RECHTBANK LIMBURG
vonnis
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummer / rolnummer: C/03/235596 / HA ZA 17-263
Vonnis van 28 maart 2018
in de zaak van
[eiser]
in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap SproLoo Transport Nederland B.V.,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiser,
advocaat mr. P. Thoren,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
advocaat mr. M.C.J. Schoenmakers.
Partijen zullen hierna de curator en [gedaagde] genoemd worden.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding
de conclusie van antwoord
de dagbepaling van de comparitie van partijen
de aanvullende producties van de curator
het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 27 november 2017.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
SproLoo Transport Nederland B.V. (hierna: SproLoo) is op 15 maart 2016 door deze rechtbank failliet verklaard.
[gedaagde] is (middellijk) bestuurder van SproLoo.
3. Het geschil
De curator vordert samengevat – dat de rechtbank:
voor recht verklaart dat [gedaagde] zijn taken als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld en als gevolg daarvan op basis van art. 2:248 BW aansprakelijk is voor het boedeltekort van het failliete SproLoo,
[gedaagde] veroordeelt tot betaling aan de curator c.q. de boedel van het boedeltekort in het faillissement van SproLoo, nader op te maken bij staat, waarbij [gedaagde] thans wordt veroordeeld tot betaling van een voorschot van € 1.777.688,83, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van dagvaarden,
[gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure van de curator, met inbegrip van de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het tijdstip dat [gedaagde] in verzuim is deze kosten te voldoen.
De curator legt aan zijn vorderingen de artikelen 2:248 BW, 2:10 BW en 2:395 (lees: 2:394) BW ten grondslag.
[gedaagde] voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Volgens de curator is [gedaagde] aansprakelijk voor het boedeltekort omdat hij de publicatieplicht en de boekhoudplicht geschonden heeft. De curator beroept zich op het in art. 2:248 lid 2 neergelegde onweerlegbare vermoeden dat de bestuurder door schending van die plichten zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Op grond van voormeld artikel wordt vermoed dat de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is.
Schending van de publicatieplicht en de boekhoudplicht?
De publicatieplicht is volgens de curator niet nageleefd, omdat de jaarrekening over het jaar 2013 eerst op 1 april 2015 is gedeponeerd (productie 2.1. bij dagvaarding), terwijl dit op grond van de wet uiterlijk 31 januari 2015 had moeten gebeuren. De jaarrekening over 2014 is niet gedeponeerd.
De jaarrekening over 2013 is volgens [gedaagde] drie tot vier weken te laat ingediend, en dus niet zodanig laat dat dit is aan te merken als belangrijke oorzaak van het faillissement. [gedaagde] erkent dat de jaarrekening over 2014 door omstandigheden niet gedeponeerd is.
De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 2:248 lid 6 BW de vordering slechts kan worden ingesteld op grond van onbehoorlijke taakvervulling in de periode van drie jaren voorafgaande aan het faillissement. Het verwijt van de curator kan dus slechts betrekking hebben op de publicatieverplichtingen die zich hebben voorgedaan vanaf 15 maart 2013.
Onbetwist staat vast dat de jaarrekening over 2013 niet uiterlijk dertien maanden na afloop van het boekjaar is gedeponeerd. Het bepaalde in art. 2:394 lid 3 BW is dus niet nageleefd. Voor zover [gedaagde] meent dat sprake is van een onbelangrijk verzuim, overweegt de rechtbank als volgt. Van een onbelangrijk verzuim als bedoeld in artikel 2:248 lid 2 BW is sprake indien het niet voldoen aan die verplichtingen in de omstandigheden van het betreffende geval niet erop wijst dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk vervult. Dit is met name het geval indien voor het verzuim een aanvaardbare verklaring bestaat. Of een termijnoverschrijding als onbelangrijk verzuim kan gelden, hangt af van de omstandigheden van het geval. In het bijzonder de redenen die tot de termijnoverschrijding hebben geleid, waarbij hogere eisen worden gesteld naarmate de termijnoverschrijding langer is. De stelplicht en bewijslast rusten op de aangesproken bestuurder (Hoge Raad 1-11-2013, ECLI:NL:HR:2013:1079). De rechtbank stelt vast dat het te laat deponeren van de jaarrekening over 2013 geen verzuim van enkele dagen of weken betreft, maar een verzuim van ongeveer twee maanden, nu de jaarrekening over 2013 blijkens het als productie 2.1. bij dagvaarding door de curator overgelegde uittreksel van de Kamer van Koophandel eerst op 1 april 2015 is gedeponeerd. Van een relatief korte overschrijding is dus geen sprake. Een verklaring van de zijde van [gedaagde] voor het te laat indienen van de jaarrekening over het jaar 2013 ontbreekt. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat sprake is van een onbelangrijk verzuim daar waar het de jaarrekening over het jaar 2013 betreft.
