ECLI:NL:RBLIM:2025:11811

ECLI:NL:RBLIM:2025:11811, Rechtbank Limburg, 02-04-2025, C/03/326101 / HA ZA 24-13

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 02-04-2025
Datum publicatie 10-12-2025
Zaaknummer C/03/326101 / HA ZA 24-13
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Maastricht
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827

Samenvatting

Belgische eigenaar van een camper stelt dat deze is gestolen en vordert afgifte van Nederlandse handelaar die de camper heeft gekocht. De rechtbank oordeelt dat de handelaar de camper van een beschikkingsonbevoegde heeft gekocht en dat hem geen derdenbescherming op grond van artikel 3:86 toekomt. De handelaar is aansprakelijk voor de schade, nader op te maken bij staat. De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht en Nederlands recht is van toepassing. Strafrechtelijke beslissing op grond van artikel 116 Sv staat niet in de weg aan executie van civiel vonnis.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: C/03/326101 / HA ZA 24-13

Vonnis van 2 april 2025

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiseres] ,

advocaat: mr. J.M. Wolfs en mr. L.H.R. Kroese te Maastricht,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CARAVAN & CAMPER LIMBURG B.V.,

gevestigd te Stein,

hierna te noemen: C&C,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats 2] ,

hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: C&C c.s.,

advocaat: mr. J.W. Koehoorn te Nijmegen.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met de producties 1 tot en met 9 en een overzicht van de beslagstukken met de beslagstukken 1 tot en met 4;- de conclusie van antwoord tevens inhoudende voorwaardelijke eis in reconventie met de producties 1 en 2;- de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie met productie 10;- de brief van 21 augustus 2024 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

- de spreekaantekeningen van [eiseres] ;

- de spreekaantekeningen van C&C c.s.;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 19 december 2024.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De relevante feiten

Op 1 juni 2023 hebben de heer [naam 1] (hierna: ‘ [naam 1] ’) en mevrouw [naam 2] (hierna: ‘ [naam 2] ’) C&C bezocht. Zij hebben daarbij de camper met Belgische kenteken van het merk Carado type T337 met bouwjaar 2020 (verder: ‘de camper’) te koop aangeboden aan C&C. De camper stond op naam van [eiseres] . C&C heeft de camper van [naam 2] gekocht.

[eiseres] heeft op 6 juni 2023 bij de Belgische politie aangifte gedaan van diefstal van de camper.

Op 12 juni 2023 werd de camper onder [gedaagde sub 2] in beslag genomen door de Nederlandse politie.

Na de strafrechtelijke inbeslagname is C&C een klaagschriftprocedure gestart op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering. [eiseres] is in deze procedure als belanghebbende opgekomen. Bij beslissing van 28 november 2023 heeft deze rechtbank (afdeling Strafrecht) geoordeeld dat het beslag op de camper diende te worden opgeheven en dat de camper teruggegeven diende te worden aan de rechthebbende (te weten [gedaagde sub 2] als beslagene).

[eiseres] heeft op 7 december 2023 (en bij herstelexploot van 13 december 2024), na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter, conservatoir beslag laten leggen op de camper. De camper is in gerechtelijke bewaring bij [naam BV] te [vestigingsplaats] .

3. Het geschil

In conventie

[eiseres] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

I. zal verklaren voor recht dat [eiseres] enig eigenaresse van de camper is,

II. zal verklaren voor recht dat C&C jegens [eiseres] aansprakelijk is voor alle door [eiseres] geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat,

III. C&C en [gedaagde sub 2] , althans C&C, althans [gedaagde sub 2] zal veroordelen tot afgifte van de camper aan eigenaresse [eiseres] binnen zeven dagen na dit vonnis en al hetgeen te doen dat redelijkerwijs in hun macht ligt om afgifte (door een derde) aan [eiseres] te bewerkstelligen, bij gebreke waarvan C&C en [gedaagde sub 2] , althans C&C, althans [gedaagde sub 2] een dwangsom verbeuren van € 1.000,- per dag of gedeelte van een dag, met een maximum van € 75.000,-,

Subsidiair

IV. C&C zal veroordelen, primair tot afgifte van de camper aan [eiseres] bij wijze van schadevergoeding in natura, subsidiair tot betaling aan [eiseres] van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen schadevergoeding,

Zowel primair als subsidiair

V. C&C en [gedaagde sub 2] , althans C&C, althans [gedaagde sub 2] zal veroordelen in de forfaitaire kosten van dit geding conform de wet inclusief de kosten van het doen leggen van conservatoir beslag, te vermeerderen met de nakosten op grond van artikel 237 lid 4 Rv, te vermeerderen – indien een van de gedaagden niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis aan het vonnis heeft voldaan en betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden – met een bedrag van € 100,- aan salaris advocaat en de explootkosten na betekening van het vonnis, te vermeerderen met wettelijke rente met ingang van 14 dagen na de betekening van het vonnis tot aan de algehele voldoening.

