kamers/appartementen in het pand.

Vrijspraak van medeplegen

Weliswaar is op basis van het dossier aannemelijk dat er een aanslag is gepleegd waarbij verdachte het explosief en de informatie over het adres van derden heeft gekregen, maar dat is niet voldoende om verdachte te veroordelen voor het in vereniging plegen van het delict. De rechtbank zal verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging dan ook vrijspreken.

3. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 31 december 2024 te [plaats], tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door explosieve stoffen met daaraan een elektriciteitssnoer en ontsteker, althans een explosief, voor de deur, althans in de onmiddellijke nabijheid van het pand gelegen aan [adres] te plaatsen en vervolgens te ontsteken, waarna voornoemd explosief tot ontploffing is gekomen,

terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor goederen, te weten de buitenkant en/of de inboedel van het voornoemde

pand en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van de kamers/appartementen in het voornoemde pand,

te duchten was.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar

voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

5. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft een beroep gedaan op de ontoerekenbaarheid dan wel verminderde toerekenbaarheid van het feit aan verdachte zoals bedoeld in artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht.

De officier van justitie heeft gesteld dat niet gebleken is dat er sprake was van dronkenschap bij verdachte. Verdachte heeft bewust gehandeld. Dat hij de volledige gevolgen van zijn handelen mogelijk niet heeft overzien, staat daar los van. Het feit kan volledig aan hem worden toegerekend.

De rechtbank overweegt dat uit niets blijkt dat verdachte op het moment van plegen niet of in verminderde mate in staat was zijn wil te bepalen of daarnaar te handelen. Zijn enkele verklaring dat hij het feit heeft begaan onder invloed van alcohol, is daarvoor onvoldoende. Daarmee is er geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is strafbaar.

7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar, met aftrek van de tijd die door verdachte reeds in voorarrest is doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank primair verzocht om, in afwijking van de strekking van het reclasseringsadvies, het jeugdstrafrecht toe te passen, op basis van het dossier en de indruk die de rechtbank op zitting van verdachte zal hebben gekregen. Verdachte was ten tijde van het delict 22 jaar en heeft de risico’s van zijn handelen niet goed kunnen inschatten. Ook zijn er geen contra-indicaties voor toepassing van het jeugdstrafrecht. In dit kader wordt de rechtbank verzocht om aan verdachte jeugddetentie op te leggen met een voorwaardelijk strafdeel.

Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat in de afdoening een door hem zogenoemde “glijdende schaal” wordt toegepast tussen 18-jarige daders en 23-jarige daders en dat aan verdachte een gevangenisstraf dient te worden opgelegd voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Als bijzondere voorwaarde kan een alcoholverbod worden opgelegd.

Meer subsidiair wordt de rechtbank verzocht om in elk geval geen langere vrijheidsontneming dan 24 maanden op te leggen.

Tot slot wordt de rechtbank in overweging gegeven om, naast jeugddetentie of een gevangenisstraf, aan verdachte een taakstraf op te leggen.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

De ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing bij een gebouw dat als woning diende voor 20 mensen, middenin de nacht. Die explosie had een dusdanige kracht dat de klinkers van de bestrating werden ingedrukt en een kuil ontstond, een gietijzeren putdeksel uit het mangat kwam, ruiten zijn vernield, kozijndelen zijn weggeslagen en een deel van de dakgoot loskwam. De explosie heeft het leven en de gezondheid van de bewoners acuut in gevaar gebracht en voor hen daarbij angst, stress en ongerief veroorzaakt en grote schade veroorzaakt. De explosie brengt daarbij ook meer in het algemeen grote gevoelens van onveiligheid met zich en zorgt voor onrust in de maatschappij. Hoewel de motieven voor het teweegbrengen van de explosie niet volledig duidelijk zijn geworden, lijkt het er sterk op dat er die nacht sprake was van een aanslag. Het dossier bevat aanwijzingen dat mogelijk een afrekening in verband met een zakelijk conflict aan het delict ten grondslag heeft gelegen.

Verdachte wilde naar eigen zeggen wraak nemen op iemand aan wie hij geld had geleend en wat niet was terugbetaald. Terwijl hij enige tijd in de omgeving van het kortverblijfhuis heeft rondgereden en rondgelopen en kon nagaan dat daar midden in de nacht mensen lagen te slapen, heeft hij samen met de medeverdachte het plan uitgevoerd. Hoewel verdachte bij de politie uiteindelijk zijn daden heeft opgebiecht, heeft hij nooit volledige openheid gegeven in deze zeer heftige zaak. Het dossier geeft, hoewel de precieze motieven voor de explosie niet zijn vast te stellen, de rechtbank aanleiding te twijfelen aan het waarheidsgehalte van de verklaring die verdachte over die motieven heeft gegeven. Wat er ook zij van de door verdachte genoemde drijfveer, duidelijk is dat de explosie opzettelijk is veroorzaakt om een of meerdere personen angst aan te jagen en/of schade te berokkenen, enkel vanwege een financieel conflict. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij zich daarbij op geen enkele wijze om de levens, gezondheid, woningen, en spullen van geen van de – veelal kwetsbare – bewoners van het kortverblijfhuis heeft bekommerd.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van de justitiële documentatie van verdachte, waaruit volgt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

