RECHTBANK LIMBURG
vonnis
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummer: C/03/220888 / HA ZA 16-282
Vonnis in het incident van 23 december 2020
in de zaak van
de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid
1. [eiseres in hoofdzaak, eiseres in incident sub 1],
2. [eiseres in hoofdzaak, eiseres in incident sub 2],
3. [eiseres in hoofdzaak, eiseres in incident sub 3],
allen gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
en de naamloze vennootschap naar Belgisch recht
4. [eiseres in hoofdzaak, eiseres in incident sub 4],
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
eisers in de hoofdzaak, eisers (in conventie) in het incident ex art. 843a Rv,
hierna gezamenlijk aangeduid als: [eisers in hoofdzaak, eisers in incident] , en individueel als [eiseres in hoofdzaak, eiseres in incident sub 1] , [eiseres in hoofdzaak, eiseres in incident sub 2] , [eiseres in hoofdzaak, eiseres in incident sub 3] respectievelijk [eiseres in hoofdzaak, eiseres in incident sub 4] ,
advocaat mr. Ph.W. Schreurs,
tegen:
1. [gedaagde in hoofdzaak, verweerder in incident sub 1] ,
3. [gedaagde in hoofdzaak, verweerder in incident sub 3],
2. BEHEERMAATSCHAPPIJ ARROS B.V.,
4. [gedaagde in hoofdzaak, verweerster in incident sub 4],
5. ROXX INTERNATIONAL B.V.,
6. NIMA N.V.,
allen wonende dan wel gevestigd te [plaats] ,
gedaagden in de hoofdzaak, verweerders in het incident ex art. 843a Rv,
hierna gezamenlijk aangeduid als [gedaagden in hoofdzaak, verweerders in incident] , en individueel als [gedaagde in hoofdzaak, verweerder in incident sub 1] , [gedaagde in hoofdzaak, verweerder in incident sub 3] , Arros, [gedaagde in hoofdzaak, verweerster in incident sub 4] , Roxx en Nima,
advocaat mr. R.H.G.M. Kerckhoffs.
Wederom gezien de stukken, waaronder het vonnis in het incident van 21 oktober 2020 en het herstelvonnis van 4 november 2020. De Rechtbank zal in dit vonnis de nummering voortzetten van het vonnis van 21 oktober 2020.
10. De procedure
Nadat de hiervoor genoemde vonnissen van 21 oktober 2020 en 4 november 2020 zijn uitgesproken:
heeft de deskundige bij brief van 10 november 2020 een volgens hem bestaande impasse uiteengezet en de rechtbank verzocht hem mee te delen op welke wijze deze impasse kan worden doorbroken;
hebben [gedaagden in hoofdzaak, verweerders in incident] een akte genomen met productie 27;
hebben [eisers in hoofdzaak, eisers in incident] een akte uitlaten brief forensisch accountant genomen met productie 133.
Daarna is vonnis bepaald, dat heden wordt gewezen.
11. De verdere beoordeling
[gedaagden in hoofdzaak, verweerders in incident] hebben hun voornemen om hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van 21 oktober 2020 kennelijk uitgevoerd, zoals de rechtbank voorshands afleidt uit het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch 8 december 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:3783. Dit betekent dat de verdere procedure is geschorst. Deze schorsing van de verdere procedure geldt in ook indien het ingestelde hoger beroep een tussenvonnis betreft waartegen geen hoger beroep is toegelaten. Het is immers voorbehouden aan de appelrechter om te oordelen over de ontvankelijkheid van het hoger beroep. Zeer bijzondere omstandigheden die maken dat een uitzondering op deze schorsingsregel moet worden gemaakt, zijn er niet. Gelet op die schorsing is er geen ruimte voor de rechtbank om de door de deskundige genoemde impasse te doorbreken. Het vonnis van 21 oktober 2020 en het herstelvonnis van 4 november 2020 moeten op dit moment voor zich zelf spreken.
Een en ander betekent dat de procedure voor geschorst wordt gehouden, dat de rechtbank vooralsnog niet over de door de deskundige genoemde ‘impasse’ zal oordelen en dat de procedure zal worden voortgezet nadat een partij heeft laten weten dat de procedure bij het hof is geëindigd.
12. De beslissing
De rechtbank
verstaat dat het geding is geschorst en zal worden voortgezet nadat het door [gedaagden in hoofdzaak, verweerders in incident] ingestelde hoger beroep is geëindigd;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2020.