14. De rechtbank overweegt als volgt.
15. In geschil is of verweerder op goede gronden is overgegaan tot intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering van eiser.
16. Ingevolge vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), zie onder meer de uitspraak van 2 september 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BF0669, vormt schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene feiten te stellen en zo nodig te bewijzen dat, indien wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan, over de betreffende periode recht op bijstand zou hebben bestaan.
17. Verweerder heeft onder verwijzing naar Tweede Kamerstukken en rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep beargumenteerd dat de bevoegdheid om tot intrekking of herziening en terugvordering over te gaan vanaf 1 januari 2004 in alle gevallen aan de artikelen 54, 58 en 59 van de PW wordt ontleend en dat bij terugvordering de regelgeving moet worden toegepast zoals die gold ten tijde van het verlenen van de bijstand. Verweerder heeft aangegeven dat drie tijdvakken zijn te onderscheiden, namelijk de periode van
1 juli 1997 tot 1 januari 2004, de periode van 1 januari 2004 tot 1 augustus 2004 (het moment waarop onder andere de afstemmingsverordening en de re-integratieverordening in de gemeente van kracht zijn) en de periode vanaf het moment dat onder andere de afstemmingsverordening in de gemeente van kracht zijn namelijk vanaf 1 augustus 2004.
Voor wat betreft de eerste periode kunnen de kosten van bijstand worden teruggevorderd met toepassing van artikel 58 van de PW en het vaststellen of en in welke mate belanghebbende achteraf gezien recht had op bijstand dient te geschieden aan de hand van de Algemene bijstandswet (Abw; eventuele schending inlichtingenverplichting artikel 65 Abw). Voor de tweede periode geldt dat kosten van bijstand kunnen worden teruggevorderd met toepassing van artikel 58 van de PW en het vaststellen of en in welke mate belanghebbende achteraf gezien recht had op bijstand dient te geschieden aan de hand van de PW. Een eventuele schending van de inlichtingenplicht moet echter nog worden gebaseerd op artikel 65 van de Abw. Voor de derde periode geldt dat de kosten van bijstand kunnen worden teruggevorderd met toepassing van enkel de PW. Een eventuele schending van de inlichtingenplicht moet worden gebaseerd op artikel 17 van de PW. Verder is van belang dat op grond van artikel 78b, eerste lid, van de PW alle toekenningsbesluiten krachtens de Abw van rechtswege gelden als toekenningsbesluiten krachtens de PW.
18. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om aan de juistheid van dat standpunt te twijfelen. Eiser heeft dit standpunt over de wettelijke grondslag ook verder niet betwist.
19. De rechtbank merkt verder op dat het bestreden besluit zo moet worden opgevat, zoals ook ter zitting is bevestigd door verweerders gemachtigde, dat eiser in de in geding zijnde periode de inlichtingenplicht heeft geschonden en dat gelet op eisers uitgavenpatroon het recht op bijstand niet is vast te stellen zodat verweerder is overgegaan tot intrekking van de besluiten tot de toekenning van bijstand en is overgegaan tot terugvordering.
Verjaring
20. Ten aanzien van eisers beroepsgrond dat de terugvordering is verjaard oordeelt de rechtbank als volgt.
21. Zoals verweerder in het bestreden besluit heeft aangegeven kent de PW geen termijn waarbinnen een besluit tot terugvordering op grond van artikel 58 van de PW dient te worden genomen. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB (bijvoorbeeld CRvB 8 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY7958) wordt voor de verjaring aansluiting gezocht bij artikel 3:309 van het BW. Op grond van deze bepaling verjaart de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden. In aansluiting op dit artikel vangt de verjaringstermijn voor het nemen van een terugvorderingsbesluit van onverschuldigd betaalde bijstaand aan op het moment dat het bijstandsverlenend orgaan bekend is geworden met feiten of omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat aan de betrokkenen wellicht ten onrechte bijstand is verleend.
