RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11949978 \ CV EXPL 25-4511
Vonnis in kort geding van 24 november 2025
in de zaak van
[eiseres] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. J. in 't Ven,
tegen
[gedaagde] ,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. E.H.G.G.M. Beurskens.
Partijen worden hierna aangeduid als [eiseres] en [gedaagde] .
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het exploot van dagvaarding van 6 november 2025 met producties 1 t/m 12;
- het bericht van [gedaagde] van 13 november 2025 met producties 1 t/m 5;
- de mondelinge behandeling van 17 november 2025, waarvan de griffier zittingsaantekeningen heeft gemaakt en waarbij namens [eiseres] een pleitnota, tevens akte van eisvermeerdering, is overgelegd en namens [gedaagde] een pleitnota.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[eiseres] is sinds 14 oktober 2018 in dienst bij [gedaagde] in de functie van keukenhulp. Op de arbeidsovereenkomst is de horeca-cao van toepassing. Het laatstelijk verdiende loon bedraagt € 2.380,32 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag. Het dienstverband is aangegaan voor achtendertig uur per week.
Op 1 mei 2024 heeft [eiseres] zich ziekgemeld bij [gedaagde] .
Op grond van de toepasselijke horeca-cao is [gedaagde] gehouden om een zieke werknemer gedurende de eerste 52 weken van de ziekte 95% van het loon door te betalen en gedurende de tweede 52 weken 75% van het loon.
[gedaagde] heeft in de periode van 1 mei 2024 tot en met 30 april 2025 100% van het loon doorbetaald aan [eiseres] . Van 1 mei 2025 tot en met 30 september 2025 heeft [gedaagde] 70% van het loon doorbetaald en over de maand oktober 2025 heeft [gedaagde] 75% van het loon betaald.
3. Het geschil
Na eisvermeerdering vordert [eiseres] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van:
- het achterstallige loon over de maanden juni tot en met oktober 2025 van € 2.840,11 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW;
- de wettelijke rente over het achterstallige loon vanaf de respectievelijke vervaldata tot de dag van volledige betaling;
- de wettelijke rente over de wettelijke verhoging vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling;
- de buitengerechtelijke incassokosten van € 216,01;
- € 2.261,30 bruto per maand, vermeerderd met vakantiebijslag, zolang de arbeidsovereenkomst vanaf 1 november 2025 voortduurt en [eiseres] gedurende de eerste 52 weken na 19 juni 2025 de bedongen arbeid niet kan verrichten vanwege ongeschiktheid door ziekte;
- de proceskosten.
[eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat zij zich op 1 mei 2024 heeft ziekgemeld bij [gedaagde] maar dat zij vanaf 1 augustus 2024 weer regulier is gaan werken. Op 19 juni 2025 heeft zij zich opnieuw ziekgemeld. Op 18 september 2025 is zij halve dagen gaan werken. Op 2 oktober 2025 heeft zij zich weer volledig ziekgemeld. Omdat [eiseres] pas in de eerste 52 weken van ziekte verkeert, heeft zij, op grond van de toepasselijke cao, recht op doorbetaling van 95% van haar loon, aldus [eiseres] .
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] . [gedaagde] voert daartoe aan dat [eiseres] onafgebroken arbeidsongeschikt is sinds 1 mei 2024. Op grond van de cao heeft [eiseres] na het eerste ziektejaar nog recht op 75% van het loon en daarom is [gedaagde] haar sinds 1 mei 2025 minder loon gaan betalen, aldus [gedaagde] .
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
De kantonrechter moet in kort geding beoordelen of de vorderingen in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Met betrekking tot een voorziening in kort geding bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom is bovendien terughoudendheid op zijn plaats. De kantonrechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van de vordering aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Voor verder onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden, of voor het leveren van bewijs door bijvoorbeeld getuigen, is in dit kort geding in beginsel geen plaats. Dat moet gebeuren in de bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is daarom een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen op basis van de feiten, zoals die vooralsnog aannemelijk zijn geworden.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] het spoedeisend belang bij haar vorderingen voldoende heeft toegelicht en dat dit ook volgt uit de aard van de vordering (loonvordering).
De kantonrechter oordeelt echter dat [eiseres] er niet in geslaagd is het bestaan en de omvang van haar vordering op [gedaagde] voldoende aannemelijk te maken. Daartoe wordt als volgt overwogen.
In deze zaak draait het om de vraag of [eiseres] sinds 1 mei 2024 onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest of dat zij tussentijds weer volledig in haar oude functie is gaan werken. [eiseres] stelt dat zij van augustus 2024 tot 19 juni 2025 weer 38 uur per week is gaan werken en sinds 19 juni 2025 opnieuw is ziekgemeld. Omdat tussen de eerste en tweede ziekmelding een periode van langer dan vier weken ligt, is bij de ziekmelding van 19 juni 2025 opnieuw een periode van loondoorbetaling zoals bedoeld in artikel 7:629 BW ingegaan en heeft zij, op grond van de cao, gedurende de eerste 52 weken vanaf die datum recht op 95% loondoorbetaling. [gedaagde] heeft bovendien geen melding gemaakt bij de bedrijfsarts en heeft zich niet aan haar wettelijke re-integratieverplichtingen gehouden, aldus [eiseres] .
[gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat [eiseres] van augustus 2024 tot 19 juni 2025 weer voor de volle 100% werkzaam is geweest in haar oude functie. [gedaagde] voert aan dat zij nooit een herstelmelding van [eiseres] heeft ontvangen en dat [eiseres] sinds 1 mei 2024 niet meer volledig inzetbaar is geweest in haar oude functie. Zij heeft af en toe wel nog werkzaamheden verricht, maar niet voor de volle omvang in haar oude functie. Ter onderbouwing van haar verweer heeft [gedaagde] een afschrift van de 42e-weeksmelding bij het UWV, zoals bedoeld in artikel 38 lid 1 ZW, en verklaringen van diverse collega’s van [eiseres] overgelegd.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat ten aanzien van het bestaan van de door [eiseres] gepretendeerde geldvordering nog de nodige onduidelijkheid bestaat. De kantonrechter stelt voorop dat het [gedaagde] weliswaar te verwijten valt dat zij zich niet aan de voor een werkgever van een zieke werknemer geldende wettelijke verplichtingen heeft gehouden, hetgeen [gedaagde] overigens ook erkend heeft, maar dat dit nog niet betekent dat de stellingen van [eiseres] , zonder verdere onderbouwing, aannemelijk zijn geworden. [eiseres] heeft geen herstelmelding overgelegd en heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in de periode van augustus 2024 tot 19 juni 2025 daadwerkelijk weer volledig heeft gewerkt in haar oorspronkelijke functie. Gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] is binnen het bestek van dit kort geding naar het oordeel van de kantonrechter daarom niet met voldoende mate van zekerheid te voorspellen of, en zo ja, in welke omvang een bodemrechter de vordering van [eiseres] zal toewijzen. Een kortgedingprocedure leent zich (in beginsel) niet ertoe een en ander gedetailleerd uit te zoeken en vast te stellen. Voor de beoordeling van de stellingen over en weer is aanvullend feitenonderzoek nodig.
De kantonrechter is van oordeel dat er, in het licht van het geldende toetsingskader, onvoldoende grond is voor toewijzing van de geldvorderingen van [eiseres] in kort geding en zal de vorderingen daarom afwijzen.
[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten (inclusief nakosten). De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
814,00
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
949,00
5. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 949,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart de in 5.2 opgenomen proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2025.
LC