ECLI:NL:RBLIM:2020:10702

ECLI:NL:RBLIM:2020:10702, Rechtbank Limburg, 22-06-2020, 03/659286-18

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 22-06-2020
Datum publicatie 15-01-2026
Zaaknummer 03/659286-18
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Roermond

Samenvatting

Deels voorwaardelijke gevangenisstraf voor mishandeling, bedreiging en dwang. Overwegingen over o.a. de kwalificatie “levensgezel” en over niet opleggen tbs-maatregel

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/659286-18

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 juni 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortedatum] 1991,

wonende te [adres] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. F.A.G.M. Landerloo, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 juni 2020. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1: zijn levensgezel, [slachtoffer] , meerdere malen heeft mishandeld;

Feit 2: [slachtoffer] heeft bedreigd met de dood en/of zware mishandeling;

Feit 3: [slachtoffer] heeft gedwongen zichzelf te snijden en/of haar haren af te knippen.

3. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat alle feiten worden bewezenverklaard, als verwoord in het schriftelijk requisitoir.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit, overeenkomstig haar pleitnota, dat feit 1 bewezen kan worden verklaard met uitzondering van het strafverzwarende onderdeel levensgezel. Verder merkt zij op dat de tenlastegelegde periode ingekort dient te worden. Over feit 2 bepleit de raadsvrouw dat enkel het gedachtestreepje “ik maak je af” kan worden gekwalificeerd als de tenlastegelegde bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel zware mishandeling. Voor de overige twee gedachtestreepjes verzoekt zij daarom partiele vrijspraak. De raadsvrouw voert verder aan dat de verdachte van feit 3 dient te worden vrijgesproken omdat geen sprake is van een voltooid delict.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1 (mishandeling)

Bewijsmiddelen

Aangeefster [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) verklaarde op 1 oktober 2018 – zakelijk weergegeven – als volgt:

Sinds begin juli van 2018 heb ik een relatie gekregen met [verdachte] . Ik kan u verklaren dat ik drie weken geleden voor het eerst mishandeld ben. [verdachte] heeft mij toen geslagen bij mij thuis. Hij heeft mij toen meermalen met kracht tegen mijn hoofd geslagen.

[slachtoffer] verklaarde op 2 oktober 2018 aanvullend – zakelijk weergegeven – als volgt:

Afgelopen vrijdag heeft hij mij geslagen. Hij sloeg mij een paar keer met een platte hand in mijn gezicht en met een vuist op mijn rechterarm. Ik heb nog steeds blauwe plekken en een blauw oog. Het is gebeurd op vrijdag 28 september 2018. Hij heeft aan mijn haren getrokken. Twee weken voor afgelopen vrijdag heeft hij mij ook mishandeld. Hij sloeg met de platte hand in mijn gezicht en op mijn rechteroor. Het kan ook zondag zijn geweest, want hij moest daarna terug naar open kamp. Dus het zal zondag 16 september 2018 zijn geweest.

Getuige [naam getuige] verklaarde – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ongeveer 4 weken geleden ging ik met [slachtoffer] boodschappen doen. Ik zag dat [slachtoffer] gehuild had. Ik zag dat het gezicht van [slachtoffer] aan een zijde verdikt was. Ik vroeg haar wat er aan de hand was. Ik hoorde dat [slachtoffer] zei dat [verdachte] haar meerdere malen geslagen had.

Verdachte verklaarde ter terechtzitting – zakelijk weergegeven – als volgt:

De vrijdag voordat ik werd aangehouden, 28 september 2018, heb ik [slachtoffer] geslagen. Het was met de vlakke hand. Ik kan mij niet meer herinneren of het de binnen of buitenkant van de hand was. Ik heb haar 1 of 2 keer geslagen. Dit was in het gezicht en ik heb haar ook met een vuist op haar arm geslagen. Vanaf september (de rechtbank leest: september 2018) was het adres van [slachtoffer] mijn verlofadres.

In het proces-verbaal van bevindingen betrekking hebbend op het telefoongesprek tussen verdachte en [slachtoffer] d.d. 3 oktober 2018 wordt weergegeven dat verdachte zegt:

“Heb ik jou niet vorige keer, heb ik je haren uit je kop getrokken. Heb ik je een blauw oog geslagen.”

