ECLI:NL:RBLIM:2016:5542

ECLI:NL:RBLIM:2016:5542, Rechtbank Limburg, 29-06-2016, AWB - 15 _ 3174,15 _ 3175, 15 _ 3176, 15 _ 3177u

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 29-06-2016
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer AWB - 15 _ 3174
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Roermond
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 2 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002524 BWBR0006358

Samenvatting

-

Uitspraak

12. Bestreden besluit I.

13. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser met ingang van 15 december 2014 (de datum in geding) 35 tot 45% is.

Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB; zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU8290) volgt dat aan een rapport opgesteld door een bezwaarverzekeringsarts, een bijzondere waarde toekomt in die zin, dat verweerder zijn besluiten omtrent de arbeidsongeschiktheid van een betrokkene op dit soort rapportages mag baseren. Het verzekeringsgeneeskundig rapport kan deze waarde verliezen als de betrokkene aannemelijk maakt dat dit rapport niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, inconsequenties bevat of niet concludent is. Het aannemelijk maken dat van een van deze gebreken sprake is, kan gebeuren door niet medisch geschoolden. Dit geldt echter niet voor het aannemelijk maken dat de inhoudelijke medische beoordeling onjuist is. Indien een betrokkene deze beoordeling wil aanvechten zal hij in beginsel zijn stellingen moeten onderbouwen met een rapport van een (andere) reguliere medicus.

Het primaire besluit berust op de bevindingen van de verzekeringsarts. Deze heeft na bestudering van het dossier, spreekuuronderzoek en bij de behandelende psychiater ingewonnen informatie, de voor eiser geldende mogelijkheden en beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Naar aanleiding van het bezwaar van eiser heeft de bezwaarverzekeringsarts een onderzoek ingesteld. Zij heeft het dossier bestudeerd en de hoorzitting bijgewoond. Op grond daarvan is zij tot de conclusie gekomen dat de door de verzekeringsarts opgestelde FML op enkele punten moet worden bijgesteld. Op 6 oktober 2015 is daarom een nieuwe FML opgesteld.

De rechtbank is van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze, volledig en ook overigens conform de eisen die aan een dergelijk onderzoek worden gesteld, heeft plaatsgevonden. Zo hebben de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts de informatie van de behandelende sector in hun beoordeling meegenomen. Niet gebleken is dat die informatie onjuist is uitgelegd. Eiser heeft geen medische gegevens in het geding gebracht die twijfel wekken over de correctheid van de vaststelling van zijn belastbaarheid op de datum in geding. Er is dan ook geen reden om aan te nemen dat de mogelijkheden en beperkingen van eiser op onjuiste wijze in de FML zijn neergelegd.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit op een juiste medische grondslag berust en dat eiser medisch gezien in staat moet worden geacht de geselecteerde functies te vervullen.

De bezwaarbeidsdeskundige heeft op grond van de door de bezwaarverzekeringsarts opgestelde FML met behulp van het CBBS opnieuw functies geselecteerd, die eiser, gelet op de voor hem geldende medische beperkingen en zijn krachten en bekwaamheden, zou moeten kunnen vervullen. Voor de berekening van het verlies aan verdienvermogen heeft hij de -als algemeen geaccepteerde arbeid aangemerkte- functies “productiemedewerker industrie” (SBC-code: 111180), “productiemedewerker metaal en elektro-industrie”(SBC-code 111171) en “inpakker” (SBC-code: 111190) als uitgangspunt genomen. Ten aanzien van in het CBBS bij de geselecteerde functies voorkomende signaleringen, duidend op een mogelijke overschrijding van eisers belastbaarheid, heeft de bezwaararbeidsdeskundige in het resultaat fucntiebeoordeling en in zijn rapport nader toegelicht waarom deze functies ondanks die signaleringen toch voor eiser in aanmerking komen.

De rechtbank is van oordeel dat de wijze waarop de arbeidskundige beoordeling heeft plaatsgevonden in overeenstemming is met het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en de overigens daaraan te stellen eisen en dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat eiser op de in geding zijnde datum in staat was om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen.

Ten aanzien van hetgeen in beroep is aangevoerd over het alsnog duiden van andere functies overweegt de rechtbank dat verweerder alvorens het besluit te nemen eiser(s gemachtigde) bij brief van 9 oktober 2015 geïnformeerd over de functieduiding.

Over hetgeen in beroep is aangevoerd met betrekking tot de re-integratieverplichting geeft de rechtbank geen oordeel omdat dat het bestreden besluit te buiten gaat.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

14. Bestreden besluit III

Verweerder heeft in het bestreden besluit het volgende overwogen.

Met ingang van 1 januari 2015 is aan de WAO artikel 39c toegevoegd. Hierin is bepaald dat wanneer er sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid en er is recht op loondoorbetaling, ziekengeld of bezoldiging, de wachttijd 104 weken bedraagt. Eiser had een dienstbetrekking en heeft zich per 21 januari 2015 toegenomen

arbeidsongeschikt gemeld. Dit betekent dat er een wachttijd van 104 weken geldt. Daarnaast is er geen sprake is van een samengestelde periode met betrekking tot de ziekmelding van 17 december 2012. Perioden van toegenomen arbeidsongeschiktheid worden samengeteld indien zij elkaar, met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. De melding van 21 januari 2015 ligt meer dan vier weken na het voltooien van de wachttijd op 15 december 2014 waardoor de samentellingsregeling niet van toepassing is.

De rechtbank ziet geen aanleiding verweerders standpunt voor onjuist te houden.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

15. De bestreden besluiten II en IV

In artikel 1:3, eerste lid van de Awb wordt onder een besluit waartegen op grond van artikel 7:1 in samenhang met artikel 8:1 van de Awb bezwaar kan worden gemaakt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Met het begrip rechtshandeling wordt bedoeld een handeling die is gericht op rechtsgevolg.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de brieven van 24 maart 2015 en 19 juli 2015, waartegen de bezwaren zijn gericht, niet worden gezien als besluiten in de zin van de Awb nu deze niet op rechtsgevolg zijn gericht.

Uit de gedingstukken is namelijk gebleken dat verweerders brief van 24 maart 2015 een toezendingsbrief is, betrekking hebbend op primair besluit I en een mededeling van feitelijke aard behelst. Voorts is gebleken dat het besluit dat op rechtsgevolg is gericht, waar de brief van 19 juli 2015 betrekking op heeft, het primaire besluit van 21 april 2015 is, waar eiser ook bezwaar tegen heeft gemaakt, op welk bezwaar bij besluit van 30 oktober 2015 is beslist.

Gelet op het vorenstaande zijn de bezwaren tegen de brieven van 24 maart 2015 en 19 juli 2015 terecht niet-ontvankelijk verklaard.

De beroepen tegen de bestreden besluit II en IV zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

16. De rechtbank heeft vastgesteld dat de zaken 15/3174 en 15/3175 als samenhangend moeten worden aangemerkt en dat daarom voor deze zaken maar een maal griffierecht is verschuldigd. Nu voor deze zaken twee maal griffierecht is betaald, zal de rechtbank een maal het griffierecht terugbetalen.

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten I, II, II en IV ongegrond;

-bepaalt dat de rechtbank een bedrag van € 45,-- voor te veel betaald griffierecht aan eiser terug zal betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van J.C. Kupers-Leenen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2016.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 29 juni 2016

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als er hoger beroep is ingesteld, kan aan de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?