RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11956908 \ CV EXPL 25-4582
Vonnis in kort geding van 17 november 2025
in de zaak van
[eiser] ,
wonend te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de man,
gemachtigde: mr. S.R. van Laar,
tegen
[gedaagde] ,
wonend te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de vrouw,
gemachtigde: mr. W.G.M.M. van Montfort.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de op voorhand door de vrouw in het geding gebrachte producties- de mondelinge behandeling van 13 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van de vrouw.
2. De feiten
Partijen zijn op 21 april 2006 met elkaar gehuwd. Zij hebben drie, op dit moment nog minderjarige, kinderen.
Partijen hebben op 4 juli 2006 bij een notaris in Bonn (Duitsland) een zogenoemde Gütertrennung opgemaakt, waarin het wettelijke huwelijksvermogensstelsel van gemeenschap van goederen is uitgesloten en een huwelijksvermogensstelsel van scheiding van goederen is overeengekomen.
De vrouw heeft op 12 april 2024 een echtscheidingsprocedure bij deze rechtbank, bekend onder zaaknummer C/03/329909 / FA RK 24-1522 aanhangig gemaakt.
Op 20 april 2022 is de woning, staande en gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) aan de vrouw geleverd.
De man verblijft alleen in de woning. De man heeft zich op het adres van de woning in de gemeentelijke basisregistratie ingeschreven.
De vrouw heeft de man op 11 augustus 2025 in kort geding gedagvaard voor deze rechtbank.
Bij vonnis van 18 september 2025 met zaaknummer C/03/344266 / KG ZA 25-301 heeft de voorzieningenrechter te Maastricht:
de man veroordeeld tot ontruiming van de woning gelegen aan de [adres] (kantonrechter leest verbeterd: [adres] , [woonplaats] , kadastraal bekend als gemeente [kadasternummer] , binnen een maand na betekening van dit vonnis,
de man verboden om de woning gelegen aan de [adres] (kantonrechter leest verbeterd: [adres] , [woonplaats] , na de dag van de ontruiming opnieuw te betreden of zich daarin op enigerlei wijze op te houden,
de man veroordeeld tot betaling van een gebruiksvergoeding van € 1.500,00 per maand aan de vrouw, gerekend vanaf 1 augustus 2025 tot aan de dag van de ontruiming,
de proceskosten gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
De man is de ontruiming aangezegd tegen woensdag 19 november 2025 om 14:00 uur.
3. Het geschil
Tegen de achtergrond van deze vaststaande feiten vordert de man bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de tenuitvoerlegging van het vonnis van 18 september 2025 te schorsen, zulks in elk geval voor wat betreft de veroordeling tot ontruiming van de woning en het niet meer betreden van de woning, totdat daarover in hoger beroep is beslist of die procedure op andere wijze is geëindigd, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.
De vrouw voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Het meest verstrekkend verweer van de vrouw is dat de kantonrechter niet bevoegd is van de onderhavige vordering kennis te nemen. Daartoe voert de vrouw aan dat het niet om een huurovereenkomst gaat, maar het geschil een eigendoms-/familiegeschil betreft en dat de rechtbank dan bevoegd is.
Ingevolge artikel 438 Rv is ook de kantonrechter bevoegd om over executiegeschillen te oordelen als deze zien op een door de kantonrechter afgegeven executoriale titel of het executiegeschil tot de competentie van de kantonrechter behoort.
Van een door de kantonrechter afgegeven executoriale titel is geen sprake. Het vonnis van 18 september 2025 is gewezen door de voorzieningenrechter van deze rechtbank. Evenmin is er sprake van een executiegeschil dat tot de competentie van de kantonrechter behoort.
De kantonrechter zal dan ook de zaak in de staat en stand waarin deze zich bevindt verwijzen naar de voorzieningenrechter van de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht.
Voorts worden partijen erop gewezen dat na verwijzing de man op de mondelinge behandeling alleen met of bij advocaat kan verschijnen. De vrouw kan op de mondelinge behandeling met of bij advocaat of in persoon verschijnen. Als de vrouw in persoon verschijnt en zich op de mondelinge behandeling wil doen bijstaan door een persoon die geen advocaat is, kan de voorzieningenrechter dit weigeren op grond van de eisen van de goede procesorde.
Partijen zullen door de voorzieningenrechter van de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank in kennis worden gesteld over de voortgang van de procedure.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De kantonrechter
verwijst de zaak in de stand waarin zij zich bevindt, naar de voorzieningenrechter van de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank, locatie Maastricht,
wijst partijen erop dat na verwijzing de man op de mondelinge behandeling alleen met of bij advocaat kan verschijnen. De vrouw kan op de mondelinge behandeling met of bij advocaat of in persoon verschijnen. Als de vrouw in persoon verschijnt en zich op de mondelinge behandeling wil doen bijstaan door een persoon die geen advocaat is, kan de voorzieningenrechter dit weigeren op grond van de eisen van de goede procesorde.
wijst de man erop dat na verwijzing een verhoogd griffierecht verschuldigd is, dat deze verhoging kan worden afgeleid uit de meest recente griffierechttabellen op www.rechtspraak.nl en dat deze verhoging binnen vier weken na de eerste mondelinge behandeling moet zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie zijn gestort,
wijst de vrouw erop dat na verwijzing griffierecht verschuldigd is, dat dit griffierecht kan worden afgeleid uit de meest recente griffierechttabellen op www.rechtspraak.nl en dat het griffierecht binnen vier weken na haar verschijnen op de mondelinge behandeling moet zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie zijn gestort,
wijst partijen erop dat van een persoon die onvermogend is, een lager griffierecht wordt geheven, indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven heeft overgelegd:
- een afschrift van het besluit tot toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand, of indien dit niet mogelijk is ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan hem zijn toe te rekenen, een afschrift van de aanvraag om een toevoeging, dan wel
- een inkomensverklaring van de Raad voor de Rechtsbijstand ten behoeve van vermindering van griffierechten (zonder gebruikmaking van een toevoeging),
wijst partijen erop dat zij na verwijzing door de voorzieningenrechter van de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank in kennis worden gesteld over de voortgang van de procedure,
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2025.
CJ