RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer: 03/659003-20
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 13 juli 2020
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
zonder vaste woon- of verblijfplaats,
gedetineerd in P.I. Sittard te Sittard.
De verdachte wordt bijgestaan door mr. M. Schwab, advocaat kantoorhoudende te Amsterdam.
1. Het onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 juni 2020. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
feit 1: heeft geprobeerd de heer [slachtoffer] (brigadier van de politie) te doden door hem met een personenauto aan te rijden. Subsidiair is dit feit ten laste gelegd als een poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel.
feit 2: meermaals een hoeveelheid benzine toebehorende aan [naam bedrijf] heeft weggenomen.
3. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
Ten aanzien van feit 1
De officier van justitie heeft zich primair, overeenkomstig het overgelegde schriftelijke requisitoir, op het standpunt gesteld dat de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Hiertoe heeft hij onder andere verwezen naar het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) en het proces-verbaal van VerkeersOngevallenAnalyse. Uit een combinatie van:
het feit dat er sprake was van een achtervolging,
de plaats waar de verdachte zijn auto tot stilstand bracht (de wegversmalling),
het feit dat hij daar goed bekend was,
het vol gas achteruit rijden,
het feit dat de motor ongeveer met het midden van de achterzijde van de auto werd geramd,
het na de botsing en het van de grond komen van het wiel gas blijven geven en blijven rijden en
het vervolgens vluchten en het aan zijn lot overlaten van het slachtoffer,
leidt de officier van justitie af dat de verdachte ten koste van het leven van [slachtoffer] wilde ontsnappen en dus vol opzet had op de dood van [slachtoffer] .
Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de verdachte met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] zou komen te overlijden.
Ten aanzien van feit 2
De officier van justitie heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat feit 2 wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, gelet op de aangiftes namens [naam bedrijf] te Horst en de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting.
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van feit 1
De raadsvrouw heeft primair, overeenkomstig de overgelegde schriftelijke pleitnotities, vrijspraak bepleit voor de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag en de onder 1 subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat op basis van de bewijsmiddelen of de uiterlijke verschijningsvorm onvoldoende blijkt dat de verdachte opzet had op de dood van [slachtoffer] of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] . Volgens haar kan evenmin wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood, dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] . Van een aanmerkelijk kans op het overlijden van [slachtoffer] is geen sprake, nu niet is gebleken van een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid op de dood. De raadsvrouw heeft hiertoe onder andere aangevoerd dat de snelheid van de auto niet is vast komen te staan, dat het slachtoffer een helm droeg, dat het een dienstmotor betrof met valbeugels, dat het slachtoffer in zijn hoedanigheid als politieagent getraind is en dat het ging om het voortduwen van de motor op een wegdek zonder obstakels. Ook blijkt onvoldoende uit het dossier dat sprake is van het aanvaarden van een aanmerkelijke kans op de dood door de verdachte.
Ten aanzien van feit 2
De raadsvrouw heeft zich voor wat betreft de bewezenverklaring van de onder feit 2 ten laste gelegde diefstallen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Feit 1 (poging tot doodslag, dan wel poging tot zware mishandeling)
Inleiding
Op oudejaarsavond 2019 wilde motoragent [slachtoffer] een auto – een Peugeot – controleren omdat de uitlaat zeer veel lawaai maakte. Hij wees de bestuurder een parkeerplaats aan waar een veilig gesprek mogelijk was. De bestuurder stopte echter pas verderop. Nadat [slachtoffer] eveneens gestopt was, zijn helm had afgedaan en naar de bestuurder toe was gelopen, ging deze er alsnog vandoor. Daarop zette [slachtoffer] de achtervolging in, met zwaailicht en sirenes. Even verderop zette de bestuurder zijn Peugeot plots midden op de weg stil.
Bewijsmiddelen
Op 31 december 2019 in Venlo stopte de motoragent [slachtoffer] (hierna te noemen: [slachtoffer] ) zijn dienstmotor ongeveer 4 meter achter de auto, te weten een zwarte Peugeot 206. Hij zag en hoorde dat de bestuurder heel veel gas gaf, hetgeen hij hoorde aan het overmatige toerental van de motor. [slachtoffer] wilde van zijn motor stappen, maar zag dat de bestuurder plots, met veel motorgeronk, achteruit gereden kwam en zonder te stoppen, met volle vaart tegen de voorkant van zijn dienstmotor botste. De bestuurder deed dit vanuit een stilstaande positie met een aanloop van ongeveer vier meter. [slachtoffer] werd met een flinke klap direct achteruit geduwd. Hij viel op het wegdek, met zijn been onder de motor. Hij hoorde en voelde dat de bestuurder achteruit bleef rijden. Hij zag dat het rechterachterwiel van de auto omhoog kwam en hij werd met motor en al ongeveer tien meter achteruit gedrukt. [slachtoffer] lag op het wegdek, klem onder de motor en hoorde het ronken van de auto. Doordat de motor van 300 kilogram op hem lag, kon [slachtoffer] niet wegkomen. Op enig moment hoorde [slachtoffer] plots dat de bestuurder stopte met gas geven en achteruit rijden. Vervolgens zag hij dat de bestuurder wegreed met zeer hoge snelheid en met gedoofde lichten.
