4. Eisers wonen aan de [adres 3] respectievelijk [adres 4] .
Eisers voeren in beroep aan dat door de woningsplitsing sprake is van een planologische verzwaring. In de Burgemeester Van Oppenstraat zijn reeds veel woningen gesplitst of in gebruik voor kamerverhuur, wat een grote impact heeft op de woon- en leefomgeving in deze straat. Eisers betwisten dat de woning reeds voor 21 mei 2013 is gerealiseerd. Volgens het beleid is splitsing daarom alleen mogelijk wanneer de woning een woonoppervlakte van minimaal 110 m² heeft. De woning heeft echter een kleinere oppervlakte. Ook is niet voldaan aan de in het beleid geformuleerde voorwaarde dat in de hele gemeente Maastricht per jaar maximaal 40 wooneenheden mogen worden gesplitst. Verder voeren eisers aan dat in de Burgemeester Van Oppenstraat een structureel tekort aan parkeerplaatsen bestaat en sprake is van parkeeroverlast. Door de woningsplitsing neemt het aantal huishoudens toe en dus ook het aantal benodigde parkeerplaatsen. Verweerder heeft de parkeerproblematiek onvoldoende in kaart gebracht. Niet is onderbouwd waarom voor de woningen [adres 1] en [adres 2] 0,6 parkeerplaats per woning voldoende is.
Het beleid voorziet volgens eisers ten onrechte niet in een maximumpercentage aan te splitsen woningen of enig ander instrument om het woon- en leefklimaat in een straat te waarborgen. Verweerder heeft de onderhavige aanvraag voor woningsplitsing ten onrechte op zichzelf aan het beleid getoetst, zonder rekening te houden met het totaalbeeld in de Burgemeester Van Oppenstraat als gevolg van de reeds in deze straat gerealiseerde woningsplitsingen en kamerverhuren. Dit totaalbeeld is dat eisers overlast ondervinden van zwerfvuil, lawaai, knaagdieren, geparkeerde auto’s en motoren.
Eisers achten het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende gemotiveerd. Zij vinden dat verweerder de vergunning gelet op de betrokken belangen in redelijkheid niet had mogen afgeven.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. Niet in geschil is dat de woningsplitsing in strijd is met het vigerende bestemmingsplan Maastricht Centraal. Aan de hand van de beroepsgronden moet worden beoordeeld of verweerder van het bestemmingsplan heeft mogen afwijken, waarbij in het bijzonder van belang is of verweerder heeft gehandeld in overeenstemming met de toepasselijke beleidsregels en met het vereiste dat de vergunde activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
7. Eisers achten het beleid gebrekkig in die zin dat volgens het beleid bij een aanvraag voor woningsplitsing, in de zin van splitsing van een woning in twee of meer zelfstandige woningen, geen rekening wordt gehouden met het aantal woningen in de straat dat reeds gesplitst is of voor kamerverhuur wordt gebruikt. De rechtbank vat dit betoog aldus op dat eisers stellen dat het beleid, nu daarin geen maximum is gesteld aan het aantal in een straat te splitsen woningen, onredelijk is en buiten toepassing dient te blijven.
Verweerder heeft toegelicht dat in het beleid alle belangen zorgvuldig zijn afgewogen en uitdrukkelijk is gekeken naar het effect van een vergunning op de leefbaarheid in de buurt. Woningsplitsing betekent een toename van het aantal huishoudens. Bij vestiging van nieuwe kamers in een pand ten behoeve van kamergewijze verhuur (bijvoorbeeld aan studenten), hetgeen in de beleidsregels wordt aangeduid als woningomzetting, moet op grond van het beleid gekeken worden naar het aantal panden in de straat dat reeds voor kamergewijze verhuur wordt gebruikt en naar de afstand tot andere panden met kamergewijze verhuur. Het beleid schrijft dit in het geval van woningsplitsing niet voor. In de praktijk is verweerder op grond van onderzoek en evaluaties namelijk gebleken dat overlast vanuit een gesplitste woning minder vaak voorkomt dan vanuit een pand dat voor kamergewijze verhuur wordt gebruikt. Bij splitsing is sprake van zelfstandige woningen en daardoor een ander gebruik van het pand. Er zijn, in tegenstelling tot bij kamergewijze verhuur, geen gemeenschappelijke ruimtes, zodat er minder kans is dat bewoners van deze woningen overlast geven. Wel zijn ook bij woningsplitsing, mede naar aanleiding van de gehouden inspraak, in het beleid voorschriften opgenomen op pandniveau ten aanzien van de stalling van fietsen, de opslag van huishoudelijk afval en parkeren.