Bewijsoverwegingen

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer] meermalen heeft mishandeld door haar te slaan en aan haar haren te trekken.

De verdachte bekent dat hij op 28 september 2018 [slachtoffer] meerdere malen heeft geslagen. De verdachte verwijst in het telefoongesprek met [slachtoffer] van 1 oktober 2018 bovendien naar het moment dat hij haar mishandelde en benoemt dan dat hij haar (ook) aan de haren getrokken heeft.

Daarnaast volgt uit de getuigenverklaring van [naam getuige] dat die in september 2018 letsel heeft geconstateerd bij het slachtoffer en daarop van haar hoorde dat de verdachte haar meerdere malen geslagen had. Tezamen met de aanvullende verklaring van het slachtoffer dat zij op 16 september 2018 ook is geslagen door de verdachte, acht de rechtbank bewezen dat de verdachte in de periode van 16 september 2018 tot en met 2 oktober 2018 het slachtoffer twee keer heeft mishandeld.

De rechtbank acht het onderdeel dat de verdachte de keel van het slachtoffer heeft dichtgeknepen niet bewezen en zal de verdachte hiervan vrijspreken.

Levensgezel

Gelet op alle navolgende omstandigheden blijkend uit het procesdossier stelt de rechtbank vast dat de verdachte en het slachtoffer sinds juli 2018 een relatie hadden waarbij zij in het weekend samenwoonden in de woning van [slachtoffer] . De rechtbank neemt daarbij in overweging dat de verdachte doordeweeks in detentie verbleef en zijn verlofadres geregistreerd was bij het slachtoffer. Zij voerden in het weekend een gezamenlijk huishouden en het slachtoffer regelde de noodzakelijke spullen, zoals kleren/trainingspakken, voor de verdachte. Elk moment dat de verdachte buiten detentie was, bracht hij door met het [slachtoffer] . Wanneer zij niet samen konden zijn, belden of chatten zij elkaar constant. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake was van een zodanige affectieve en hechte persoonlijke relatie dat [slachtoffer] ten tijde van de mishandelingen als levensgezel van de verdachte kon worden beschouwd.

Feiten 2 en 3

Bewijsmiddelen

Aangeefster [slachtoffer] verklaarde – zakelijk weergegeven – als volgt:

[verdachte] heeft mij tijdens telefoongesprekken zodanig bedreigd dat ik mijzelf met een mes heb moeten snijden. Ik heb dit dan ook gedaan. Het letsel wat ik hiervan heb overgehouden is nog zichtbaar. Ook vanavond nog heb ik telefonisch contact gehad met [verdachte] . Ik heb mijzelf toen weer moeten snijden met een mes. De laatste keren dat ik mij gesneden heb deed ik dit omdat ik bang was voor [verdachte] . Ik snij mij dan terwijl [verdachte] meekijkt via zijn telefoon. Ik moet van [verdachte] dan mijn telefoon achteraf zodanig richten naar mijn verwondingen dat dit voor hem een bevestiging is dat ik mij ook daadwerkelijk gesneden heb. Als ik mij aan het snijden ben dan zegt [verdachte] een bepaald moment dat ik moet stoppen en de wond moet afvegen (…)

Ik hoorde dat [verdachte] zei tegen mij dat hij 2 vrienden van hem langs zou sturen en dat ik dan zou weten wat er met mij zou gebeuren. Ik denk dat hij mij dan zal ontvoeren of mishandelen. Ik weet het echt niet. Dit zegt hij allemaal tijdens telefoongesprekken. Ik heb het telefoongesprek van vanavond opgenomen op mijn telefoon.

[slachtoffer] verklaarde aanvullend – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik moest me snijden om te laten zien dat ik van hem houd en om te laten zien dat ik er oprecht spijt van had dat ik gelogen had over mijn verleden met bepaalde jongens. Het is gisteravond ook gebeurd. Als ik dat niet zou doen dan gaf hij aan dat hij een bericht had gestuurd met tekst zoals; je moet wijf ophalen in Roermond voor 7000 euro. Hij zei dat er 2 mensen onderweg waren.

