ECLI:NL:RBLIM:2023:2008

ECLI:NL:RBLIM:2023:2008, Rechtbank Limburg, 20-03-2023, C/03/314265/KGZA 23-44 20032023

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 20-03-2023
Datum publicatie 24-12-2025
Zaaknummer C/03/314265/KGZA 23-44 20032023
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Roermond

Samenvatting

Om vast te stellen welke kostenposten van de begrotingen onder artikel 7 van de Wohv vallen en welke kostenposten niet is nader onderzoek nodig, hetgeen buiten het kader van de kort geding procedure valt. Vordering wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: C/03/314265 / KG ZA 23-44

Vonnis in kort geding van 20 maart 2023

in de zaak van

HUURDERSVERENIGING NOORD-LIMBURG,

te Venray,

eisende partij,

hierna te noemen: HVNL

advocaat: mr. J.A.M.W. Lutgens te Maastricht-Airport,

tegen

1. STICHTING WONEN LIMBURG,

te Roermond,2. WONEN LIMBURG ACCENT B.V.,

te Roermond,

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: Stichting Wonen Limburg c.s.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 15;

- de akte met producties 1 tot en met 18 van Stichting wonen Limburg c.s.; - de mondelinge behandeling van 13 maart 2023;

- de pleitnota van HVNL; - de pleitnota van Stichting Wonen Limburg c.s.

2. De feiten

HVNL is een vereniging van huurders en behartigt de belangen van ruim 12.000 huurders van woningen van Woningcorporatie Wonen Limburg. HVNL is een huurderorganisatie in de zin van artikel 1 lid 1 sub f van de Wet op het overleg huurders verhuurders (hierna: Wohv).

Stichting Wonen Limburg c.s. is een verhuurder in de zin van artikel 1 lid 1 sub d Wohv.

HVNL is lid geweest van de Huurdersraad. De Huurdersraad is een organisatie waarin diverse huurdersorganisaties zich hebben verenigd om zo overleg te voeren met Stichting Wonen Limburg c.s. met betrekking tot onderwerpen aangaande de Wohv.

HVNL en Stichting Wonen Limburg c.s. hebben geen samenwerkingsovereenkomst. Er bestaat dan ook geen financiële regeling tussen partijen met betrekking tot de financiering van HVNL.

Op 6 december 2021 heeft Stichting Wonen Limburg c.s. per brief het volgende aan HVNL bericht:

“Dank voor de toegezonden begroting van HVNL voor het jaar 2022.

Hierbij onze goedkeuring voor de ingediende begroting 2022, onder de voorwaarde dat er gedurende het jaar middels de financiele commissie inzicht zal worden gegeven in het bestedingspatroon. De transparantie en uniformering van de BC’s kan mogelijk bijdragen aan dit inzicht. De tweede tranche zal mogelijk worden bijgesteld op basis van de actuele inschattingen van de uitgaven.

De eerste tranche bedraagt € 33.375 en zal in januari 2022 worden uitbetaald”

HVNL heeft ook haar begroting met betrekking tot 2023 toegezonden.

De verhoudingen tussen HVNL en Stichting Wonen Limburg c.s. zijn verstoord. Dit heeft te maken met de financiering van HVNL door Stichting Wonen Limburg c.s. conform de Wohv. Stichting Wonen Limburg c.s. is niet overgaan tot betaling conform de ingediende begroting van 2022 en 2023 van HVNL.

Zowel HVNL als Stichting Wonen Limburg c.s. willen met elkaar praten over de verstoorde verhoudingen en de financiering van HVNL. HVNL heeft echter aangegeven dat zij, alvorens er tot een gesprek zal worden overgegaan, eerst betaling wenst van Stichting Wonen Limburg c.s. Stichting Wonen Limburg c.s. wenst echter eerst een gesprek om vervolgens over te gaan tot uitbetaling van een redelijk bedrag conform de Wohv.

3. Het geschil

HVNL vordert, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Stichting Wonen Limburg c.s., hoofdelijk te veroordelen:- om aan HVNL, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen een bedrag ad € 20.750,00 betreffende de kosten die HVNL heeft gemaakt in het jaar 2022, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen voorschot op dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2022 althans een door de voorzieningenrechter te bepalen datum;- om aan HVNL, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen een bedrag ad € 40.000,00, zijnde een voorschot op de kosten van 2023, althans een door uw rechter te bepalen voorschot op dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 februari 2023;

Met veroordeling (eveneens voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad) van Stichting Wonen Limburg c.s., in de werkelijke kosten van het geding ter hoogte van € 7.935,54, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, met inbegrip van de nakosten zoals genoemd in artikel 237 lid 4 Rv, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het tijdstip dat Wonen Limburg c.s. in verzuim is deze kosten te voldoen.