Getuige [getuige] zag de politiemotor op de grond liggen en is er naartoe gerend. Op het moment dat hij bij de motor aankwam, was de motoragent alweer overeind gaan staan.
Op grond van de verkeersongevallenanalyse hebben de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] geconcludeerd dat na de aanrijding sprake was van het uitblijven van een onmiddellijke reactie van de bestuurder van de Peugeot en dat er sprake is geweest van het aanhoudend achterwaarts voortduwen van de politiemotor over een afstand van ongeveer 8,6 meter. Ook stellen de verbalisanten dat de bestuurder van de Peugeot een aanrijding in ieder geval opgemerkt moet hebben gezien de schade aan de achterzijde van de Peugeot en de massa en de afstand van het achterwaarts voortduwen van de motor.
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 31 december 2019 de bestuurder was van de Peugeot. De verdachte kan zich vaag herinneren dat de auto achteruit reed en dat hij een tik hoorde, die boven het harde geluid van de auto uitkwam. Ook kan hij zich herinneren dat hij wist dat de motoragent achter hem reed, omdat hij de blauwe zwaailichten had gezien.
Vrijspraak ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte met zijn gedragingen (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer] heeft gehad. Of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels dient te worden verstaan als de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt het volgende. De verdachte is vanuit stilstaande positie vol gas en met een ronkende motor achteruit gereden met een personenauto. Daarbij is hij vanuit stilstand tegen de vlak achter die auto stilstaande dienstmotor met daarop verbalisant [slachtoffer] gebotst waardoor [slachtoffer] ten val is gekomen. Gelet op het feit dat de verdachte wist dat hij achtervolgd werd door een motoragent kon hij weten dat deze motoragent achter hem stond. De rechtbank overweegt in dit verband dat, naar algemene ervaringsregels, de te verwachten gevolgen van een aanrijding van een motorrijder op een motorfiets door een auto in belangrijke mate worden bepaald door de snelheid van de auto. Onduidelijk is gebleven met welke snelheid de verdachte achteruit is gereden en met welke snelheid hij de motor heeft geraakt. De schade aan de motor is gering, zoals is te zien op de foto’s in het dossier. [slachtoffer] heeft geen zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Naar het oordeel van de rechtbank is op basis van de beschikbare gegevens in het dossier niet komen vast te staan dat sprake is van een aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] en van het aanvaarden daarvan. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van het onder 1 primair ten laste gelegde.
Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte met zijn gedragingen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de zware mishandeling van [slachtoffer] . Het gericht inrijden met een personenauto op een persoon op een veel lichtere motorfiets brengt naar algemene ervaringsregels de reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid met zich dat de persoon die op de motor zit achteruit geschoven wordt, omvalt en onder de motor of de auto of op de rijbaan terecht komt en daarbij zwaar lichamelijk letsel oploopt. Door zo te handelen heeft de verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Deze geweldshandelingen van de verdachte zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan dan dat de verdachte door het op een dergelijke wijze achteruit te rijden de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard.
Op grond van voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] .
