RECHTBANK limburg
uitspraak van de meervoudige kamer van 30 januari 2014 in de zaak tussen
[eiseres], te [woonplaats] eiseres
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond, verweerder
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 12 / 1647
(gemachtigde: mr. J.E.A.H. Verstraelen),
en
(gemachtigde: mr. V.L.S. van Cruijningen).
Procesverloop
Bij besluit van 3 mei 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder primair geweigerd te bevestigen dat eiseres in vaste dienst is aangesteld en subsidiair het dienstverband met eiseres beëindigd op andere gronden.
Bij besluit van 29 oktober 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2013, alwaar eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. M.J. Voets, als waarnemer van eiseres’ gemachtigde.
Verweerder is verschenen, vertegenwoordigd door H. Hendrix en M. Huveneers, en bijgestaan door zijn gemachtigde.
Bij tussenuitspraak van 5 november 2013 heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak het door de rechtbank geconstateerde gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in de tussenuitspraak.
Bij brief van 2 december 2013 heeft verweerder de rechtbank bericht dat het aan eiseres een voorstel heeft gedaan tot het treffen van een minnelijke regeling en dat bij het (nog) ontbreken van een reactie van eiseres niet opportuun wordt geacht om gebruik te maken van de door de rechtbank geboden gelegenheid om opnieuw op het bezwaar te beslissen.
Eiseres heeft de rechtbank bij brief van 10 december 2013 bericht dat zij het door verweerder gedane voorstel tot het treffen van een minnelijke regeling heeft afgewezen.
Vervolgens heeft verweerder de rechtbank op 3 januari 2014 bericht dat het overleg tussen eiseres en verweerder niets heeft opgeleverd en dat verweerder nu de einduitspraak van de rechtbank afwacht.
De rechtbank heeft partijen vervolgens bij brief van 22 januari 2014 bericht dat het onderzoek in deze zaak wordt gesloten en dat binnen zes weken na verzending van de brief uitspraak zal worden gedaan.
Overwegingen
Op deze zaak is gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht nog het recht van toepassing zoals dat gold tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekendgemaakt vóór 1 januari 2013.
Uit de hiervoor aangehaalde correspondentie maakt de rechtbank op dat verweerder geen gebruik maakt van de mogelijkheid om het gebrek door middel van toepassing van de bestuurlijke lus te herstellen. De rechtbank zal dan ook een einduitspraak doen.
In de tussenuitspraak, meer in het bijzonder in rechtsoverweging 7, heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft en dat het besluit om die reden voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank ziet geen reden om in de onderhavige (eind)uitspraak tot een ander oordeel te komen. Daarbij worden de overwegingen in de tussenuitspraak in de onderhavige einduitspraak als herhaald en ingelast beschouwd, waarbij de rechtbank deze in de einduitspraak volledig tot de hare maakt.
De rechtbank verklaart het beroep dan ook gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen met inachtneming van de overwegingen uit de tussenuitspraak.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
Er bestaat voorts aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn begroot op in totaal € 974,-- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van een beroepschrift; 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 487,--; wegingsfactor 1).
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de kosten van eiseres in beroep tot een totaalbedrag van € 974,--; -
- bepaalt dat verweerder aan eiseres het in beroep betaalde griffierecht van in totaal € 156,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, voorzitter, en mr. W.A.M. de Loo en mr. D.W.M. Wenders, leden, in aanwezigheid van P.J.C. Bertus, griffier . De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2014.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak en tegen de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.