22. Eisers stelling dat verweerder al in 2008-2009 bekend is geworden met mogelijk ten onrechte verstrekte bijstand volgt de rechtbank niet. In 2008 en 2009 hebben waarnemingen en raadplegen van GBA, RDW, Belastingdienst, bankgegevens, internet plaatsgevonden. In januari 2010 hebben een huiszoeking bij eiser en een aanhouding plaatsgevonden, tevens zijn politiedossiers geraadpleegd. De bevindingen van die onderzoeken hebben geresulteerd in een stamproces-verbaal van 3 mei 2011. Niet eerder dan vanaf dat moment werd voor verweerder duidelijk dat er mogelijk ten onrechte bijstand is verstrekt. Niet gesteld kan worden dat er al in 2008 en 2009 feiten en omstandigheden waren waaruit bleek dat mogelijk ten onrechte uitkering werd verstrekt. De zaak was toen wel in onderzoek, maar naar het oordeel van de rechtbank te weinig concreet om dan al te kunnen stellen dat mogelijk ten onrechte bijstand is verstrekt. Verweerders standpunt in het verweerschrift dat het moment van bekendheid pas is gekomen met het rapport van de sociale recherche van 12 februari 2016 volgt de rechtbank evenmin. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder op 3 mei 2011, het moment waarop het opsporingsonderzoek is afgesloten, bekend geworden met feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat aan eiser wellicht ten onrechte bijstand is verleend. De verjaring wordt op grond van de rechtspraak gestuit door het nemen van een besluit tot terugvordering. Aangezien het terugvorderingsbesluit binnen 5 jaar na 3 mei 2011 is genomen, namelijk op 1 april 2016, is de terugvordering niet verjaard.
Lange duur voor nemen van het terugvorderingsbesluit
23. Ten aanzien van eisers beroepsgrond omtrent de lange duur van de procedure omdat verweerder voldoende gelegenheid heeft gehad om eerder over te gaan tot terugvordering, overweegt de rechtbank het volgende.
24. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser verduidelijkt dat met deze grond niet wordt gedoeld op de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) maar dat met deze grond wordt bedoeld dat verweerder het besluit tot terugvordering in een veel eerder stadium had kunnen en moeten nemen. Verweerder heeft zich immers als benadeelde partij gevoegd in de strafzaak en toen al haar vordering begroot. Het verzoek is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard bij vonnis van 6 november 2013 en sindsdien zijn er ruim twee jaar verstreken. Eiser mocht er gerechtvaardigd op vertrouwen dat verweerder niet meer tot terugvordering zou overgaan.
25. De rechtbank is van oordeel dat verweerder er niet onredelijk lang over heeft gedaan om een besluit tot terugvordering te nemen en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Na het proces-verbaal in mei 2011 diende verweerder, die kennelijk eerst de vordering in de strafzaak heeft afgewacht, nog een vertaalslag voor de te nemen bestuursrechtelijke besluiten te maken. Verweerder kon daarbij niet zonder meer alleen uitgaan van de strafrechtelijke procedure, maar diende zich een eigen oordeel te vormen. Nadat de strafrechter in november 2013 uitspraak had gedaan waarbij de vordering van verweerder was afgewezen, diende verweerder vervolgens nog na te gaan wat een en ander in bestuursrechtelijke zin voor consequenties had en dat heeft geleid tot het rapport van 12 februari 2016 dat ten grondslag heeft gelegen aan het primaire besluit. Eisers stelling dat hij er, nadat de strafrechter uitspraak had gedaan in 2013 en een tijd niks had gehoord van verweerder, gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat verweerder niet meer zou overgaan tot terugvordering, volgt de rechtbank dan ook niet. Van toezeggingen aan verweerders kant is immers geen sprake geweest. Verder had het ook op de weg van eiser gelegen om navraag te doen bij verweerder. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde toegelicht dat de reden voor het tijdsverloop vanaf het strafrechtelijk vonnis tot het nemen van het primaire besluit ook (mede) is gelegen in het feit dat de behandelend ambtenaren zijn bedreigd hetgeen aanleiding is geweest voor verweerder om de behandeling van de bezwaarprocedure uit te besteden.
Gebrekkige motivering
26. Eiser heeft voorts aangevoerd dat het bestreden besluit gebrekkig is gemotiveerd omdat verweerder niet is ingegaan op de andere bezwaargronden. Eiser heeft deze gronden in beroep gehandhaafd en nader toegelicht. Eiser heeft samengevat aangevoerd dat verweerder een eigen onderzoek had moeten verrichten en eiser had moeten uitnodigen voor een gesprek alvorens een besluit te nemen. Verder heeft eiser aangevoerd dat geen sprake was van samenwonen, dat de periode van terugvordering onjuist is, dat het overzicht van de maandelijkse inkomsten en uitgaven een vertekend beeld geeft en dat er sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien.
27. De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit wordt verwezen naar het advies van de commissie en naar het verweerschrift naar het aanleiding van het bezwaar waarin op de bezwaargronden van eiser is ingegaan. Niet valt in te zien dat het bestreden besluit in dat opzicht gebrekkig is gemotiveerd.