Aan haar vorderingen legt [eiseres] – samengevat – ten grondslag dat zij door diefstal het bezit van haar camper is verloren, maar dat zij nog steeds rechtmatig eigenaar is van de camper. De overdracht van de camper aan C&C c.s. is niet rechtsgeldig aangezien C&C c.s. de camper van een beschikkingsonbevoegde hebben gekocht, aldus [eiseres] .

C&C c.s. voeren verweer.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

In voorwaardelijke reconventie

C&C c.s. vorderen, indien de vorderingen van [eiseres] worden afgewezen, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. zal verklaren voor recht dat C&C eigenaresse is van de camper van het merk Carado type T337 met chassisnummer [chassisnummer] ,

II. zal verklaren voor recht dat [eiseres] aansprakelijk is voor alle door C&C geleden en te lijden schade door het op voormelde camper gelegde beslag, welke schade nader op te maken is bij staat,

III. [eiseres] zal veroordelen tot het geven van medewerking aan de tenaamstelling van de camper op naam van C&C, althans tot het verzoeken aan de plaatselijke politie te België de SIRENE-melding op het voertuig op te heffen opdat invoer in Nederland mogelijk wordt, zulks uit te voeren binnen zeven dagen na het wijzen van het vonnis, bij gebreke waarvan [eiseres] een dwangsom verbeurt van € 1.000,- per dag of gedeelte van een dag, met een maximum van € 75.000,-,

IV. [eiseres] zal veroordelen in de kosten van deze procedure.

C&C c.s. leggen – samengevat – het volgende aan hun vorderingen ten grondslag. Indien de vorderingen van [eiseres] in conventie worden afgewezen is het van belang dat wordt vastgelegd dat C&C eigenaresse is van de camper. Om gebruik te kunnen maken van de camper of deze te kunnen verkopen dient de vermissingstatus te worden verwijderd en dat kan alleen [eiseres] doen.

[eiseres] voert verweer.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

In conventie

Bevoegdheid

Vanwege het internationale aspect van deze zaak – [eiseres] woont immers in België – zal de rechtbank zich allereerst buigen over de vraag of zij bevoegd is kennis te nemen van dit geschil. De onderhavige kwestie betreft een internationale burgerlijke- of handelszaak, waarbij de gedaagde partij is gevestigd in en woonplaats heeft op het grondgebied van een Europese lidstaat, terwijl er sprake is van een rechtsvordering die na 10 januari 2015 is ingesteld. Dit betekent dat op dit geschil de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (hierna: ‘Brussel I-bis Vo’) van toepassing is.

Van een exclusief forum (artikel 24 Brussel I-bis Vo), forumkeuze (artikel 25 Brussel I-bis Vo), of speciale fora (artikel 10 tot en met 23 Brussel I-bis Vo) is geen sprake. De rechtbank stelt daarom vast dat zij bevoegd is om kennis te nemen van het onderhavige geschil op grond van artikel 4 lid 1 van de Brussel I-bis Vo, te weten als gerecht van de lidstaat waar de gedaagde partij woonplaats heeft.

Toepasselijk recht

De rechtbank ziet zich in de tweede plaats voor de vraag gesteld welk recht van toepassing is. Artikel 10:131 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat de rechtsgevolgen van de verkrijging van een zaak van een beschikkingsonbevoegde worden beheerst door het recht van de staat op welks grondgebied de zaak zich ten tijde van die verkrijging bevond. Nu de stelling van [eiseres] inhoudt dat C&C c.s. de camper van een beschikkingsonbevoegde hebben gekocht en deze aankoop – zoals tussen partijen niet in geschil is – plaatsvond in Nederland, is Nederlands recht van toepassing op onderhavig geschil op grond van artikel 10:131 BW.

