ECLI:NL:RBLIM:2023:5236

ECLI:NL:RBLIM:2023:5236, Rechtbank Limburg, 04-09-2023, ROE 22/1279

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 04-09-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer ROE 22/1279
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Roermond
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 2 zaken
8 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001888 BWBR0004045 BWBR0005537 BWBR0006368 BWBR0011478 BWBR0013060 BWBR0015703 BWBR0019057

Samenvatting

Wet WIA. Duur loongerelateerde uitkering.

Uitspraak

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. P.H.A. Brauer),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het UWV), verweerder

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).

Aan dit geding heeft verder deelgenomen:

Stichting de Jonge Bea, gevestigd in Rotterdam, derde partij (hierna: werkgever).

Inleiding

Bij besluit van 15 november 2021 heeft het UWV vanaf 5 maart 2020 aan eiseres een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 17 november 2021 heeft het UWV besloten aan eiseres een brutobedrag van € 16.325,52 aan WIA-uitkering na te betalen.

Eveneens bij besluit van 17 november 2021 heeft het UWV een uitkeringsspecificatie gestuurd voor de nabetaling van de WIA-uitkering en de verschuldigde wettelijke rente.

Het UWV heeft het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en de hoogte van het WIA-maandloon en de verschuldigde wettelijke rente gewijzigd.

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen deze beslissing op bezwaar (het bestreden besluit) van 10 mei 2022.

Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De werkgever heeft verklaard als derde-partij aan het geding te willen deelnemen, maar alleen de uitspraak te willen ontvangen. Het dossier is daarom niet door de rechtbank aan de werkgever of zijn gemachtigde toegestuurd.

Met toestemming van partijen is een zitting achterwege gebleven. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Eiseres heeft ook beroep ingesteld tegen het besluit van 14 april 2022, over de beëindiging van de WIA-uitkering. Onder nummer ROE 22/1104 doet de rechtbank daarin afzonderlijk uitspraak.

Wat ging aan deze procedure vooraf

1. Eiseres heeft voor het laatst gewerkt als medewerkster kinderopvang voor gemiddeld 32,11 uur per week. Op 11 september 2017 heeft eiseres zich ziek gemeld voor dit werk vanwege gezondheidsklachten.

2. Na een herhaalde beoordeling in het kader van de Wet WIA heeft het UWV eiseres een WIA-uitkering toegekend. Vanaf 5 maart 2020 had zij recht op een WGA-loongerelateerde uitkering. Vanaf 5 juli 2021 had zij recht op een WGA-loonaanvullingsuitkering.

3. Het UWV heeft vervolgens het besteden besluit genomen zoals in de inleiding is genoemd.

Wat vindt het UWV

4. Het UWV vindt dat eiseres recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering van zestien maanden. Het UWV heeft zich hierbij gebaseerd op de (eigen) registratie van het arbeidsverleden van eiseres.

Wat vindt eiseres

5. Eiseres is het niet eens met het UWV. Zij verzoekt de rechtbank de inhoud van het bezwaarschrift als herhaald en ingelast te beschouwen. Zij handhaaft enkel haar bezwaar betreffende de duur van de loongerelateerde uitkering. Volgens eiseres kan zij tot 1 januari 2016 zestien jaar opbouwen. Zij heeft nagenoeg aansluitend gewerkt vanaf 17-jarige leeftijd. Vanaf 2016 tot 2020 kan zij twee maanden opbouwen. De loongerelateerde uitkering bedraagt derhalve achttien en geen zestien maanden.

Wat de rechtbank vindt

6. De vraag is of het UWV terecht stelt dat eiseres recht heeft op zestien maanden loongerelateerde WGA-uitkering. De rechtbank moet die vraag beantwoorden aan de hand van wat eiseres daartegen in heeft gebracht.

7. De rechtbank vindt dat het UWV terecht heeft beslist dat eiseres recht heeft op zestien maanden loongerelateerde WGA-uitkering. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

8. Voor zover eiseres in haar beroepschrift verwijst naar wat zij in bezwaar heeft aangevoerd, overweegt de rechtbank dat het aan eiseres is om in beroep gemotiveerd en specifiek aan te voeren waarom zij het niet eens is met het bestreden besluit. De verwijzing naar het bezwaarschrift wordt niet als zo’n gemotiveerde en specifieke betwisting opgevat. Daarop is immers gereageerd in het bestreden besluit. Eiseres zal dus moeten aanvoeren waarom zij het met die reactie niet eens is. Gelet hierop zal de rechtbank de beoordeling van het beroep plaatsen in het licht van de in beroep nader uitgewerkte gronden en niet in het licht van hetgeen in bezwaar is aangevoerd.

