uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 11 februari 2026
in de zaken tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 5 december 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 397.029, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 165.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.317.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 93.639 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 367.368.
Gelijktijdig met de vaststelling van de (navorderings)aanslag heeft de inspecteur aan belanghebbende € 79 respectievelijk € 90 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikkingen).
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de navorderingsaanslag 2019 en de aanslag 2020 gehandhaafd.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de beroepen op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Namens belanghebbende heeft hieraan de gemachtigde deelgenomen. Namens de inspecteur hebben hieraan deelgenomen: [persoon A] en [persoon B] .
Feiten
1. Belanghebbende is, samen met zijn echtgenote, sinds 2015 eigenaar van de woning aan de [locatie] , [postcode] te [plaats] .
2. Voor de aanschaf van deze woning heeft belanghebbende een lening met bouwdepot afgesloten bij [naam bank]. Het betreft een annuïtaire lening met een startbedrag van € 1.500.000, een rentepercentage van 2,6 en een einddatum van 31 augustus 2045 (looptijd van 360 maanden).
3. Belanghebbende is enig aandeelhouder en bestuurder van [naam bedrijf 1] , voorheen [naam bedrijf 2] .
4. Op 30 september 2019 heeft belanghebbende een lening (nummer IV) van € 300.000 afgesloten bij [naam bedrijf 2] . In de leenovereenkomst is onder andere opgenomen dat:
- 3% rente per jaar verschuldigd is;
- de lening is aangegaan voor een periode van 30 jaar;
- de lening in deze periode annuïtair dan wel nog sneller wordt afgelost.
5. Op 30 december 2020 heeft belanghebbende een lening (nummer V) van € 300.000 afgesloten bij [naam bedrijf 2] . In de leenovereenkomst is onder andere opgenomen dat:
- 4% rente per jaar verschuldigd is;
- de lening is aangegaan voor een periode van 30 jaar;
- de lening in deze periode annuïtair dan wel nog sneller wordt afgelost.
6. De in 2019 en 2020 afgesloten leningen zijn gebruikt om de lening bij [naam bank] af te lossen.
7. Alle leningen zijn in januari 2022 volledig afgelost middels een dividenduitkering.
8. Uit Registratie Bank Gegevens (hierna: RBG) blijkt het volgende verloop van de hypotheek bij [naam bank]:
9. Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV over het jaar 2019 gedaan. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is als volgt samengesteld:
10. Het saldo van inkomsten en aftrekposten ter zake van de eigen woning over 2019 is volgens de aangifte als volgt samengesteld:
11. De inspecteur heeft met dagtekening 3 december 2021 de aanslag 2019 opgelegd conform de ingediende aangifte.
12. De inspecteur heeft met dagtekening 15 december 2023 een navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2019 opgelegd. Het daarin opgenomen belastbaar inkomen uit werk en woning is als volgt samengesteld:
13. Het saldo van inkomsten en aftrekposten ter zake van de eigen woning over 2019 is volgens de navorderingsaanslag als volgt samengesteld:
14. Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV over het jaar 2020 gedaan. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is als volgt samengesteld:
15. Het saldo van inkomsten en aftrekposten ter zake van de eigen woning over 2020 is volgens de aangifte als volgt samengesteld:
16. De inspecteur heeft met dagtekening 10 november 2023 een aanslag IB/PVV over het jaar 2020 opgelegd. Het daarin opgenomen belastbaar inkomen uit werk en woning is als volgt samengesteld:
17. Het saldo van inkomsten en aftrekposten ter zake van de eigen woning over 2020 is volgens de navorderingsaanslag als volgt samengesteld:
Beoordeling door de rechtbank
18. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de navorderingsaanslag 2019 en de aanslag 2020 naar de juiste bedragen heeft opgelegd. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
19. In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op aftrek van rente ter zake van eigenwoningschulden ter zake van leningnummer IV en leningnummer V ten bedrage van € 2.014 (2019) en € 8.942 (2020).
20. Niet in geschil is dat leningnummer IV en leningnummer V voldoen aan het oogmerkvereiste. De rechtbank gaat er bij de beoordeling daarom vanuit dat de leningen zijn aangegaan in verband met de eigen woning.