Ook heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 13 november 2025. Daaruit volgt dat dat bij verdachte geen sprake is van een delictpatroon. De reclassering ziet alcoholgebruik als een risicofactor die bijgedragen kan hebben aan de totstandkoming van het delict. De reclassering heeft niet kunnen inschatten welke factoren tot het delict hebben geleid. Omdat de reclassering geen problemen heeft kunnen constateren op de leefgebieden en omdat verdachte nooit eerder is veroordeeld, ziet de reclassering geen aanknopingspunten voor interventies of anderszins reclasseringsbemoeienis. De risico’s op recidive, letsel en het onttrekken aan voorwaarden worden ingeschat als laag. Hierin is ook meegewogen dat verdachte een relatie heeft en beschikt over zinvolle dagbesteding. Ook is meegewogen dat verdachte niet bekend is met alcohol- en middelenproblematiek en niet is gediagnosticeerd met een psychische stoornis. Gezien het lage recidiverisico, adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden.

Verder adviseert de reclassering de rechtbank om het volwassenenstrafrecht toe te passen. Om te bepalen welk type strafrecht geïndiceerd is, is gebruik gemaakt van het Wegingskader ASR. Hoewel er indicaties zijn voor het jeugdstrafrecht, worden er geen cognitieve beperkingen bij verdachte waargenomen en is er geen sprake van impulsiviteit. Ondanks dat betrokkene actief deel uitmaakt van een gezin, lijkt hij voornamelijk zijn leven zelf in te vullen. De reclassering ziet geen noodzaak voor een specifieke maatregel vanuit het jeugdstrafrecht. De reclassering heeft contact gehad met de Raad voor de Kinderbescherming en verdachte is daar niet bekend. Dit maakt dat de reclassering onvoldoende aanknopingspunten ziet om af te wijken van het volwassenenstrafrecht.

Volwassenstrafrecht

De rechtbank overweegt dat verdachte ruim meerderjarig was ten tijde van het plegen van het feit. Het uitgangspunt is dan dat het volwassenstrafrecht wordt toegepast. De reclassering heeft op grond van het wegingskader adolescentenstrafrecht en contact met de Raad voor de Kinderbescherming geadviseerd het volwassenstrafrecht toe te passen. De rechtbank ziet geen reden om van dit advies af te wijken en zal het volwassenstrafrecht toepassen.

De op te leggen straf

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank verder gekeken naar de oriëntatiepunten voor de rechtspraak en straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Gezien de ernst van de feit is naar het oordeel van de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meerdere jaren op zijn plaats. Daarnaast zal de rechtbank een fors voorwaardelijk strafdeel opleggen, zodat verdachte een flinke stok achter de deur heeft die moet voorkomen dat hij in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.

Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, waarvan 16 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar passend en geboden. De tijd die verdachte al in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal in mindering worden gebracht op de straf.

8. De beoordeling van de civiele vordering

Namens de benadeelde partij [bedrijf] is een vordering tot materiële schadevergoeding ingediend.

Uit de vordering volgt dat de geleden materiële schade ten bedrage van € 110.384,26 volledig is vergoed door de verzekering en dat de resterende niet-vergoede schade € 0,- bedraagt. Ter terechtzitting is bevestigd dat er geen schadebedrag resteert. De officier van justitie en de verdediging hebben om deze reden ter terechtzitting geen standpunt ingenomen ten aanzien van de vordering.

De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

9. De beoordeling van het beslag

Ten aanzien van het ten laste gelegde feit is onder verdachte beslag gelegd op het volgende voorwerp:

- een iPhone 11.

De officier van justitie heeft verzocht om het voorwerp verbeurd te verklaren, omdat verdachte met deze telefoon de explosie heeft gefilmd.

De raadsman heeft zich ten aanzien van het beslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank zal het voorwerp verbeurd verklaren, nu de telefoon door verdachte is gebruikt om het bewezenverklaarde te filmen. Daarbij overweegt de rechtbank dat dit filmpje volgens verdachte zelf bestemd was om opgestuurd te worden naar de persoon met wie het conflict – dat de reden was voor de ontploffing - bestond, kennelijk ter (verdere) wraakneming dan wel intimidatie. De rechtbank is daarom van oordeel dat dit – ofschoon dit intimideren geen deel uitmaakt van de tenlastelegging – een voorwerp is met behulp van welke het feit is begaan als bedoeld in artikel 33a van het Wetboek van Strafrecht.

10. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 55 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

11. De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden;

 bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 16 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 3 jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [bedrijf]

 verklaart de benadeelde partij [bedrijf] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;

Beslissing op het beslag

 verklaart verbeurd de inbeslaggenomen iPhone 11.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.P.E.E. van Groeningen (voorzitter), mr. A Tegelaar en mr. A. van Veldhuizen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.K. Verberkt, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 februari 2026.

mr. Tegelaar is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. A Tegelaar
  • mr. A. van Veldhuizen

Griffier

  • mr. A.K. Verberkt

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?