ECLI:NL:RBLIM:2020:9461

ECLI:NL:RBLIM:2020:9461, Rechtbank Limburg, 02-12-2020, AWB/ROE 20/515

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 02-12-2020
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer AWB/ROE 20/515
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Roermond
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2021:2013
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 5 zaken
Aangehaald door 2 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0024779 BWBR0027464

Samenvatting

Verweerder heeft aan de buurman van eiser een omgevingsvergunning verleend waarbij via de zogenaamde kruimelgevallenregeling is afgeweken van het bestemmingsplan. In bezwaar wordt dat besluit met een verbetering van de motivering gehandhaafd. Eiser is het daarmee niet eens en komt in beroep. De rechtbank is (ambtshalve) van oordeel dat verweerder via artikel 2.12.eerste lid, onder a, onder 3, van het bestemmingsplan had moeten afwijken. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat de kruimelgevallenregeling alleen van toepassing is bij een aanvraag voor een (daadwerkelijke) uitbreiding van het hoofdgebouw. Daarvan is hier geen sprake. Verweerder heeft aangegeven dat er dan mogelijk een verklaring van geen bedenkingen nodig is van de gemeenteraad. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en volstaat daarom met een terug verwijzing.

Uitspraak

4. De rechtbank overweegt als volgt.

Op onderhavige locatie gelden de volgende bestemmingsplannen: ‘Kernen 2010’, ‘Kernen 2010 1e herziening’ en het facetbestemmingsplan Parkeernormen. Op het perceel rust de bestemming ‘Wonen’.

Ingevolge artikel 17.2.2 sub g van het bestemmingsplan ‘Kernen 2010 1e herziening’ dient de afstand van de zijgevel tot de zijdelingse perceelgrens ten minste 1,5 m te bedragen.

5. Tussen partijen is niet in geschil dat de bouw van een woning op het perceel is toegestaan, maar dat onderhavig bouwplan in strijd is met voormelde (bestemming)plan-regel. Dit bestemmingsplan bevat geen mogelijkheid hiervan af te wijken.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2ᵒ en onder 3ᵒ, van de Wabo kan voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen of in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Die algemene maatregel van bestuur is het Besluit omgevingsrecht (Bor). Artikel 4 van Bijlage II van het Bor bevat de zogenaamde ‘kruimelgevallenregeling’. Op grond daarvan (artikel 4 aanhef en onder 1) komt voor verlening van een omgevingsvergunning in aanmerking: een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan. Op grond van vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2953) mag de kruimelgevallen-regeling ook worden toegepast voor de uitbreiding van een nog niet bestaand gebouw.

In het geval niet de kruimelgevallenregeling van toepassing is op grond artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2ᵒ, van de Wabo maar er wordt afgeweken op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3ᵒ, van de Wabo, dient ingevolge artikel 3.10, eerste lid, onder a, van de Wabo de zogenaamde uniforme openbare voorbereidingsprocedure te worden gevolgd. In dat geval is op basis van artikel 2.27 van de Wabo in combinatie met artikel 6.5, eerste lid, van het Bor tevens een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad vereist. Ingevolge artikel 6.5, derde lid, van het Bor kan de gemeenteraad categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.

6. De rechtbank overweegt (ambtshalve) over de bevoegdheid van verweerder om met toepassing van de kruimelgevallenregeling in dit geval een omgevingsvergunning te verlenen het volgende.

7. De rechtbank is op grond van de bouwtekeningen van oordeel dat er geen sprake is van de uitbreiding van een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in het Bor: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak. Blijkens de bouwtekeningen is er sprake van één hoofdgebouw dat tegen de zijdelingse perceelgrens wordt/is gebouwd. De jurisprudentie waar verweerder zich op heeft gebaseerd (vermeld in het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften) heeft betrekking op de uitbreiding van een nog niet bestaand (hoofd)gebouw en op bijbehorende bouwwerken (bijgebouwen). De rechtbank is van oordeel dat uit deze jurisprudentie niet kan worden afgeleid dat de kruimelgevallenregeling ook kan worden toegepast wanneer, zoals in dit geval, er geen sprake is van een aanvraag voor een (daadwerkelijke) uitbreiding van een hoofdgebouw maar er enkel een aanvraag is voor één (onsplitsbaar) hoofdgebouw.

8. Op grond van voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet bevoegd was om in dit geval de omgevingsvergunning te verlenen met toepassing van de kruimelgevallenregeling. Het beroep is gegrond. Aangezien verweerder ter zitting heeft aangegeven dat als er van het bestemmingsplan afgeweken dient te worden op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3ᵒ, van de Wabo, in dat geval waarschijnlijk een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad is vereist, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank volstaat vooralsnog met een vernietiging van het bestreden besluit en laat het aan verweerder over in hoeverre naar aanleiding van de heroverweging ook tot een herroeping van het primaire besluit dient te worden overgegaan.

9. Aan een bespreking van de overige beroepsgronden komt de rechtbank, gelet op het vorenstaande, niet toe.

10. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.

11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

12. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, rechter, in aanwezigheid van

mr. E.W. Seylhouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

2 december 2020.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 2 december 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R.J.G.H. Seerden

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?