RECHTBANK LIMBURG
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Maastricht
Zaaknummer: C/03/322317 / JE RK 23-1636
Datum uitspraak: 3 november 2023
Beschikking van de kinderrechter over de vaststelling van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken in de zaak van:
de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd in Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over de minderjarige:
[minderjarige] , hierna te noemen: [minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonend op een geheim adres binnen het arrondissement van de rechtbank Limburg,
advocaat mr. B.H.S. Brinkman, kantoorhoudend in Heerlen,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. J.J. Baltus, kantoorhoudend in Landgraaf.
Met toepassing van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, is
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Limburg, verder te noemen: de raad, gevestigd in Maastricht, door de rechtbank als adviseur bij deze zaak betrokken.
1. Het verloop van de procedure
Op 15 september 2023 is bij de rechtbank een verzoekschrift met bijlagen van de GI ingekomen.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 september 2023. Daarbij waren aanwezig:
een vertegenwoordigster van de GI;
de advocaat van de moeder;
de vader en mr. S.L.B. Koelman-Duijf, waarnemend voor de advocaat van de vader;
een vertegenwoordigster van de raad.
De moeder is niet verschenen op de zitting.
2. De feiten
De ouders van [minderjarige] zijn belast met het gezag. [minderjarige] woont deels bij de moeder en deels bij de vader.
De kinderrechter van deze rechtbank heeft bij beschikking van 26 mei 2023 [minderjarige] voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld van de GI.
3. Het verzoek en verweer
De GI verzoekt, bij beschikking en uitvoerbaar bij voorraad, een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen waarbij [minderjarige] vier dagen per week bij de vader en drie dagen per week bij de moeder verblijft, waarbij de ouders zich houden aan de veiligheidsafspraken en waarbij [minderjarige] ten minste drie tot vier dagdelen per week naar een kinderdagverblijf gaat.
Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI gesteld dat het in het belang van [minderjarige] is dat er een zorgregeling wordt vastgesteld. [minderjarige] was tot voor kort uit huis geplaatst in een pleeggezin, maar die plaatsing is plotseling door de pleegouders beëindigd. Sinds half september woont [minderjarige] weer bij de ouders. Zij verblijft wekelijks drie dagen bij de moeder en vier dagen bij de vader. Om de ouders te ontlasten en de ontwikkeling van [minderjarige] te stimuleren, is het van belang dat [minderjarige] ten minste drie of vier keer per week naar een kinderdagverblijf gaat. Daarnaast zal Zorgen & Zo ondersteuning bieden in de thuissituatie. De GI heeft veiligheidsafspraken opgesteld. De zorgregeling kan alleen veilig worden uitgevoerd als de veiligheidsafspraken door de ouders worden nageleefd.
De advocaat van de moeder heeft verklaard dat de moeder instemt met het verzoek. Er wordt inmiddels uitvoering gegeven aan de zorgregeling en dat verloopt goed.
De vader heeft geen bezwaar tegen toewijzing van het verzoek. [minderjarige] verblijft inmiddels vier dagen per week bij de vader en dat gaat goed. De vader wordt begeleid door Zorgen & Zo en kan daar, zo nodig, terecht met vragen over de opvoeding. De vader stemt in met de huidige zorgregeling. Het is voor hem daarom niet persé nodig dat dit ook nog wordt vastgesteld in een beschikking.
De raad adviseert het verzoek toe te wijzen.
4. De beoordeling
Op grond van artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter op verzoek van de GI voor de duur van de ondertoezichtstelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een omgangsregeling vaststellen, voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
De kinderrechter acht het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat de door de GI verzochte verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt vastgesteld en overweegt als volgt. [minderjarige] is eerder dit jaar uit huis geplaatst in een pleeggezin, maar deze uithuisplaatsing is in september plotseling door de pleegouders beëindigd. Na een belangenafweging en in overleg met de ouders heeft de GI ervoor gekozen om [minderjarige] thuis te plaatsen, waarbij [minderjarige] afwisselend drie dagen bij de moeder en vier dagen bij de vader verblijft en een aantal dagdelen per week naar een kinderdagverblijf gaat. De GI heeft verzocht conform die afspraak een zorgregeling vast te stellen. Tijdens de zitting is gebleken dat deze zorgregeling inmiddels goed verloopt. De ouders stemmen ook in met deze verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Zij houden zich aan de veiligheidsafspraken en werken mee aan de hulpverlening van Zorgen & Zo. De samenwerking tussen de hulpverlening en de ouders verloopt prettig en de ouders zijn onderling goed in staat tot communicatie. Hoewel er voorheen zorgen waren over de belastbaarheid van de moeder, is dit inmiddels meer in balans omdat de moeder wordt ondersteund door de vader en het kinderdagverblijf.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter het verzoek van de GI toewijzen en een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen zoals door de GI is verzocht. Van de ouders wordt verwacht dat zij hun volledige medewerking (blijven) verlenen aan deze zorgregeling en dat zij zich houden aan de gemaakte afspraken, omdat dat in het belang is van [minderjarige] . Hoewel beide ouders nu goed meewerken aan de zorgregeling, is de kinderrechter met de GI van oordeel dat het belangrijk is dat deze zorgregeling vastligt in een beschikking, zodat daar ook in de toekomst geen onduidelijkheid over is.
5. De beslissing
De kinderrechter:
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats] , in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, als volgt bij de ouders verblijft:
vier dagen per week bij de vader;
drie dagen per week bij de moeder;
waarbij de ouders zich houden aan de veiligheidsafspraken en waarbij [minderjarige] ten minste drie tot vier dagdelen per week naar een kinderdagverblijf gaat;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.J. Vogels, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 november 2023, in aanwezigheid van mr. J.J.M. Verhey als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.