21. Belanghebbende heeft gesteld dat de leningen weliswaar zijn aangegaan voor een periode van 30 jaar, maar dat dat niet fataal is omdat de looptijd van de lening nog niets zegt over wat gedurende de looptijd daadwerkelijk zal gebeuren voor wat betreft de aflossingen. Er staat bij het aangaan van de lening immers nog niet vast hoe lang de daadwerkelijke looptijd zal zijn. De inspecteur heeft gesteld dat reeds doordat een te lange looptijd is afgesproken, geen sprake is van een eigenwoningschuld.
22. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur terecht de rente ter zake van leningnummers IV en V niet als eigenwoningrente in aftrek heeft toegestaan. De rechtbank licht dit oordeel als volgt toe.
Rechtskader
23. De belastbare inkomsten uit eigen woning bestaan uit de voordelen uit eigen woning verminderd met de op die voordelen drukkende aftrekbare kosten. Onder de aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning vallen onder meer de renten van schulden die behoren tot de eigenwoningschuld. Bepalend voor het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op aftrek van de door haar betaalde rente, is dus of de leningen IV en V als eigenwoningschuld kan worden aangemerkt.
24. Onder eigenwoningschuld wordt verstaan het gezamenlijke bedrag van de schulden van de belastingplichtige:
a. die zijn aangegaan in verband met een eigen woning;
b. ter zake waarvan een contractuele verplichting geldt tot het gedurende de looptijd ten minste annuïtair en in ten hoogste 360 maanden volledig aflossen overeenkomstig artikel 3.119c;
c. ter zake waarvan aan de verplichting tot aflossing wordt voldaan (aflossingseis),
d. en ter zake waarvan, ingeval artikel 3.119g van toepassing is, aan de verplichting tot informatieverstrekking, bedoeld in dat artikel, wordt voldaan.
25. Als een schuld tijdens de looptijd voor hetzelfde of een lager bedrag wordt vervangen door een nieuwe schuld, geldt dat de looptijd van de nieuwe contractuele verplichting nog maximaal de resterende looptijd van de voorgaande schuld mag zijn.
Toepassing op de zaak
26. De stelplicht en bewijslast dat sprake is van een eigenwoningschuld rust op belanghebbende.
27. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende voor onderhavige leningen IV en V niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een eigenwoningschuld. Leningen IV en V zijn feitelijk een voortzetting van de lening bij [naam bank]. In de overeenkomsten bij de leningen IV en V is een looptijd opgenomen van 360 maanden, zonder dat daarbij rekening is gehouden met de reeds verstreken looptijd van de lening bij [naam bank]. Bij elkaar is de looptijd van de desbetreffende leningen dus langer dan 360 maanden. Belanghebbende is bij de berekening van de annuïteit voor de leningen IV en V eveneens van een looptijd van 360 maanden uitgegaan, zonder daarbij rekening te houden met de reeds verstreken looptijd van de lening bij [naam bank]. Daarmee wordt niet voldaan aan het bepaalde in artikel 3.119c, derde lid, van de Wet IB 2001.
28. Belanghebbende stelt dat de leningen in 2022 middels verrekening met een dividenduitkering vanuit [naam bedrijf 1] zijn afgelost en dat daardoor de maximale termijn van 360 maanden uiteindelijk niet is overschreden. De beroepsgrond slaagt niet. Voor de vraag of sprake is van een eigenwoningschuld is namelijk de contractuele verplichting leidend. Op basis van de contractuele verplichting is in de van belang zijnde jaren geen sprake van eigenwoningschulden, zoals hiervoor al geoordeeld. Dat feitelijk eerder is afgelost, is hiervoor niet relevant.
29. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking.
Conclusie en gevolgen
30. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de navorderingsaanslag 2019 en de aanslag 2020 met de daarbij behorende belastingrentebeschikkingen in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, voorzitter, en mr. J.A.L. Heldens en mr. J. Kluft, leden, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.
Uitgesproken op 11 februari 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.