Feit 2 (diefstal)
De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, omdat de verdachte dit feit heeft bekend en namens hem geen vrijspraak is bepleit (artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:
de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting op 29 juni 2020;
het proces-verbaal van aangifte d.d. 2 januari 2020 met bijlagen;
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
feit 1 subsidiair
op 31 december 2019 in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] (brigadier van politie) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een personenauto met volle vaart, in elk geval met een aanzienlijke snelheid, achteruit rijdend tegen de motor van voornoemde [slachtoffer] aan is gereden, waardoor deze [slachtoffer] ten val is gekomen en vervolgens onder de motor terecht is gekomen en vervolgens terwijl deze [slachtoffer] onder motor lag, met motor en al in elk geval een aantal meter over het wegdek achteruit is blijven rijden, terwijl dit misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, terwijl de uitvoering van dit misdrijf niet is voltooid;
feit 2
meermaals in de periode van 29 november 2019 tot en met 28 december 2019 te Horst, telkens een hoeveelheid benzine, die aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam bedrijf] , heeft weggenomen met het oogmerk om zich die benzine wederrechtelijk toe te eigenen.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
T.a.v. feit 1 subsidiair:
poging tot zware mishandeling, gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening
T.a.v. feit 2:
diefstal, meermalen gepleegd
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De straf en/of de maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd aan de verdachte een ontzegging op te leggen van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 60 maanden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht bij de strafoplegging in het voordeel van de verdachte rekening te houden met zijn persoonlijke omstandigheden, alsook met het feit dat de verdachte excuses heeft gemaakt aan het slachtoffer. Zij heeft verzocht aan de verdachte in ieder geval de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering op te leggen. De raadsvrouw heeft voorts verzocht om bij het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de duur hiervan te beperken tot de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht en ingeval de rechtbank van oordeel is dat een hogere straf op zijn plaats is, dit te verwerken in een hoger voorwaardelijk strafdeel.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich onttrokken aan een verkeerscontrole vanwege een ontbrekende uitlaat en is vervolgens achtervolgd door het latere slachtoffer, motoragent [slachtoffer] . De verdachte heeft tijdens die achtervolging op enig moment zijn auto stilgezet, en is vervolgens, toen [slachtoffer] op een afstand van enkele meters zijn motor achter de auto eveneens stilzette, volle kracht achteruit tegen de motor van [slachtoffer] opgereden. Het is onduidelijk gebleven wat precies zijn intentie daarbij was; de verdachte heeft zich in vaagheden gehuld en zou in ‘paniek’ geweest zijn. Wat die paniek veroorzaakte, lijkt niet meer te zijn geweest dan de vrees te worden aangehouden omdat zijn auto geen uitlaat had en hijzelf geen rijbewijs terwijl hij bovendien alcohol en drugs had gebruikt.
[slachtoffer] heeft ter terechtzitting in duidelijke en aangrijpende bewoordingen uiteen gezet wat voor hem de gevolgen waren van de onbesuisde actie van de verdachte. Zijn motor werd aangereden, hij kwam met een klap op het wegdek en onder de motor terecht die vervolgens nog een aantal meters over het asfalt werd voortgeduwd door de auto van de verdachte. [slachtoffer] heeft doodsangsten uitgestaan. Hij is in een klap een belangrijk stuk levensvreugde en werkplezier verloren en moet hard werken om dat terug te winnen. Naar het oordeel van de rechtbank is deze aanslag op een politieagent een ernstig feit, dat enkel met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf vergolden kan worden.
Het juridische verwijt dat de rechtbank de verdachte maakt, is dat door zijn onbezonnen daad het slachtoffer een grote kans liep op ernstige verwondingen. Dat is een ander, of zo men wil, een minder ernstiger feit dan waarvoor de officier van justitie een straf heeft geëist; dat betrof immers een poging tot doodslag, met vol opzet op de dood van het slachtoffer. Alleen al daarom zal de rechtbank de officier van justitie niet volgen in de door hem geformuleerde strafeis.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf tevens acht geslagen op de oriëntatiepunten die rechtbanken hanteren als het gaat om een ‘gewone’ mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. Daarbij horen, afhankelijk van welk middel de dader hanteert, gevangenisstraffen in de orde van grootte van 10 maanden als het delict voltooid is. In dit geval betrof het een poging, waarbij doorgaans een aanmerkelijk lagere straf past dan bij het voltooide delict. De rechtbank acht een straf van die hoogte echter niet in verhouding staan tot de hierboven beschreven ernst van het feit: de aard van de aanslag, het feit dat deze gericht was tegen een politieagent die niets anders deed dan zijn werk en de gevolgen ervan voor hem maken dat een fors hogere straf op zijn plaats is. Dit blijkt ook uit uitspraken van andere rechters over soortgelijke zaken. De rechtbank weegt in de strafoplegging verder mee dat de verdachte verschillende keren heeft getankt zonder te betalen, al betreft dit veel lichtere feiten.
Ten slotte heeft de rechtbank meegewogen - met name bij het bepalen dat een deel van de straf voorwaardelijk wordt opgelegd - dat de verdachte nog jong is en een zekere mate van verantwoordelijkheid voor zijn handelen probeert te nemen. Hij ziet in dat hij fout was. De verdachte lijkt ook bereid aan zichzelf te werken en door het opleggen van een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden verplicht de rechtbank de verdachte daar ook toe. De verdachte zal vooral wat moeten doen aan zijn impulsiviteit en agressie.