In het proces-verbaal van bevindingen betrekking hebbend op het telefoongesprek tussen de verdachte en [slachtoffer] d.d. 3 oktober 2018 is weergegeven –:

M: Onzin, ah [slachtoffer] , je hebt geen besef wat er gaat gebeuren. Blijf je kijken naar je haar. Knippen nu knippen. Na alles wat er gebeurt is zou ik het doen als ik jouw was. Ik heb jou godverdomme laten zien wat er gebeurt toch. (…)

M: nee toch, heb ik jou vorige keer, heb ik je haren uit je kop getrokken. Heb ik je een blauw oog geslagen.

V: Ja

M: Tegen je benen geschopt, op je buik geslagen. Noem maar op.

M: ga je nu doen wat ik zeg

V: ja (…)

M: Als je nu niet mes pakt en jezelf niet snijdt omdat je geen enkele emotie toont. Dan maak ik je af. Heb je dat gehoord. Ik stuur iemand naar je huis toe. Heb je me begrepen?

V: ja

M: Ik zeg: Maat ga eens naar even naar die woning. Naar die meid. Pak die persoon voor mij. Ik geef je 7000, in Roermond. Moet ik je printscreen sturen (…)

Verdachte verklaarde ter terechtzitting – zakelijk weergegeven – als volgt:

Het klopt dat ik de zinnen die zijn opgenomen in de tenlastelegging heb gezegd. Ik begrijp dat deze zinnen bedreigend kunnen overkomen.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het slachtoffer heeft bedreigd. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat enkel de zinsnede “Ik maak je af” als bedreiging in de zin van een misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling bewezen kan worden.

De rechtbank is echter van oordeel dat alle door de verdachte gebruikte woorden zoals die in de tenlastelegging staan opgenomen, bezien in de context van het gehele gesprek tussen de verdachte en het slachtoffer, een bedreiging opleveren zoals bedoeld in artikel 285, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht. Bij het slachtoffer is redelijkerwijs de vrees voor zware mishandeling of erger ontstaan. Zij verklaart ook meermaals dat zij (doods-)bang was voor de verdachte en hem in staat achtte de daad bij het woord te voegen.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 3

De rechtbank acht ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het slachtoffer heeft gedwongen om zichzelf te snijden. Het slachtoffer heeft verklaard dat zij zichzelf gesneden heeft omdat de verdachte haar dat opdroeg te doen. Uit het proces-verbaal van bevindingen van het telefoongesprek blijkt dat de verdachte meermalen tegen het slachtoffer zegt dat ze een mes moet pakken en zichzelf moet snijden. Daarnaast blijkt uit de foto’s die genomen zijn bij de politie dat het slachtoffer verse snijwonden/krassen op haar benen had.

De rechtbank is van oordeel dat het onderdeel ‘haar haren af te knippen’ niet bewezen kan worden. De verdachte heeft wel telkens het slachtoffer telefonisch gedwongen deze handeling te verrichten. Het slachtoffer heeft hier echter geen gehoor aan gegeven en daarmee is geen sprake van een voltooid delict-onderdeel.

Eendaadse samenloop feit 2 en feit 3

De rechtbank stelt voorop dat het voor eendaadse samenloop vooral aankomt op de vraag of de bewezenverklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte (in wezen) één verwijt wordt gemaakt.

Ten aanzien van beide feiten heeft de rechtbank bewezenverklaard dat de verdachte de woorden heeft toegevoegd: “Als je nu niet mes pakt en je zelf niet snijdt omdat je geen enkele emotie toont. Dan maak ik je (..) af. Heb je dat gehoord. Ik stuur iemand naar je huis toe. Heb je me begrepen?" en/of dat hij, verdachte, (verwijzend naar een eerder moment) die [slachtoffer] aan haar haren zal trekken en/of haar een blauw oog zal slaan en/of tegen haar benen en/of buik zal slaan”. In die zin is sprake van eendaadse samenloop.

