ECLI:NL:RBLIM:2024:1019

ECLI:NL:RBLIM:2024:1019, Rechtbank Limburg, 06-03-2024, ROE 22/1001

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 06-03-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer ROE 22/1001
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Roermond
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005291

Samenvatting

Opposante stelt veelvuldig verzet in tegen buitenzitting-uitspraken waarmee zij niet-ontvankelijk is verklaard in haar beroep omdat zij geen griffierecht heeft betaald en uitdrukkelijk geen beroep heeft gedaan op betalingsonmacht. Opposante voert in de beroepen en de verzetten steeds dezelfde argumenten aan, namelijk dat de regeling inzake griffierecht in strijd zou zijn met Europees Recht. Dit standpunt is al veelvuldig door de rechtbank beoordeeld en verworpen. De wijze van procederen kent geen ander doel dan de rechtspraak onnodig te belasten en zodanig dat dit blijk geeft van kwade trouw. Dat geldt te meer nu opposante vaak aangeeft te willen worden gehoord, waarna zij niet op de daartoe geplande zitting verschijnt. De rechtbank neemt daarom misbruik van recht aan. Verzet(ten) niet-ontvankelijk.

Uitspraak

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2024 op het verzet van

[eiseres] , te [woonplaats] , opposante,

tegen de uitspraak van de rechtbank van 30 augustus 2022 in het geding tussen

opposante

en

de Autoriteit Persoonsgegevens, geopposeerde.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak van de rechtbank van 30 augustus 2022 (hierna: de uitspraak) waarin de rechtbank het beroep van opposante niet-ontvankelijk heeft verklaard.

De rechtbank heeft het verzet op 25 januari 2024 op zitting behandeld, gelijktijdig met 22 verzetten van opposante in gedingen tussen opposante en vijf andere geopposeerden. In de uitnodiging voor de zitting heeft de rechtbank vermeld dat op de zitting in elk geval zal worden besproken in hoeverre er sprake is van misbruik van recht.

Geopposeerde en opposante hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Wat is er beslist op het beroep van opposante?

3. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank doen als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht, omdat opposante in verzuim was het verschuldigde griffierecht te voldoen (artikel 8:41, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht). De rechtbank heeft in de uitspraak overwogen dat opposante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in onmacht verkeerde om het griffierecht tijdig te voldoen en dat er geen grond is voor het oordeel dat het geheven griffierecht opposante wezenlijk heeft belemmerd in haar recht op toegang tot de rechter. Dat opposante om haar moverende redenen geen beroep wil doen op betalingsonmacht, maakt dat niet anders.

Welke vraag moet in deze uitspraak worden beantwoord?

4. Opposante heeft in haar verzetschrift dezelfde argumenten naar voren gebracht als in het beroep. Volgens opposante zijn haar financiële gegevens vervalst en verduisterd. Opposante betaalt geen griffierecht zolang er geen onvervalste documenten worden overgelegd van haar financiën. Opposante vindt dat er sprake is van strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM) omdat haar recht op de toegang tot de rechter wordt belemmerd en het recht om te worden gehoord wordt geschonden. Opposante heeft bovendien uitdrukkelijk verklaard zich niet te beroepen op betalingsonmacht, omdat deze regeling eveneens in strijd is met artikel 6 van het EVRM.

De rechtbank heeft ambtshalve geconstateerd dat opposante deze argumenten niet alleen naar voren heeft gebracht in het beroep en het onderhavige verzet, maar ook in de 22 verzetzaken van opposante die gelijktijdig op zitting zijn behandeld. Ook heeft de rechtbank geconstateerd dat opposante dezelfde argumenten al in een groot aantal andere beroeps- en verzetzaken heeft aangevoerd, waarop reeds door (onder meer) deze rechtbank is beslist. Omdat opposante dezelfde argumenten, die al veelvuldig zijn beoordeeld, naar voren blijft brengen, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of opposante met haar verzet misbruik van recht maakt.

Wanneer is er sprake van misbruik van recht?

5. In artikel 13, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, (het BW) staat dat degene aan wie een bevoegdheid toekomt, deze niet kan inroepen voor zover hij deze misbruikt. In het tweede lid staat dat een bevoegdheid onder meer kan worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend. In artikel 15 van hetzelfde boek vindt artikel 13 toepassing buiten het vermogensrecht voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.

Deze artikelen uit het BW kunnen ook in het bestuursrecht van toepassing zijn. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) en de Centrale Raad van Beroep (de CRvB), volgt uit deze artikelen dat de bevoegdheid om een bestuursrechtelijk rechtsmiddel in te stellen, niet kan worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich dus tegen inhoudelijke behandeling van een bestuursrechtelijk rechtsmiddel (zoals beroep of verzet) dat misbruik van een bevoegdheid behelst en bieden dan ook een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van een zodanig rechtsmiddel.