Onbetwist staat voorts vast dat de jaarrekening over het jaar 2014 niet is ingediend. Het verweer van [gedaagde] dat hem dit niet kan worden aangerekend nu dit te wijten is aan het feit dat de inventaris, computers en administratie in juni 2015 door de belastingdienst zijn afgevoerd, treft geen doel. Deze omstandigheid doet er niet aan af dat het zijn eigen verantwoordelijkheid bleef om de jaarrekening (tijdig) te deponeren. [gedaagde] erkent dat de boekhoudkundige gegevens op de Cloud stonden. Door de curator is onweersproken gesteld dat [gedaagde] door een achterstand van € 400,- aan abonnementsgeld geen toegang (meer) had tot de Cloud. Deze omstandigheid komt voor zijn eigen rekening en risico.
Gelet op het voorgaande is sprake van schending van de publicatieplicht over de jaren 2013 en 2014.
Of de boekhoudplicht eveneens geschonden is, kan in het midden blijven, nu de schending van de publicatieplicht reeds het vermoeden van kennelijk onbehoorlijk bestuur oplevert.
Belangrijke oorzaak van het faillissement?
[gedaagde] kan het bewijsvermoeden dat kennelijk onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak van het faillissement was, ontzenuwen door aannemelijk te maken dat andere feiten of omstandigheden een belangrijke oorzaak van het faillissement waren.
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] daar niet in is geslaagd. [gedaagde] laat na te stellen dat andere feiten of omstandigheden een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn. Hij volstaat met de opmerking dat de jaarrekeningen niet dusdanig laat gepubliceerd zijn, dat gesproken kan worden van een onbehoorlijke taakvervulling en er daarom geen sprake is van een belangrijke oorzaak van het faillissement. Die stelling kan echter niet dienen om het wettelijk vermoeden te ontzenuwen. Nu gesteld noch gebleken is dat een niet aan [gedaagde] te wijten van buiten komende omstandigheid de oorzaak was van het faillissement van SproLoo, heeft [gedaagde] niet aannemelijk gemaakt dat de geconstateerde onbehoorlijke taakvervulling hem niet verweten kan worden.
[gedaagde] is derhalve jegens de boedel aansprakelijk voor het bedrag aan schulden van SproLoo voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan. De gevorderde verklaring voor recht ter zake van deze aansprakelijkheid zal worden toegewezen. [gedaagde] zal ook worden veroordeeld tot betaling van het gevorderde voorschot ter hoogte van € 1.777.688,83 op het te vergoeden boedeltekort in het faillissement van SproLoo, nader op te maken bij staat. [gedaagde] heeft de hoogte van dit voorschot niet gemotiveerd betwist.
Kosten
De rechtbank begrijpt uit randnummer 10 van de dagvaarding en de verwijzing naar de overgelegde beslagstukken dat de curator de beslagkosten van [gedaagde] wil vorderen. De beslagkosten zijn gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 655,90 voor verschotten (bestaande uit € 287,00 griffierecht verzoekschrift verlof beslaglegging, € 200,34 kosten beslagexploot 24 april 2017 en € 168,56 kosten beslagexploot 25 april 2017) en € 3.211,00 voor salaris advocaat (1 punt x € 3.211,00).)
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de curator worden begroot op:
- dagvaarding € 80,42
- griffierecht 1.258,00
- salaris advocaat 6.422,00 (2,0 punten × tarief € 3.211,00)
Totaal € 7.760,42
De nakosten zullen als volgt worden toegewezen.
5. De beslissing
De rechtbank
verklaart voor recht dat [gedaagde] zijn taken als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld en als gevolg daarvan op basis van art. 2:248 BW aansprakelijk is voor het boedeltekort van het failliete SproLoo,
veroordeelt [gedaagde] om aan de curator c.q. de boedel te betalen een voorschot op het te vergoeden boedeltekort in het faillissement van SproLoo, nader op te maken bij staat, ter hoogte van € 1.777.688,83, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van de dag der dagvaarding - 3 mei 2017 - tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 3.866,90,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op € 7.760,42, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2 tot en met 5.5 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Etman en in het openbaar uitgesproken.