Concluderend acht de rechtbank alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

Feit 1

In de periode van 16 september 2018 tot en met 2 oktober 2018 in de gemeente Roermond, zijn levensgezel, [slachtoffer] , heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen tegen haar gezicht, in elk geval haar lichaam, te slaan en die [slachtoffer] aan haar haren te trekken;

Feit 2

op 1 oktober 2018 in de gemeente Roermond, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door die [slachtoffer] (telefonisch) dreigend de woorden toe te voegen:

- “ Als je nu niet een mes pakt en jezelf snijdt omdat je geen enkele emotie toont dan maak ik je af. Heb je dat gehoord. Ik stuur iemand naar je huis. Heb je me begrepen?” en

- dat hij, verdachte (verwijzend naar een eerder moment) die [slachtoffer] aan haar haren zal trekken en haar een blauw oog zal slaan en tegen haar benen en buik zal slaan;

Feit 3

Op 1 oktober 2018 in de gemeente Roermond, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] door bedreiging met geweld wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, immers heeft hij, verdachte, die [slachtoffer] (telefonisch) gedwongen zichzelf te snijden waarbij hij, verdachte, die [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd:

- “ Als je nu niet een mes pakt en jezelf snijdt omdat je geen enkele emotie toont dan maak ik (…) je af. Heb je dat gehoord. Ik stuur iemand naar je huis. Heb je me begrepen?” en

- dat hij, verdachte (verwijzend naar een eerder moment) die [slachtoffer] aan haar haren zal trekken en haar een blauw oog zal slaan en tegen haar benen en buik zal slaan.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 1

mishandeling begaan tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd;

Feit 2 en 3

Eendaadse samenloop van:

bedreiging

en

bedreiging door geweld wederrechtelijk dwingen iets te doen;

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Op 24 maart 2020 is een pro Justitia rapport uitgebracht over de geestvermogens van de verdachte naar aanleiding van zijn verblijf in het Pieter Baan Centrum en het onderzoek dat daar naar hem werd uitgevoerd door [naam 1] psychiater, en [naam 2] , GZ-psycholoog. Dit rapport is voorafgegaan door een Pro Justitia rapport d.d. 27 februari 2019 opgemaakt door GZ-psycholoog [naam 3] . Hij concludeert in zijn rapport dat er aanwijzingen zijn voor een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bij de verdachte maar dat voor de vaststelling daarvan nader onderzoek is vereist.

Het rapport van 24 maart 2020 vermeldt dat de verdachte niet heeft meegewerkt aan het onderzoek, maar dat hij wel geobserveerd kon worden. Er werden tijdens de observatie geen aanwijzingen gezien voor ontwikkelingsstoornissen. De deskundigen zagen wel aanwijzingen voor een persoonlijkheidsstoornis, maar vanwege de weigerende opstelling van de verdachte is het niet mogelijk geweest om een goed en volledig beeld te krijgen van psychische functies en persoonlijkheidsaspecten. De deskundigen concluderen dat het voor hen niet mogelijk is gebleken om antwoord te geven op de vraag of de verdachte lijdende is aan een psychische stoornis en/of verstandelijke handicap. Daarom onthouden zij zich van enig advies.

Dit betekent dat de deskundigen ook geen advies hebben kunnen geven over de mate van toerekenbaarheid van de bewezenverklaarde feiten aan de verdachte. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat het bewezenverklaarde geheel aan de verdachte kan worden toegerekend.

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid volledig of gedeeltelijk uitsluiten.

6. De straf en/of de maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden. Daarnaast heeft hij gevorderd dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld (hierna: tbs) en van overheidswege zal worden verpleegd. De officier van justitie acht verder een maatregel in de zin van artikel 38v Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) noodzakelijk, te weten een contactverbod tussen de verdachte en het slachtoffer. Hiermee beoogt hij het contact tussen de verdachte en het slachtoffer te voorkomen en het slachtoffer te beschermen. De officier van justitie vordert dat het contactverbod voor drie jaren moet worden opgelegd en dadelijk uitvoerbaar moet worden verklaard bij vonnis. Hij verzoekt tevens de schorsing van de voorlopige hechtenis bij vonnis op te heffen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest. Daarnaast heeft zij, verwijzend naar de pro Justitia rapportage, aangevoerd dat er geen stoornis is vastgesteld bij de verdachte en ook niet is vastgesteld dat die aanwezig was ten tijde van de tenlastegelegde feiten. Het opleggen van een tbs-maatregel met verpleging van overheidswege is in het licht van het ultimum remedium in onderhavige zaak dan ook niet aan de orde, aldus de raadsvrouw.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich twee keer binnen twee weken schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn levensgezel door haar meermalen te slaan en aan haar haren te trekken. Ook heeft de verdachte haar in een telefoongesprek een aantal dagen later met de dood en met zware mishandeling bedreigd en heeft hij haar gedwongen om zichzelf met een mes te snijden. Dit heeft zij ook gedaan. Uit dit laatste volgt wel hoeveel invloed de verdachte op het slachtoffer had en wat voor druk hij op haar kon uitoefenen. Ook maakt het duidelijk hoe bang zij moet zijn geweest voor de geuite bedreigingen van de verdachte en de kans dat deze realiteit konden worden. Deze mishandelingen en bedreiging gaan alle grenzen te buiten. Het gedrag van de verdachte is onacceptabel. Maar nog zorgelijker is dat het slachtoffer onmachtig lijkt om op eigen kracht afstand te nemen van de verdachte, wat onder meer volgt uit de verschillende aangiftes door [slachtoffer] en het vervolgens weer intrekken daarvan.