Al met al acht de rechtbank een gevangenisstraf van 18 maanden passend, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met daarbij de bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd en met een proeftijd van twee jaar. Als bijkomende straf ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde feit legt de rechtbank aan de verdachte op een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, eveneens met een proeftijd van twee jaar.
7. De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij de besloten vennootschap [naam bedrijf] heeft ter zake van feit 2 materiële schadevergoeding gevorderd van € 163,25.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij volledig dient te worden toegewezen. De officier van justitie heeft voorts verzocht de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Het onder feit 2 ten laste gelegde is bewezen verklaard. Dit is een strafbaar feit en aan de verdachte zal voor dit feit een straf worden opgelegd. Door het onder 2 bewezenverklaarde feit is aan de benadeelde partij rechtstreeks schade toegebracht. De benadeelde partij is ontvankelijk in haar vordering.
Totale schade en wettelijke rente
De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij, de besloten vennootschap [naam bedrijf] , van € 163,25 aan materiële schade, geheel kan worden toegewezen.
De verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade. De rechtbank zal de verdachte daarom veroordelen tot betaling van dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 28 december 2019 tot de dag der algehele voldoening.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal tevens aan de verdachte de verplichting opleggen aan de staat een bedrag van € 163,25 te betalen en bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door gijzeling voor de duur van 3 dagen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 28 december 2019 tot de dag der algehele voldoening, te betalen ten behoeve van [naam bedrijf] , zoals hierna in het dictum genoemd.
Kostenveroordeling
De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoor overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
8. Het beslag
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de goederen op de beslaglijst, met name de auto waarmee het feit is gepleegd, verbeurd moet worden verklaard.
De verdediging heeft zich niet uitgelaten over het beslag.
De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat de personenauto verbeurd moet worden verklaard. De overige goederen kunnen terug worden gegeven aan de rechthebbende (het betreft onderdelen van de politiemotor die niet voor verbeurdverklaring in aanmerking komen).
9. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 33, 33a, 36f, 45, 57, 302, 304 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
Strafbaarheid
Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt de verdachte vrij van het onder 1 primair ten laste gelegde feit;
Bewezenverklaring
Straf
- wijst toe de vordering van de benadeelde partij de besloten vennootschap [naam bedrijf] en veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van betaling aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van € 163,25, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 28 december 2019 tot de dag der algehele voldoening;
Beslag
- verklaart verbeurd de volgende in beslag genomen voorwerpen:
1 STK personenauto;
- beslist dat de navolgende goederen aan de rechthebbende terug moeten worden gegeven:
Dit vonnis is gewezen door mr. D.D. Kock, voorzitter, mr. F.L.G. Geisel en mr. R. Verkijk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H.C. van den Munckhof, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 13 juli 2020.
Buiten staat
mr. R. Verkijk en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
1.
hij op of omstreeks 31 december 2019 in de gemeente Venlo
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer] (brigadier van politie)
opzettelijk
van het leven te beroven,
met een personenauto met volle vaart, in elk geval met een aanzienlijke
snelheid, achteruit rijdend tegen de motor
van voornoemde [slachtoffer] aan is gereden, waardoor deze [slachtoffer] ten val is gekomen
en (vervolgens) onder de motor terecht is gekomen en/of (vervolgens) terwijl
deze [slachtoffer] onder motor lag, met motor en al een tiental meter in elk geval
een aantal meter over het wegdek achteruit is blijven rijden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden, dat:
hij op of omstreeks 31 december 2019 in de gemeente Venlo ter uitvoering van
het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] (brigadier
van politie) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
met een personenauto met volle vaart, in elk geval met een aanzienlijke
snelheid, achteruit rijdend tegen de motor
van voornoemde [slachtoffer] aan is gereden, waardoor deze [slachtoffer] ten val is gekomen
en (vervolgens) onder de motor terecht is gekomen en/of (vervolgens) terwijl
deze [slachtoffer] onder motor lag, met motor en al een tiental meter in elk geval
een aantal meter over het wegdek achteruit is blijven rijden,
terwijl dit misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake
van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening,
terwijl de uitvoering van dit misdrijf niet is voltooid;
2.
hij (meermaals) in of omstreeks de periode van 29 november 2019 tot en met 28
december 2019 te Horst, in elk geval in de gemeente Horst aan de Maas,
(telkens) een hoeveelheid benzine, in elk geval enig goed, dat (telkens)
geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam bedrijf] ,
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;