RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer : 03.153213.23
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 6 februari 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 1995,
wonende te [adres] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. S.J.F. van Merm, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 23 januari 2024. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte ontucht heeft gepleegd met de destijds 12-jarige en kwetsbare [slachtoffer] , welke ontucht bestond of mede bestond uit het seksueel binnendringen van haar lichaam.
3. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van het bewijs gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), nu de verdachte het feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit.
De rechtbank acht het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 23 januari 2024;
het proces-verbaal van aangifte van [aangever] van 27 december 2022;
- het proces-verbaal van bevindingen waarin in de bijlage het gespreksverslag van [naam] van 16 december 2022 is opgenomen;
- het proces-verbaal van verhoor getuige [naam getuige 1] van 27 december 2022;
- het proces-verbaal van verhoor getuige [naam getuige 2] van 16 maart 2023;
- het proces-verbaal van verhoor getuige [naam getuige 3] van 4 mei 2023.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
op 15 december 2022 te Schinnen, gemeente Beekdaelen, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2010, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ,
terwijl dat feit werd begaan tegen een persoon bij wie hij, verdachte, misbruik heeft gemaakt van een kwetsbare positie.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl hij daarbij misbruik heeft gemaakt van haar kwetsbare positie;
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De straf
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 12 maanden waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit te volstaan met een voorwaardelijke gevangenisstraf van maximaal zes maanden en daarnaast een aanzienlijke taakstraf. In verband met het taakstrafverbod heeft de raadsman daarbij in overweging gegeven één dag onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De raadsman heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de voorgestelde bijzondere voorwaarden door de reclassering niet noodzakelijk zijn.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft ontucht gepleegd met een meisje dat ten tijde van het bewezenverklaarde 12 jaar oud was. De ontucht heeft er mede uit bestaan dat hij haar vaginaal heeft gepenetreerd. Door zijn handelen heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ernstig geschonden. Het is een feit van algemene bekendheid dat door feiten als deze de seksuele ontwikkeling van slachtoffers ernstig en zelfs blijvend kan worden verstoord.
De wetgever heeft ervoor gekozen dit soort feiten strafbaar te stellen, omdat minderjarigen zich in een kwetsbare ontwikkelingsfase bevinden en zij vaak onvoldoende in staat zijn om hun seksuele integriteit te bewaken, hun gevoelens te duiden en de draagwijdte van lichamelijke toenadering te overzien. Om hun ontwikkeling ongestoord te kunnen laten verlopen, moeten minderjarigen beschermd worden tegen seksueel contact met volwassenen, ook wanneer de minderjarige met de seksuele handelingen instemt of daartoe zelfs het initiatief neemt. Bij de strafbaarstelling staat de bescherming van het slachtoffer centraal. Het slachtoffer in de onderhavige zaak is, los van haar jonge leeftijd, een (extra) kwetsbaar meisje met een beschadigde jeugd. De verdachte was hiervan op de hoogte. In plaats van haar te beschermen en te behoeden voor verdere beschadiging, heeft hij haar misbruikt. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan, temeer nu hij heeft verklaard zelf als kind slachtoffer te zijn geworden van seksueel misbruik en daarom weet hoe groot de impact van een dergelijke ervaring is. Daarnaast is de verdachte meermalen erop gewezen dat hij geen contact meer mocht hebben met het slachtoffer en dat wat hij deed strafbaar was.
Gelet op het voorgaande en gelet op het grote leeftijdsverschil tussen het slachtoffer en de verdachte is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een taakstraf of een andere of lagere straf dan een gevangenisstraf. Bovendien dient van de straf een afschrikwekkende, preventieve werking uit te gaan om de verdachte, maar ook anderen, ervan te weerhouden dit soort feiten te plegen. Bij de ernst van het feit past naar het oordeel van de rechtbank een hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan door de officier van justitie gevorderd.
De rechtbank zal, alles afwegende, aan de verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf zal de bijzondere voorwaarde van een contactverbod met het slachtoffer worden verbonden, zoals door de reclassering is geadviseerd. De rechtbank bepaalt de proeftijd op 3 jaren.
De rechtbank overweegt hierbij nog dat de reclassering naast het contactverbod met het slachtoffer tevens heeft geadviseerd aan een eventueel voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarde te verbinden dat de verdachte een gebod naleeft, inhoudende dat hij contact met minderjarigen zoveel mogelijk vermijdt. Deze laatste bijzondere voorwaarde acht de rechtbank te algemeen verwoord en te weinig concreet, zodat niet wordt ingezien hoe een effectieve controle op de naleving hiervan zou kunnen worden vormgegeven. Bovendien is een dergelijk algemeen gebod met het oog op de rechtszekerheid niet wenselijk, te meer nu minderjarigen vrijwel overal in de samenleving om verdachte heen zullen zijn.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4, van de Penitentiaire beginselenwet, of tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling aan de orde is, als bedoeld in artikel 6:2:10, van het Wetboek van Strafvordering.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 245 en 248 van het Wetboek van Strafrecht.
8. De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
Strafbaarheid
Straf
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.M. Goessen, voorzitter, mr. R.A.M.M. Gijselaers en
mr. K.G. Witteman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.P.W.E. Bekkers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 februari 2024.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 15 december 2022 te Schinnen, in de gemeente Beekdaelen, in elk geval in het arrondissement Limburg,
met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2010, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt,
buiten echt,
een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ,
zulks terwijl dat feit werd begaan tegen een persoon bij wie hij, verdachte, misbruik heeft gemaakt van een kwetsbare positie;