De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij met zijn handelen op grove wijze inbreuk heeft gemaakt op de onaantastbaarheid van het lichaam en de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en haar angst heeft aangejaagd opnieuw mishandeld (of erger) te worden. Ook rekent de rechtbank het de verdachte zwaar aan dat de mishandelingen (en de bedreiging) plaatsvonden in de woning van [slachtoffer] , die zij aan hem ter beschikking stelde en waar zij samen verbleven ten tijde van het verlof van de verdachte. Dit is bij uitstek een plek waar zij zich veilig zou moeten kunnen voelen.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel van de justitiële documentatie van 22 mei 2020. Daaruit blijkt dat het niet de eerste keer is dat de verdachte een vriendin mishandelt en bedreigt. Het verontrust de rechtbank zeer dat de verdachte, terwijl hij in de fasering van zijn lange gevangenisstraf enige vrijheid heeft gekregen, meteen opnieuw de fout ingaat.

Tbs

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het opleggen van de tbs-maatregel met dwangverpleging, zoals de officier van justitie heeft gevorderd, geboden en noodzakelijk is. Om de tbs-maatregel te kunnen opleggen dient, ingevolge het eerste lid van artikel 37a Sr, onder meer de vraag te worden beantwoord of bij de verdachte ten tijde van het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Voorts is een advies van twee gedragsdeskundigen, waaronder een psychiater, die betrokkene hebben onderzocht, vereist. Uit het hiervoor besproken rapport van 24 maart 2020 blijkt dat verdachte een weigerende observandus is in de zin van artikel 37, tweede lid, Sr. Op grond van artikel 37a, derde lid, Sr juncto artikel 37, derde lid, Sr kan echter ook aan een weigerende observandus een tbs-maatregel (dwangverpleging / met voorwaarden) worden opgelegd. De eis van een (volwaardig) multidisciplinair onderzoek, als bedoeld in artikel 37, tweede lid, Sr vervalt in dat geval.

Ook dan blijft evenwel vereist dat wordt vastgesteld dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens ten tijde van het plegen van het feit. Zonder die vaststelling is oplegging van een tbs-maatregel niet mogelijk. Het is aan de rechter om die vaststelling te doen. Daarbij zal de rechter zich in sterke mate moeten laten leiden door de bevindingen en conclusies van gedragsdeskundigen.

Uit het rapport van het Pieter Baan Centrum en uit het eerdere rapport door GZ-psycholoog [naam 3] blijkt wel dat er aanwijzingen zijn voor een persoonlijkheidsstoornis. Deze aanwijzingen vormen echter voor de rechtbank onvoldoende houvast om een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens vast te stellen en om vervolgens vast te stellen of deze aanwezig was ten tijde van de delicten. De rechtbank zal gelet daarop niet overgaan tot het opleggen van een tbs-maatregel met dwangverpleging.

Straf

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank meegewogen dat de omstandigheden in deze zaak anders zijn dan in soortgelijke zaken waarin mishandeling, bedreiging en dwang aan de orde is. Kijkend naar alle omstandigheden zoals hierboven omschreven heeft de verdachte laten zien weinig respect te hebben voor zijn partner.

De rechtbank weegt ook zwaar mee dat hij in het verleden eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten en dat hij ondanks de toen opgelegde lange gevangenisstraffen geen inzicht heeft gekregen in de laakbaarheid van zijn gedrag. De verdachte geeft dan wel aan dat hij moeite heeft met emotieregulatie en daarvoor een ART-training gevolgd heeft, maar de rechtbank is van oordeel dat de verdachte nog een lange weg te gaan heeft in het (h)erkennen van zijn problematiek, waarin hij geen inzicht heeft willen (laten) tonen.