9. De duur van het arbeidsverleden vormt de basis voor de loongerelateerde WGA-uitkering. In artikel 15, eerste lid, van de Wet WIA is geregeld op welke manier het arbeidsverleden moet worden berekend. Het arbeidsverleden bestaat uit twee periodes, namelijk het fictieve en het feitelijke arbeidsverleden. Samen vormen deze twee periodes het arbeidsverleden. Het fictieve arbeidsverleden omvat de gehele periode vanaf het jaar waarin de betrokkene 18 jaar werd tot en met het kalenderjaar 1997. Het maakt daarbij niet uit of de betrokkene wel of niet gewerkt heeft. Bij de berekening van het feitelijke arbeidsverleden is wel relevant of de betrokkene gewerkt heeft. Het feitelijke arbeidsverleden is opgedeeld in twee fases. De eerste fase loopt tot 1 januari 2013 en de tweede vanaf 1 januari 2013. Een jaar telt mee als arbeidsjaar wanneer in de periode tot 1 januari 2013 over ten minste 52 dagen sociale verzekeringsloon (sv-loon) is ontvangen. Daarbij maakt het aantal arbeidsuren per week niets uit. Voor de periode na 1 januari 2013 geldt dat een jaar pas meetelt als arbeidsjaar wanneer ten minste 208 uren sv-loon is ontvangen. De rekenperiode loopt tot en met het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het recht op WGA-uitkering is ontstaan.

10. Op grond van artikel 59, eerste lid van de Wet WIA is de duur van de loongerelateerde WGA-uitkering ten minste drie maanden en ten hoogste 24 maanden, te rekenen vanaf de eerste dag waarop het recht op uitkering is ontstaan. Op grond van het tweede lid wordt voor ieder kalenderjaar arbeidsverleden een maand uitkeringsduur opgebouwd, voor zover het arbeidsverleden niet langer is dan tien jaar. Als het arbeidsverleden wel langer is dan tien jaar, dan geldt dat voor de jaren arbeidsverleden tot 1 januari 2016 een maand uitkeringsduur wordt opgebouwd en voor de jaren arbeidsverleden na 1 januari 2016 een halve maand uitkeringsduur.

11. In het geval van eiseres is er geen sprake van een fictief arbeidsverleden. In 1997 was zij immers nog geen 18 jaar.

12. De relevante periode voor de vaststelling van het feitelijke arbeidsverleden omvat de kalenderjaren van 1998 tot 1 januari 2013 en vanaf 1 januari 2013 tot en met 2020. In 2020 is immers het recht op een WGA-uitkering ontstaan. Uit de dossiergegevens blijkt dat eiseres in de jaren 1998 tot en met 2019 een arbeidsverleden heeft opgebouwd, met uitzondering van de jaren 1998, 2001, 2002 en 2004. Dat correspondeert met veertien kalenderjaren vóór 1 januari 2016 en vier kalenderjaren na 1 januari 2016. In totaal heeft eiseres een arbeidsverleden van achttien jaar en daarmee heeft zij recht op 16 maanden loongerelateerde WGA-uitkering (14 x 1 + 4 x 0,5). Eiseres heeft onvoldoende onderbouwd dat haar relevante arbeidsverleden langer is.

Conclusie en gevolgen

13. Het UWV heeft terecht besloten om de duur van de loongerelateerde WGA-uitkering van eiseres vast te stellen op 16 maanden.

14. Het beroep van eiseres is ongegrond. Dit betekent dat zij geen gelijk krijgt. Omdat eiseres in beroep geen gelijk krijgt, worden de door haar gemaakte proceskosten of het betaalde griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 4 september 2023 door mr. R.J. van Lochem, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B.C. Hoeksel, griffier.

De uitspraak is verzonden op 4 september 2023

en zal binnen een week na deze datum openbaar gemaakt worden door publicatie op rechtspraak.nl.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R.J. van Lochem

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?