Inhoudelijke beoordeling

[eiseres] stelt dat zij eigenaresse is van de camper en eist de eigendom – en in het verlengde daarvan de afgifte – daarvan op, op grond van artikel 5:2 BW. C&C c.s. betwisten niet dat [eiseres] de camper in eigendom heeft gehad, maar stellen dat C&C inmiddels eigenaar is geworden, nu de camper door [naam 2] aan C&C is verkocht en geleverd. Zij hebben daarbij het wettelijk vermoeden van artikel 3:119 lid 1 BW aan hun zijde, inhoudend dat de bezitter van een goed wordt vermoed rechthebbende te zijn. Het is aan [eiseres] dit wettelijk vermoeden te weerleggen. [eiseres] stelt in dat verband dat geen sprake is van een geldige koopovereenkomst: volgens haar was [naam 2] beschikkingsonbevoegd ten aanzien van de camper, zodat niet is voldaan aan de vereisten van een geldige overdracht in de zin van artikel 3:84 BW.

Was de [naam 2] beschikkingsbevoegd?

[eiseres] stelt dat [naam 2] beschikkingsonbevoegd was, omdat de camper door [naam 1] en [naam 2] van haar is gestolen. Zij heeft de camper niet aan [naam 1] of [naam 2] verkocht. Evenmin heeft zij aan [naam 1] en/of [naam 2] – onbekenden voor haar – opdracht gegeven om de camper te verkopen. Dit ligt ook niet voor de hand, aldus [eiseres] : waarom zou zij eerst haar camper zelf te koop aanbieden en vervolgens aan een onbekende opdracht geven om deze namens haar aan een derde te verkopen? Ter onderbouwing van haar stellingen heeft [eiseres] erop gewezen dat de camper aan C&C is aangeboden op dezelfde dag dat deze bij haar werd ontvreemd en dat de camper bij aanbieding aan C&C een Belgische kenteken had dat op naam van [eiseres] stond. [eiseres] heeft in dit verband haar aangifte van diefstal van de camper bij de Belgische politie overgelegd, naar aanleiding van welke aangifte de camper uiteindelijk strafrechtelijk in beslag is genomen. Daarnaast heeft [eiseres] erop gewezen dat er kennelijk twee ‘inkoopverklaringen’ van C&C (schriftelijke koopovereenkomsten) met verschillende inhoud bestaan met betrekking tot de camper.

C&C c.s. betwisten dat C&C de camper van een beschikkingsonbevoegde heeft verkregen en voeren hiertoe het volgende aan. [naam 1] heeft bij de verkoop direct uit eigen beweging aangegeven dat hij de camper namens zijn tante [eiseres] wilde verkopen. Het is niet ongewoon dat personen op deze wijze een voertuig voor een familielid wensen te verkopen. Het was ook niet vreemd dat [naam 1] geen legitimatiebewijs of volmacht bij zich had, want het is niet gebruikelijk dat dat aanwezig is. Daarnaast waren alle bij de camper behorende papieren en sleutels aanwezig. Aangezien [naam 1] beide kentekendelen kon overhandigen, is het daarnaast ook denkbaar dat sprake is geweest van een koopovereenkomst tussen [eiseres] en [naam 1] , aldus nog steeds C&C c.s.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben C&C c.s. de (onderbouwde) stellingen van [eiseres] onvoldoende gemotiveerd betwist. Stukken die hun stellingen kunnen ondersteunen zijn door C&C c.s. niet overgelegd, terwijl evenmin is gesteld of gebleken dat C&C het verhaal van [naam 1] op enige wijze heeft geverifieerd. Bovendien zijn de stellingen tegenstrijdig: de stelling dat [naam 1] en [naam 2] de camper namens hun tante ( [eiseres] ) kwamen verkopen is immers niet te verenigen met de stelling dat zij de camper zelf al zouden hebben gekocht van [eiseres] . Het bestaan van een dergelijke koopovereenkomst met [eiseres] blijkt overigens nergens uit (nog daargelaten dat verkoop aan [naam 1] [naam 2] niet beschikkingsbevoegd maakt). De enkele omstandigheid dat de door C&C c.s. genoemde sleutels en papieren in het bezit van [naam 2] en [naam 1] waren, maakt het voorgaande niet anders: dit kan immers evengoed het geval zijn bij een gestolen camper.

Op grond van het voorgaande heeft, als onvoldoende weersproken, te gelden dat C&C de camper van een beschikkingsonbevoegde heeft verkregen; in zoverre is het wettelijk vermoeden dat C&C eigenaar van de camper zou zijn afdoende weerlegd en is in beginsel niet voldaan aan de voorwaarden voor een geldige overdracht als bedoeld in artikel 3:84 BW. C&C c.s. hebben echter een beroep gedaan op de derdenbescherming ex artikel 3:86 BW, inhoudend (kort gezegd) dat de overdracht (ondanks de onbevoegdheid van [naam 2] ) toch geldig is als C&C te goeder trouw was.

Was C&C te goeder trouw?