6. Dit betekent dat wanneer de rechtbank van oordeel is dat opposante met haar verzet misbruik van recht maakt, de rechtbank dit verzet niet inhoudelijk hoeft te beoordelen en niet-ontvankelijk kan verklaren.

Maakt opposante misbruik van recht met het aantekenen van verzet?

7. De rechtbank stelt vast dat de argumenten van opposante in (inmiddels) een groot aantal uitspraken al is beoordeeld. Niet alleen door deze rechtbank (en andere rechtbanken), maar ook door de CRvB. Steeds is geoordeeld dat de regeling over het heffen van griffierecht en de hoogte hiervan, zoals die in Nederland wordt gehanteerd, dusdanig is dat deze normaal gesproken géén belemmering vormt voor de toegang tot de rechter. Dat kan in individuele gevallen anders zijn, namelijk als het netto-inkomen waarover de rechtzoekende maandelijks kan beschikken onder een bepaalde grens ligt en er geen vermogen is waarmee het griffierecht kan worden betaald. Er kan dan een beroep op betalingsonmacht worden gedaan, waardoor vrijstelling van griffierecht kan worden verleend. Het is dan wel aan opposante zélf om aan te tonen dat de heffing van het griffierecht in haar geval een onaanvaardbare belemmering vormt om zich tot de rechter te wenden. Dat heeft opposante niet gedaan, door steeds uitdrukkelijk af te zien van een beroep op betalingsonmacht. Dat opposante het griffierecht niet wil betalen zolang zij de door haar gewenste documenten (over haar inkomen) niet heeft ontvangen, is niet voldoende om een onaanvaardbare belemmering aan te nemen.

Hieruit kan niet alleen worden opgemaakt dat de uitspraak waartegen het verzet zich richt juist is, maar ook dat opposante tegen beter weten in blijft volharden in een rechtsgang door verzet aan te tekenen tegen uitspraken waarmee zij niet-ontvankelijk is verklaard in haar beroep wegens het niet betalen van griffierecht. Inmiddels moet voor opposante meer dan duidelijk zijn dat zij tijdig griffierecht dient te betalen, of een onderbouwd beroep op betalingsonmacht dient te doen. Met het instellen van rechtsmiddelen zonder het verschuldigde griffierecht te voldoen, daarbij bewust geen beroep te doen op betalingsonmacht, en onder aanvoering van steeds dezelfde (of vergelijkbare) argumenten, kan het opposante niet langer te doen zijn om het verkrijgen van duidelijkheid over de wet- en regelgeving en rechtspraak over het heffen van griffierecht en de regeling van beroep op betalingsonmacht, want die duidelijkheid is al meerdere keren uitdrukkelijk gegeven.

De rechtbank acht van belang dat deze wijze van procederen door opposante, en de vele zaken en (gelijkluidende) uitspraken die moeten worden gedaan, een onevenredige belasting op de rechtspraak opleveren. Dat geldt te meer nu opposante al heel vaak in haar verzetschrift heeft aangegeven te willen worden gehoord, waarna een zitting wordt gepland om haar die gelegenheid te bieden, om vervolgens niet ter zitting te verschijnen. Ook in het onderhavige verzet is dat het geval.

De rechtbank komt tot de conclusie dat opposante de bevoegdheid om verzet aan te tekenen heeft aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven, namelijk met geen ander doel dan de rechtspraak onnodig te belasten en zodanig dat dit blijk geeft van kwade trouw. De rechtbank had dit graag met opposante op de zitting van 25 januari 2024 besproken, maar opposante is (opnieuw) niet verschenen. Nu opposante bewust en tegen beter weten in op dezelfde voet blijft doorprocederen over het verschuldigde griffierecht kan de rechtbank haar proceshouding niet anders kwalificeren dan als misbruik van recht.

Wat betekent dit voor nieuwe verzetten van opposante?

8. Voor zover opposante bij andere procedures verzet heeft ingesteld of instelt tegen een buiten-zittinguitspraak waarmee haar beroep niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet betalen van het verschuldigde griffierecht, onder aanvoering van dezelfde of vergelijkbare argumenten, kan de rechtbank (ook) dat verzet niet-ontvankelijk verklaren wegens misbruik van recht. De rechtbank kan in dat geval een behandeling van het verzet op een zitting achterwege laten, ook als opposante daarom wel heeft verzocht. Dat kan omdat er in dat geval, waarin sprake is van misbruik van recht, niet aan een inhoudelijke beoordeling van het verzet wordt toegekomen. Voor het oordeel dat er geen sprake zou zijn van een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6 van het EVRM is dan op voorhand geen aanleiding.

Conclusie en gevolgen

9. Nu het instellen van het verzet getuigt van misbruik van recht, zal de rechtbank dit verzet niet-ontvankelijk verklaren. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Leijten, rechter, in aanwezigheid van J.W.J.M. van Rijt, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2024.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaken op: 6 maart 2024

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G. Leijten

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?