ECLI:NL:RBLIM:2019:7045

ECLI:NL:RBLIM:2019:7045, Rechtbank Limburg, 31-07-2019, AWB - 18 _ 1241

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 31-07-2019
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer AWB - 18 _ 1241
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Roermond
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 2 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0006516 BWBR0019728 BWBR0027675

Samenvatting

AW. PTSS. Beroepsziekte in de zin van het Barp. “Bijtincident” met politiehond. Hondengeleider. Opgedragen werkzaamheden.

Uitspraak

4. De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 54a van Barp wordt in geval van invaliditeit die voortvloeit uit een dienstongeval of een beroepsziekte, aan de desbetreffende ambtenaar smartengeld vergoed.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder y, van het Barp wordt onder beroepsziekte verstaan: een ziekte, welke in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en die niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten.

Op grond van de Circulaire PTSS Politie dient de ambtenaar die zijn ziekte PTSS als beroepsziekte wil laten aanmerken een schriftelijk verzoek in bij het bevoegd gezag. Voordat op de aanvraag van de ambtenaar wordt beslist, vraagt het bevoegd gezag advies aan de adviescommissie over het causale verband tussen de PTSS en het beroep en/of de werkomstandigheden (de beroepsgerelateerdheid).

Eiser is geleider als bedoeld in artikel 1, onder e, van de Regeling politiehonden en heeft, naar het oordeel van de rechtbank, uit dien hoofde bijzondere deskundigheid. De rechtbank wijst in dit verband op het bepaalde in artikel 10 (examen geleider) en artikel 13 (certificering).

Blijkens de toelichting op artikel 3 van de Regeling voorzieningen hondengeleiders politie (Regeling) is een geleider permanent verantwoordelijk voor de diensthond, zowel tijdens de dienst als in privétijd. De diensthond dient immers ook buiten werktijd verzorgd te worden. In dat verband heeft de verzorger aanspraak op een compensatie in tijd of in geld. Het houden van de diensthond in de thuissituatie brengt een extra verantwoordelijkheid met zich mee. De verzorging van de diensthond vindt (naar de rechtbank begrijpt: strikt genomen) binnen werktijd plaats.

5. De rechtbank stelt vast dat het bijtincident heeft plaatsgevonden in de achtertuin en daarmee in de thuissituatie van eiser, nadat eiser zijn buurvrouw toestemming had gegeven om de hond daar te aaien. Hoewel eiser permanent, en dus ook in zijn privétijd, verantwoordelijk is voor de hond, is de rechtbank van oordeel dat het laten aaien van de hond niet als opgedragen werkzaamheden als bedoeld in het Barp kan worden gekwalificeerd nu eiser met het geven van de toestemming de hond te aaien buiten de verzorgende werkzaamheden is getreden. Met betrekking tot eisers stelling dat zijn hond in het kader van de verzorging ook moet worden gesocialiseerd (hetgeen derhalve volgens eiser zou zijn opgedragen), overweegt de rechtbank dat dit niet zó ver gaat dat de hond zou moeten kunnen worden geaaid door iemand die niet tot eisers gezin behoort. Zo eiser in het kader van de opvoeding van de hond toch overgaat tot een handelen dat tot een incident kan leiden, dan had hij op dat moment extra voorzorgsmaatregelen dienen te treffen (zoals bijvoorbeeld het aandoen van een muilkorf) en de hond extra alert dienen te begeleiden. Dit kan op grond van zijn deskundigheid ook van hem worden verwacht. Waar verweerder in het thans bestreden besluit ten overvloede overweegt dat sprake is van schuld respectievelijk onvoorzichtigheid aan de kant van eiser, is de rechtbank dan ook van oordeel dat dit, ook in het licht van de hiervoor weergegeven toepasselijke regelgeving, als kern van de motivering van het besluit moet worden gezien.

6. Over eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel in zijn brief van 13 december 2018 (eisers collega [naam collega]), waarbij het betreffende bijtincident wel als dienstongeval is aangemerkt door verweerder, overweegt de rechtbank dat dit beroep niet kan slagen, omdat deze collega zélf is aangevallen door zijn hond, terwijl deze diens hond borstelde.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Bruijnzeels (voorzitter), en mr. F.A.G.M. Vluggen en mr. M.M.T. Coenegracht, leden, in aanwezigheid van mr. E.W. Seylhouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 31 juli 2019

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?