C&C c.s. hebben gesteld dat C&C te goeder trouw was aangezien zij in de gegeven omstandigheden voldoende onderzoek heeft verricht en kon volstaan met hoe zij gehandeld heeft. Alle papieren en sleutels van de camper waren aanwezig en er is navraag gedaan bij [naam 1] en [naam 2] over het verschil in persoon van verkoper en persoon op de kentekenpapieren. Daarop kwam een sluitend antwoord, aldus C&C c.s. Dat geen legitimatiebewijs of volmacht werd getoond was geen reden voor argwaan: het komt volgens C&C c.s. vaker voor dat personen voor een familielid een camper verkopen. Ook verder was er volgens C&C c.s. geen reden tot twijfel: dat de koop direct werd gesloten en dat [naam 1] de betaling contant wilde ontvangen is niet ongebruikelijk en de koopsom van € 40.000,- was niet opvallend laag.

[eiseres] betwist dat C&C te goeder trouw was en voert aan dat C&C in haar hoedanigheid van professioneel koper en handelaar in caravans onvoldoende onderzoek heeft gedaan en dus niet beschermd dient te worden. C&C had het verschil tussen de tenaamstelling op de kentekenpapieren en de persoon van de verkoper nader moeten verifiëren en mocht zonder volmacht of ander bewijs niet blindelings op de mededeling van de verkoper vertrouwen. Daarnaast was het vreemd dat de verkoper het verkoopbedrag in contanten wilde ontvangen en had dit bij C&C tot argwaan moeten leiden, aldus nog steeds [eiseres] .

Bij de beoordeling stelt de rechtbank het volgende voorop. Artikel 3:86 lid 1 BW bepaalt dat een overdracht overeenkomstig artikel 90, 91 of 93 BW van een roerende zaak, niet-registergoed, of een recht aan toonder of order ondanks onbevoegdheid van de vervreemder geldig is, indien de overdracht anders dan om niet geschiedt en de verkrijger te goeder trouw is. Op grond van artikel 3:11 BW ontbreekt goede trouw van een persoon, vereist voor enig rechtsgevolg, niet alleen indien hij de feiten of het recht waarop zijn goede trouw betrekking moet hebben kende, maar ook indien hij ze in de gegeven omstandigheden behoorde te kennen. Het artikel bepaalt tevens dat onmogelijkheid van onderzoek niet belet dat degene die goede reden tot twijfel had, aangemerkt wordt als iemand die de feiten of het recht behoorde te kennen. Het beroep op artikel 3:86 lid 1 BW vormt een bevrijdend verweer. Dit betekent dat de partij die zich op dit artikel beroept feiten en omstandigheden zal moeten stellen en zo nodig bewijzen die de conclusie kunnen dragen dat aan de vereisten voor artikel 3:86 lid 1 BW (waaronder goede trouw) is voldaan. Wanneer deze partij gemotiveerd feiten en omstandigheden stelt die zijn goede trouw kunnen dragen, geldt op grond van artikel 3:118 lid 3 BW dat de partij die de zaak opvordert dient te bewijzen dat de verkrijger niet te goeder trouw is. Daaraan wordt echter pas toegekomen nadat door de verkrijger voldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld die rechtvaardigen dat hij de vervreemder voor bevoegd mocht houden. Het wettelijk vermoeden van artikel 3:118 lid 3 BW doet dus geen afbreuk aan de stelplicht van de verkrijger.

Bij de koop van tweedehands voertuigen geldt verder voor kopers een bijzondere onderzoeksplicht, waarbij op zijn minst de papieren van het voertuig onderzocht moeten worden. De omstandigheden van het geval kunnen evenwel meebrengen dat van de verkrijger daarnaast nog nader onderzoek mag worden verlangd. De enkele omstandigheid dat een vervreemder in staat is om de papieren te presenteren, biedt namelijk geen waarborg dat de vervreemder ook steeds beschikkingsbevoegd is. In de situatie waarbij de autopapieren niet op naam van de vervreemder staan kan de verkrijger toch te goeder trouw zijn indien de vervreemder daarvoor een aannemelijke verklaring kan geven (vgl. Hoge Raad 11 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4361).

Naar het oordeel van de rechtbank hebben C&C c.s. onvoldoende gemotiveerd gesteld dat zij [naam 1] en [naam 2] voor bevoegd mochten houden. C&C (in de persoon van [gedaagde sub 2] ) heeft weliswaar de papieren van de camper onderzocht, maar het feit dat deze papieren niet op naam van [naam 1] of [naam 2] stonden had aanleiding moeten geven tot meer onderzoek. Anders dan C&C c.s. is de rechtbank van oordeel dat de enkele verklaring van [naam 1] dat de camper werd aangeboden namens ‘een tante’ een onvoldoende aannemelijke verklaring vormt voor de afwijkende tenaamstelling op het kentekenbewijs. Dit wordt nog versterkt door de omstandigheid dat [naam 1] contante betaling van de camper wenste. De rechtbank acht de onderhavige zaak dan ook niet vergelijkbaar met de kwestie die ten grondslag lag aan HR 11 oktober 2002.

