2. Tussen partijen vaststaande feiten
Eiseres, opgericht op [datum] 2001, heeft tot doel het bevorderen van de totstandkoming van culturele activiteiten waarbij zij zich in het bijzonder richt op een publiek met een multiculturele achtergrond. In dat kader organiseert eiseres jaarlijks een muziekfestival onder de naam “ [X] ” dat voor het publiek gratis toegankelijk is. Op het festivalterrein is ook een informatiemarkt aanwezig waarvoor eiseres de benodigde stands verpacht. Tevens verzorgt eiseres de verstrekking van spijzen en dranken.
Tijdens de onderhavige tijdvakken bestaan de inkomsten van eiseres uit een subsidie van de gemeente [vestigingsplaats] , de onder 2.1 genoemde horecaomzet, verpachtingen en sponsorbijdragen. Het met omzetbelasting belaste deel van de opbrengst, dat ziet op de drie laatstgenoemde activiteiten, bedraagt 14% in 2003, 10% in 2004, 19% in 2005 en 19% in 2006.
Op 25 april 2007 is een boekenonderzoek ingesteld. Naar aanleiding van dit onderzoek is de onder 1.1.2 bedoelde naheffingsaanslag opgelegd en is de voor 2006 gevraagde teruggaaf niet verleend.
Met ingang van het jaar 2007 betalen de bezoekers van het muziekfestival “ [X] ” entree.
3. Geschil en standpunten van partijen
In geschil is in hoeverre eiseres recht heeft op aftrek van voorbelasting. Het geschil spitst zich toe op de vraag in hoeverre eiseres is aan te merken als ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting (Wet OB).
Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en verlening van een teruggaaf omzetbelasting voor het tijdvak
1 januari tot en met 31 december 2006 van € 20.400 en vernietiging van de naheffingsaanslag en beschikking heffingsrente voor het tijdvak 1 januari 2003 tot en met
31 december 2005.
Verweerder concludeert primair tot niet-ontvankelijkverklaring van de beroepen en subsidiair tot ongegrondverklaring van de beroepen.
Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken en naar het aangehechte proces-verbaal.
4. Beoordeling van het geschil
Ten eerste is de ontvankelijkheid van de beroepen in geschil. Verweerder stelt zich op het standpunt dat, nu eiseres niet binnen de daartoe door de rechtbank gestelde termijn de aan de beroepschriften klevende gebreken heeft hersteld, de beroepen op grond van artikel 6:6 in verbinding met artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. De rechtbank verwerpt dit standpunt. Mede gelet op de lange doorlooptijden ziet de rechtbank geen aanleiding gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid van artikel 6:6 van de Awb. De beroepen dienen derhalve ontvankelijk te worden verklaard.
Ter zitting is vastgesteld dat het bezwaarschrift in de procedure met het nummer 09/535 tijdig ter post is bezorgd. Verweerder heeft het bezwaar derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, zodat het beroep met het nummer 09/535 om deze reden reeds gegrond dient te worden verklaard.
Vervolgens houdt partijen verdeeld of eiseres met de organisatie van het muziekfestival is opgetreden als ondernemer zoals bedoeld in artikel 7 van de Wet OB, hetgeen eiseres verdedigt en verweerder bestrijdt. De rechtbank is, gelet op hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd, van oordeel dat de met het muziekfestival, de informatiemarkt, de catering, de standverhuur en de reclamediensten gemoeide activiteiten vanwege de nauwe onderlinge samenhang één onsplitsbaar geheel vormen en dat dit geheel van activiteiten, ook al geschiedt de financiering daarvan aanvankelijk hoofdzakelijk uit subsidies, op een commerciële basis plaatsheeft. Dat laatste volgt uit de verklaring van de gemachtigde ter zitting dat in de beginjaren geen entree werd geheven om zo het muziekfestival in de markt te zetten ten einde op langere termijn entree te kunnen vragen. In dit kader heeft de gemachtigde erop gewezen dat met ingang van 2007 entree wordt geheven. Indien een ondernemer ervoor kiest een prestatie tijdelijk om niet te verstrekken met het oog op de verkrijging van een marktaandeel, kan niet worden gezegd dat hij niet handelt met het oog op de daarmee gemoeide economische belangen. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat al die activiteiten, dus ook de organisatie van het muziekfestival zelf, het voor het ondernemerschap voor de omzetbelasting vereiste economische karakter hebben. Eiseres heeft derhalve recht op aftrek van het volledige bedrag van de aan haar berekende voorbelasting.
Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.
5. Proceskosten
De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 805 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van de conclusie van repliek, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).
6. Beslissing
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
De rechtbank:
Aldus gegeven door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. A.J. Roke en mr. C.J. Hummel, rechters, in tegenwoordigheid van E. Hoekman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2010.
Afschrift verzonden aan partijen op:
De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.