28. Verweerder heeft op basis van de bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek onderzocht welke gegevens relevant zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand en heeft op basis van die gegevens eigen conclusies getrokken over de rechtmatigheid van de verleende bijstand. Er zijn geen aanknopingspunten om anders over de feiten te oordelen. Eiser heeft verder niets aangevoerd waaruit blijkt dat verweerder onvoldoende eigen onderzoek heeft gedaan. Bovendien heeft eiser in de bezwaarfase geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid zijn bezwaar mondeling toe te lichten. Naar het oordeel van de rechtbank is het onderzoek van verweerder voldoende zorgvuldig geweest en bestond er op basis van de ter beschikking staande gegevens geen aanleiding om eiser uit te nodigen voor een gesprek.
29. Verder heeft niet het voeren van een gezamenlijke huishouding ten grondslag gelegen aan de intrekking van de bijstand maar het feit dat eiser geen melding heeft gedaan van inkomsten en vermogen waardoor niet is vast te stellen of recht op bijstand heeft bestaan.
30. Voor wat betreft de periode waarover verweerder heeft teruggevorderd blijkt uit de stukken dat eiser in de in het geding zijnde periode, namelijk vanaf 1 januari 2002 tot en met 30 september 2009 (met uitzondering van de periode 22 maart 2005 tot en met 25 april 2005) geen melding heeft gedaan van inkomsten en vermogen en dat dit de grondslag is geweest voor intrekking en terugvordering over de genoemde periode. Er is uit onderzoek voldoende komen vast te staan dat eiser in ieder geval vanaf begin 2002 heeft beschikt over inkomsten en vermogen (zoals het bezit van een BMW X5, facturen van de werkplaatsbezoeken op naam van eiser, de stortingen op de ING-bankrekening op 18 oktober 2001 van € 22.688,95 en op 31 januari 2002 van € 8.160,65, het saldo op de bankrekening op 18 januari 2002 van € 18.206,18 en de kosten van het trouwfeest op 15 september 2006 begroot op € 14.250,00).
31. Dat het overzicht van de maandelijkse inkomsten en uitgaven volgens eiser een vertekend beeld geeft en het saldo van de bankrekening leidend dient te zijn volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft daarover terecht opgemerkt dat niet alleen de saldi volgens de bankafschriften, maar alle (tussentijdse) inkomsten, uitgaven en vermogensbestanddelen van belang zijn. Aannemelijk is gemaakt dat eiser meer uitgaven had dan inkomsten en dat hij er een aanzienlijk luxere levensstijl op na hield dan op grond van het inkomen uit bijstand en de andere opgegeven inkomsten mogelijk was.
32. Vast is komen te staan dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden door geen melding te maken van inkomsten en vermogen. Uit het onderzoek is gebleken dat eiser gelet op het uitgavenpatroon in de betreffende periode de beschikking heeft gehad over dermate veel geld en vermogen dat hij zeer waarschijnlijk geen recht op bijstand zou hebben gehad. Eiser heeft niets naar voren gebracht waaruit blijkt dat indien hij wel aan de inlichtingenplicht had voldaan hij in de periode vanaf 1 januari 2002 tot en met
30 september 2009 (met uitzondering van de periode vanaf 22 maart 2005 tot en met
25 april 2005) wel recht op uitkering zou hebben gehad. Dit vormt reeds een grond om tot intrekking van de uitkering over te gaan. Verweerder is op goede gronden overgegaan tot volledige intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering. Eiser heeft aangevoerd dat sprake is van een dringende reden op grond waarvan tot matiging van de terugvordering moet worden overgegaan. Eiser stelt dat hij gelet op de hoogte van het terug te vorderen bedrag dit nooit kan terugbetalen en dat hij daarnaast nog andere schulden heeft zodat terugvordering zal leiden tot ernstige financiële problemen. Eiser heeft dit verder niet onderbouwd. Het feit dat sprake is van een groot bedrag aan terugvordering is geen reden om tot matiging van de terugvordering over te gaan. Verder zal verweerder bij de tenuitvoerlegging van het terugvorderingsbesluit rekening dienen te houden met de beslagvrije voet. Het tijdsverloop tussen de uitspraak van de strafrechter en het primaire besluit valt tenslotte evenmin als een dringende reden aan te merken.
33. Het beroep is ongegrond.
34. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers (voorzitter), en mr. P.J. Voncken en
mr. J. Bijveld, leden, in aanwezigheid van mr. R.G. Cremers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2017.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op: 31 oktober 2017
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.