De rechtbank is verder van oordeel dat er geen bijzondere voorwaarden in de vorm van hulpverlening dan wel begeleiding opgelegd dienen te worden. Aan verdachte zijn voorwaarden opgelegd in het kader van zijn voorlopige invrijheidsstelling. De rechtbank acht het evenwel van groot belang dat het recidiverisico wordt ingeperkt. Om die reden zal zij als stok achter de deur een groot deel van de straf voorwaardelijk opleggen met een lange proeftijd.

De rechtbank ziet evenals de officier van justitie het belang van een contactverbod met het slachtoffer. De rechtbank is van oordeel dat het slachtoffer beschermd dient te worden tegen het agressieve handelen van verdachte. Uit het dossier blijkt dat het slachtoffer onmachtig is om op eigen kracht afstand te nemen van de verdachte. Dat maakt de kans op weer een incident tussen deze twee groot. De rechtbank zal daarom een contactverbod als bijzondere voorwaarde aan de voorwaardelijke straf opleggen.

Alles afwegende zal de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf opleggen van 524 dagen, waarvan 365 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Het voorwaardelijke gedeelte dient te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw strafbare feiten zal plegen. Aan het voorwaardelijke gedeelte zal de rechtbank het hiervoor besproken contactverbod als bijzondere voorwaarde koppelen.

Dadelijke uitvoerbaarheid

Uit het procesdossier komt een patroon naar voren waarin het slachtoffer geen afstand lijkt te kunnen nemen van de verdachte. Het is daarbij meermalen gekomen tot geweldpleging van verdachte jegens het slachtoffer. Onder deze omstandigheden moet er naar het oordeel van de rechtbank rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar voor de onaantastbaarheid van het lichaam van het slachtoffer. De rechtbank zal daarom bevelen dat het contactverbod met [slachtoffer] als bijzondere voorwaarde dadelijk uitvoerbaar is.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 56, 57, 284, 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Strafbaarheid

Straf

Maatregel

- wijst af de vordering tot het opleggen van de maatregel tot terbeschikkingstelling.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Nollen, voorzitter, mr. M.J.H. van den Hombergh en mr. P.H. Broier, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.K. Smits, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 22 juni 2020.

Buiten staat

Mr. Nollen en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2018 tot en met 2 oktober 2018 in de gemeente Roermond, in elk geval in Nederland, zijn levensgezel/vriendin, [slachtoffer] ,

heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, in/tegen haar gezicht, in elk geval tegen het lichaam, te slaan en/of die [slachtoffer] aan haar haren te trekken en/of de keel van die [slachtoffer] dicht te knijpen;

2.

hij op of omstreeks 1 oktober 2018 in de gemeente Roermond, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] (telefonisch) dreigend de woorden toe te voegen:

- " Als je nu niet een mes pakt en je zelf snijdt omdat je geen enkele emotie

toont. Dan maak ik je af. Heb je dat gehoord. Ik stuur iemand naar je huis

toe. Heb je me begrepen?" en/of

- dat hij, verdachte, (verwijzend naar een eerder moment) die [slachtoffer] aan

haar haren zal trekken en/of haar een blauw oog zal slaan en/of tegen haar

benen en/of buik zal slaan,

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2018 tot en met 2 oktober 2018 in de gemeente Roermond, in elk geval in Nederland, een ander, te weten [slachtoffer] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden,

immers heeft hij, verdachte, die [slachtoffer] (telefonisch) gedwongen zichzelf te

snijden en/of haar haren af te knippen, waarbij hij, verdachte, die [slachtoffer]

de woorden heeft toegevoegd: "Als je nu niet mes pakt en je zelf niet snijdt omdat je

geen enkele emotie toont. Dan maak ik je (..) af. Heb je dat gehoord. Ik stuur

iemand naar je huis toe. Heb je me begrepen?" en/of dat hij, verdachte,

(verwijzend naar een eerder moment) die [slachtoffer] aan haar haren zal trekken

en/of haar een blauw oog zal slaan en/of tegen haar benen en/of buik zal slaan;

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?