4. De rechtbank overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 8:6, eerste lid, van de CAR-UWO kan ontslag aan de ambtenaar worden verleend op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie anders dan op grond van ziekten of gebreken. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol verleend.
Ingevolge vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2004:AR6915) moet de ongeschiktheid worden aangetoond aan de hand van concrete en objectief vastgestelde gedragingen van de ambtenaar. Voorts moet de ambtenaar in de gelegenheid zijn gesteld zijn functioneren te verbeteren.
5. Over eisers medische situatie overweegt de rechtbank dat uit de door eiser overgelegde medische gegevens blijkt dat sprake is van darmproblematiek bij eiser en dat de bedrijfsarts beperkingen heeft vastgesteld voor stresserende omstandigheden.
Blijkens het verslag van de bedrijfsarts Haazen van 14 mei 2015 is eiser echter, normaal gesproken, wel, zonder beperkingen, gewoon inzetbaar voor zijn eigen werkzaamheden, die niet zwaar lichamelijk belastend zijn. In dit verband heeft eiser ter zitting ook verklaard dat hij niet arbeidsongeschikt is voor het verrichten van zijn functie.
De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat niet gezegd kan worden dat verweerder, zoals eiser stelt, onvoldoende rekening zou hebben gehouden met eisers medische situatie.
6. Over de vraag of eiser ongeschikt/onbekwaam is voor de vervulling van zijn functie overweegt de rechtbank het volgende.
Uit de gedingstukken: e-mails (bijvoorbeeld van 19 november 2013) en gespreksverslagen blijkt dat eiser in de periode 2013/2014 zijn werkzaamheden zowel kwantitatief als kwalitatief niet goed uitvoerde.
In de op 21 oktober 2014 vastgestelde beoordeling door de gemeente Kerkrade over de periode van 1 januari 2013 tot 16 juli 2014 is het functioneren van eiser dan ook gekwalificeerd als ‘onvoldoende’ (voor alle onderdelen). Eiser heeft tegen deze beoordeling geen bezwaar gemaakt, zodat deze in rechte is komen vast te staan.
De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat verweerder de ongeschiktheid van eiser voor de vervulling van zijn functie voldoende heeft aangetoond.
7. Over het zogenaamde ‘verbetertraject’ overweegt de rechtbank het volgende.
Bij brief van 30 januari 2015 heeft verweerder eiser, onder verwijzing naar de gemaakte afspraken zoals neergelegd in een ‘plan van aanpak’, meegedeeld dat hij in de komende
4 maanden (tot 1 juni 2015) zal moeten aantonen dat hij in staat is zijn functie tot volle tevredenheid en volwaardig in te vullen (verbetertraject).
Blijkens de e-mails en gespreksverslagen, die onderdeel uitmaken van de gedingstukken (bijvoorbeeld: de 2-wekelijkse evaluatiegesprekken), is eiser hier niet in geslaagd.
8. Over eisers stelling dat hij gedurende het verbetertraject veelvuldig ziek is geweest, overweegt de rechtbank dat hij gedurende de dagen dat hij wel aanwezig was niet heeft kunnen aantonen geschikt te zijn voor zijn functie. In dit verband acht de rechtbank het eveneens van belang dat hij geen enkel examen voor zijn (noodzakelijke) opleidingen succesvol heeft afgelegd. Voorts heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting, onweersproken, gesteld dat eisers werklast en werktijden destijds zijn aangepast.
9. Over eisers stelling dat hij niet om uiterlijk 09.00 uur op zijn werk kan komen, overweegt de rechtbank dat dit blijkens het voornemen tot ontslagverlening en het primaire besluit niet de reden was voor het ontslag, maar dat de reden hiervoor was gelegen in de structureel gebrekkige invulling door eiser van zijn functie.
10. Over eisers stelling dat hij geen inspraak heeft gehad bij de opstelling van het ‘plan van aanpak’ overweegt de rechtbank dat het de bevoegdheid van de werkgever is en niet van de werknemer om te bepalen welk traject wordt gevolgd indien een werknemer niet naar behoren functioneert, aan wie de opdracht daartoe wordt gegeven en welk resultaat dient te worden bereikt (zie bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2015:4603).
11. Op grond van voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiser een reële kans heeft gegeven om zijn functioneren te verbeteren. Aangezien eiser hierin niet is geslaagd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om eiser ontslag wegens ongeschiktheid/onbekwaamheid te verlenen.
12. Het beroep is ongegrond.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.P. Letschert (voorzitter), en mr. E.P.J. Rutten en
mr. T.G. Klein, leden, in aanwezigheid van mr. E.W. Seylhouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2016.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op: 6 juli 2016
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.