ECLI:NL:RBLIM:2015:4889

ECLI:NL:RBLIM:2015:4889, Rechtbank Limburg, 10-06-2015, AWB - 13 _ 1503u

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 10-06-2015
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer AWB - 13 _ 1503u
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Maastricht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2016:963
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 3 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0010692

Samenvatting

Eisers ondervinden geluidsoverlast van overvliegende AWACS-vliegtuigen. Zij hebben verweerder verzocht om schadevergoeding. Verweerder heeft het verzoek afgewezen. Het bezwaar van eisers tegen deze afwijzingsbrief heeft verweerder niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank stelt vast dat eisers geen schadeveroorzakend besluit aan hun verzoek om schadevergoeding ten grondslag hebben gelegd. De rechtbank overweegt dat alleen al om die reden niet is voldaan aan het vereiste van de processuele connexiteit. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de afwijzingsbrief niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Verweerder heeft terecht en op goede gronden de bezwaren van eisers niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank ziet geen ruimte om te anticiperen op artikel 4:126 van de Awb.

Uitspraak

3. Hiertegen hebben eisers beroep ingesteld.

4. De rechtbank dient allereerst ambtshalve de vraag te beantwoorden of de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding een besluit bevat in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waartegen bezwaar openstaat bij verweerder en vervolgens beroep bij de rechtbank. Bij de beantwoording van deze vraag is volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 6 april 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ0281) in schadezaken van belang of is voldaan aan de vereisten van de zogenaamde materiële en processuele connexiteit.

Aan het vereiste van materiële connexiteit is voldaan, indien de beweerdelijk geleden schade is veroorzaakt binnen het kader van de uitoefening door het bestuursorgaan, dat de schadebeslissing neemt, van een door dat orgaan aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid. Alleen in een dergelijk geval levert een schriftelijke beslissing omtrent schade die niet is gebaseerd op een in een wet of een beleidsregel voorziene specifieke schadevergoedingsregeling, in beginsel een zogenaamd zelfstandig of zuiver schadebesluit op.

De eis van processuele connexiteit houdt in dat een bestuursrechter slechts bevoegd is tot kennisneming van een beroep tegen een zuiver schadebesluit, indien die rechter ook bevoegd is te oordelen over een beroep tegen de beweerdelijk schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid zelf. Dit betekent dat de bestuursrechter slechts bevoegd is kennis te nemen van een beroep met betrekking tot een dergelijk zuiver schadebesluit, indien de gestelde schadeoorzaak een besluit is waartegen bij die rechter beroep kan worden ingesteld.

5. Eisers hebben in beroep betoogd dat verweerders vergelijking met het vorige schadevergoedingsverzoek niet opgaat, omdat het hier gaat om andere partijen (voorheen was het de vereniging en nu individuele personen) en andere materie (de vorige zaak ging om een passende financiële regeling te treffen en nu gaat het om schadevergoeding). Volgens eisers is er wel degelijk sprake van een voor beroep vatbaar besluit.

6. De rechtbank is van oordeel dat dit betoog faalt.

Eisers hebben geen schadeveroorzakend besluit aan hun verzoek om schadevergoeding ten grondslag gelegd.

7. Gelet hierop stelt de rechtbank dan ook vast dat alleen al om die reden in ieder geval niet is voldaan aan de processuele connexiteit. Derhalve heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat zijn brief van 15 januari 2013 niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Verweerder heeft bij het bestreden besluit terecht en op goede gronden de bezwaren van eisers niet-ontvankelijk verklaard.

8. Ten aanzien van het betoog van eisers dat er in vergelijking met het vorige schadeverzoek sprake is van andere partijen en een andere materie en verweerder dus ten onrechte heeft verwezen naar de hiervoor vermelde rechtbankuitspraak van 30 november 2012 in de eerdere aanvraag over vergoeding van schade door de vereniging, overweegt de rechtbank dat dit verschil niks afdoet aan het hierboven in rechtsoverweging 4 omschreven toetsingskader dat voldaan moet worden aan de vereisten van de zogenaamde materiële en processuele connexiteit. Verweerder heeft in zijn besluitvorming terecht kunnen verwijzen naar de rechtbankuitspraak van 30 november 2012, nu deze redenering ook in het onderhavige verzoek om schadevergoeding op gaat. Het gaat er immers om dat een onderliggende publiekrechtelijke bevoegdheidsuitoefening ontbreekt.

In hoger beroep heeft de Afdeling op 14 augustus 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:754) deze uitspraak bevestigd, zodat de rechtbank van de juistheid van haar oordeel op dit punt kan uitgaan.

9. Voor zover de woordvoerder van een aantal eisers, prof. mr. A.Q.C. Tak, ter zitting heeft verzocht om toekenning van nadeelcompensatie middels anticipatie op het bepaalde in artikel 4:126, van de Awb stelt de rechtbank vast dat dit artikel thans nog niet in werking is getreden (zie het besluit van 22 april 2013, Stb. 2013, nr. 162). Naar het oordeel van de rechtbank zou de anticiperende toepassing van artikel 4:126 van de Awb afbreuk doen aan de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever om voornoemd artikel nog niet in werking te laten treden, omdat er eerst aanpassingswet- en regelgeving tot stand moet komen. De rechtbank ziet dan ook geen ruimte om het verzoek van eisers te honoreren.

10. Het beroep van eisers is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Kluin (voorzitter), en mr. E.P.J. Rutten en

mr. K.M.P. Jacobs, leden, in aanwezigheid van mr. D.H.J. Laeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2015.

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JOM 2015/532
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?