Uit het voorgaande blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder een bewuste keuze heeft gemaakt om in het beleid bij woningsplitsing geen maximumpercentage of afstandscriterium op straatniveau vast te stellen. In dat verband acht verweerder het leefpatroon en de invloed op de omgeving bij bewoning van een in zelfstandige woningen gesplitst pand vergelijkbaar met het leefpatroon en de invloed op de omgeving bij bewoning van een eengezinswoning. Bewoning van een zelfstandige woning door een student is volgens verweerder ook anders dan kamerbewoning door een student. De rechtbank acht het beleid, gelet op de door verweerder gegeven toelichting op het ontbreken bij woningsplitsing van een straatmaximumtoets, niet onredelijk. Daarbij komt nog dat in dit geval sprake is van slechts één extra woning in het pand en verweerder heeft aangegeven dat het beleid in ontwikkeling is en periodiek geëvalueerd en bijgesteld wordt waarbij rekening wordt gehouden met de belangen van omwonenden, studenten en eigenaars. Voor zover eisers beroepgronden ertoe strekken te betogen dat het beleid wat betreft woningsplitsing onredelijk is volgt de rechtbank hen daarin niet.
8. Om vast te kunnen stellen welke voorschriften van het beleid van toepassing zijn is van belang of de woningsplitsing reeds vóór 21 mei 2013 heeft plaatsgevonden. Eisers hebben betwist dat de woningsplitsing reeds vóór 21 mei 2013 heeft plaatsgevonden. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de woning toen reeds gesplitst was en heeft ter onderbouwing van dit standpunt twee (geanonimiseerde) huurovereenkomsten, een huisnummerbesluit van 11 juli 2012 en gegevens uit de Basisregistratie persoonsgegevens overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met voormelde gegevens, welke door eisers niet zijn weersproken, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de woning reeds vóór 21 mei 2013 is gesplitst.
9. Nu de woning op 21 mei 2013 reeds was gesplitst, hoefde deze woningsplitsing ingevolge het beleid niet te voldoen aan de voorwaarde dat de woningsplitsing past binnen het woningbouwprogramma (voorschrift A van het beleid) noch aan de voorwaarde dat de woning minimaal een oppervlakte heeft van 110 m² (voorschrift C1 van het beleid). De beroepsgronden over het maximum aantal wooneenheden en de oppervlakte van de woning kunnen daarom onbesproken blijven.
10. Op grond van het beleid moet de onderhavige woningsplitsing wel voldoen aan de voorwaarde dat de nieuwe woningen in overeenstemming zijn met de gemeentelijke parkeernormen (voorschrift C3 van het beleid). De gemeentelijke parkeernormen zijn neergelegd in de (gepubliceerde) Parkeernormen Maastricht 2017 (Parkeernormen). De Parkeernormen zijn gebaseerd op kencijfers van het CROW, een kennisplatform van infrastructuur, verkeer vervoer en openbare ruimte. De rechtbank acht niet onredelijk dat verweerder de CROW-kencijfers als norm hanteert. Eisers hebben niet betwist dat de woningen [adres 1] en [adres 2] elk een kleinere gebruiksoppervlakte hebben dan 60 m². Op grond van de Parkeernormen geldt voor woningen van deze omvang een parkeernorm van 0,6 parkeerplaats, dus voor beide woningen samen een parkeernorm van 1,2 parkeerplaats. Op grond van de Parkeernormen wordt voor de ongesplitste woning (groter dan 60 m²) uitgegaan van een parkeerbehoefte van minimaal 1,5 parkeerplaats. Dit betekent dat de nieuwe woningen volgens de Parkeernormen niet leiden tot een grotere parkeerbehoefte. Derhalve is voldaan aan voorschrift C3 van het beleid. De door eisers geopperde situatie dat de nieuwe woningen als sociale huurwoningen, waarvoor op grond van de Parkeernormen een parkeernorm van 1,3 parkeerplaats per woning geldt, zijn te beschouwen, doet zich hier niet voor. Zoals ook uit de overgelegde huurovereenkomsten blijkt is in dit geval geen sprake van sociale verhuur, maar van particuliere verhuur door vergunninghoudster.
11. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de vergunningverlening in het kader van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is en dat deze niet in strijd is met zijn beleid. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
12. Vergunninghoudster heeft in aansluiting op haar stelling dat eisers ten onrechte beroep hebben ingesteld de rechtbank verzocht om zo mogelijk vergoeding van de door haar gemaakte kosten van rechtsbijstand. De rechtbank vat dit verzoek op als een verzoek om eisers te veroordelen tot vergoeding van deze kosten. Eisers kunnen echter, gelet op artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, alleen in het geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht in de kosten worden veroordeeld. Daarvan is in dit geval geen sprake. Het verzoek van vergunninghoudster dient daarom te worden afgewezen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
- wijst het verzoek van vergunninghoudster om eisers te veroordelen tot vergoeding van rechtsbijstandskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Schelfhout, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.G.P.M. Zweipfenning, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 december 2018.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: 21 december 2018.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.