Stichting Wonen Limburg c.s. voert verweer en concludeert primair tot afwijzingen van de vorderingen van HVNL met veroordeling van HVNL in de kosten van deze procedure, inclusief de nakosten. Geheel subsidiair concludeert Wonen Limburg c.s. tot de navolgende matiging van de vorderingen:1): 2022: matiging tot een bedrag van € 14.186,00;2): 2023: matiging tot een bedrag van € 7.800,00 althans € 24.143,00;3) proceskoten: matiging conform het liquidatietarief.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

spoedeisend belang

Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De voorzieningenrechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de voorzieningenrechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening. Hierbij geldt dat voormelde toetsingscriteria communicerende vaten vormen: naarmate het bestaan van de vordering meer aannemelijk is, zullen aan de criteria van spoedeisendheid en restitutierisico minder strenge eisen gesteld worden en vice versa.

Stichting Wonen Limburg c.s. betwist het spoedeisend belang van de vorderingen van HVNL en stelt dat HVNL het verschil van kosten over 2022 kan opvangen met haar weerstandsvermogen. Voorts heeft HVNL niet aannemelijk gemaakt dat zij wordt geconfronteerd met dusdanige kosten dat een voorlopige voorziening in het kort geding is vereist. De voorzieningenrechter is van oordeel dat HVNL wel degelijk een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen aangezien HVNL onbetwist heeft gesteld dat zij nog maar ongeveer € 1.900,- in kas heeft en aan het einde van de maand maart haar factureren niet meer kan voldoen. HVNL heeft haar spoedeisend belang daarmee voldoende aannemelijk gemaakt.

kern van het geschil

Kern van dit geschil betreft de vraag of het voorshands aannemelijk is dat Stichting Wonen Limburg c.s. aan HVNL de door haar gevorderde kosten met betrekking tot het jaar 2022 dient te vergoeden en aan HVNL een voorschot dient te betalen voor de kosten van 2023. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe het navolgende.

Tussen partijen staat vast dat er geen sprake is van een samenwerkingsovereenkomst tussen partijen waarin een financiële regeling tussen partijen is opgenomen met betrekking tot welke kosten Stichting Wonen Limburg c.s. aan HVNL dient te vergoeden. Nu er geen sprake is van een samenwerkingsovereenkomst waarin een financiële regeling is opgenomen zijn partijen aangewezen op hetgeen er in de Wohv staat opgenomen. In artikel 7 lid 1 van de Wohv staat opgenomen dat de verhuurder aan de huurdersorganisatie de kosten die rechtstreeks samenhangen met en redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taken, genoemd in de artikelen 3, 4, 5 en 5b dient te vergoeden. Onder deze kosten worden in ieder geval begrepen de kosten van het uitnodigen van deskundigen en het vragen van inlichtingen en adviezen als bedoeld in artikel 5d, en de kosten van scholings- en vormingsactiviteiten als bedoeld in artikel 5e. De vraag of Stichting Wonen Limburg c.s. gehouden is de door HVNL gevorderde kosten te vergoeden en het door HVNL gevorderde voorschot te betalen betreft een vraag die niet op een eenvoudige wijze te beantwoorden is. Voor een beoordeling van deze vraag is een nader uitgebreid feitenonderzoek noodzakelijk. Immers vastgesteld dient te worden welke kostenposten van de begrotingen onder artikel 7 van de Wohv vallen en welke kostenposten niet. Dit onderzoek gaat het kader van de kort geding procedure echter ver te buiten. Bovendien heeft Stichting Wonen Limburg c.s. onbetwist gesteld dat HVNL in 2021 circa € 34.000,00 teveel heeft ontvangen en stelt zij, kennelijk met een beroep op verrekening, dat dit bedrag als voorschot voor 2022 kan worden aangemerkt. Of het bedrag waarop HVNL recht heeft het bedrag van € 34.000,00 zal overtreffen kan niet voorshands worden vastgesteld en is ook niet zonder meer aannemelijk. Partijen zullen derhalve het gesprek hierover aan dienen te gaan en indien zij niet tot overeenstemming komen zullen zij zich in een bodemgeschil tot de bevoegde rechter dienen te wenden. De vorderingen van HVNL zullen dan ook worden afgewezen.

HVNL is de partij die ongelijk krijgt en zij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van Stichting Wonen Limburg c.s. als volgt vastgesteld:

- griffierecht

676,00

- salaris advocaat

697,00

totaal

1.373,00.

De gevorderde nakosten worden, met inachtneming van de richtlijnen van het LOVCK, toegewezen op de hierna in het dictum te vermelden wijze.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

wijst de vorderingen van HVNL af,

veroordeelt HVNL in de proceskosten, aan de zijde van Stichting Wonen Limburg c.s. tot dit vonnis vastgesteld op € 1.373,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt HVNL in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 173,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat HVNL niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 90,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y.J.C.A. Roeffen en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2023.

JJ

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?