Het had daarom op de weg van C&C c.s. gelegen om nader onderzoek te doen, bijvoorbeeld door [naam 1] te vragen een volmacht te overleggen van [eiseres] of om (telefonisch) contact op te nemen met [eiseres] . Een dergelijk onderzoek zou eenvoudig uit te voeren zijn. Het verweer van C&C c.s. dat niet te verifiëren zou zijn wie [gedaagde sub 2] aan de lijn had gekregen als hij telefonisch contact had opgenomen met [eiseres] , slaagt niet. De uitkomst (of onmogelijkheid) van onderzoek belet immers niet dat degene die goede reden tot twijfel had, aangemerkt wordt als iemand die de feiten of het recht behoorde te kennen. Zoals reeds overwogen doet aan het voorgaande niet af dat bij de camper de papieren en sleutels aanwezig waren, aangezien dit onrechtmatige verkrijging door de aanbieder niet uitsluit.

Gelet op het voorgaande hebben C&C c.s. onvoldoende gesteld om toe te komen aan het wettelijk vermoeden van artikel 3:118 lid 3 BW, terwijl evenmin op andere gronden is gebleken dat zij te goeder trouw waren, in die zin dat zij mochten uitgaan van de beschikkingsbevoegdheid van [naam 2] . Daarmee komt aan C&C c.s. geen derdenbescherming toe in de zin van artikel 3:86 BW. Dit betekent dat de overdracht van de camper door [naam 1] aan C&C niet geldig was, C&C geen eigenaar is geworden van de camper en [eiseres] nog steeds eigenaar is van de camper. De primaire vordering onder I. ligt daarmee gereed voor toewijzing. Aan de vraag of C&C een beroep kan doen op artikel 3:86 lid 3 BW (en dus aan de vraag of sprake is van diefstal of oplichting) komt de rechtbank niet toe.

Vordering primair onder I. jegens [gedaagde sub 2]

C&C c.s. stellen dat [gedaagde sub 2] ten onrechte door [eiseres] in de onderhavige procedure is betrokken, omdat [gedaagde sub 2] als natuurlijk persoon buiten het geschil tussen [eiseres] en C&C staat. De vorderingen jegens [gedaagde sub 2] zouden daarom moeten worden afgewezen, aldus C&C c.s. [eiseres] heeft desgevraagd ter zitting toegelicht dat [gedaagde sub 2] in rechte is betrokken omdat de camper volgens het strafrechtelijk bevel aan [gedaagde sub 2] zou moeten worden afgegeven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] gelet op deze praktische reden ook jegens [gedaagde sub 2] voldoende belang bij de gevorderde verklaring voor recht. De rechtbank zal deze daarom ook jegens [gedaagde sub 2] afgeven.

Verklaring voor recht dat C&C aansprakelijk is voor schade

[eiseres] stelt dat zij door het handelen van C&C schade heeft geleden, bestaande uit de kosten van de gerechtelijke bewaring en waardevermindering van de camper door tijdsverloop, maar ook door het stilstaan van de camper. De rechtbank acht aannemelijk dat [eiseres] schade heeft geleden als gevolg van het handelen van C&C. Omdat de rechtbank zich niet in staat acht de schade nu vast te stellen – het bestaan en de omvang van (een deel van) deze schade zal immers pas kunnen worden bepaald na afgifte van de camper – ziet de rechtbank aanleiding om C&C te veroordelen tot schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. De rechtbank merkt daarbij op dat deze vordering blijkens het petitum uitsluitend is ingesteld jegens C&C en dienovereenkomstig zal worden toegewezen.

Afgifte van de camper

Wat betreft de primaire vordering onder III. – afgifte van de camper door C&C en/of [gedaagde sub 2] – hebben C&C c.s. aangevoerd dat zij niet in staat zijn om de camper af te geven, nu daarop beslag is gelegd en deze is gestald bij een bewaarder. Indien de primaire vordering onder I. van [eiseres] wordt toegewezen, kan zij de camper zelf ophalen bij de door haar aangewezen bewaarder, aldus C&C c.s.

De rechtbank stelt voorop dat de camper zich in gerechtelijke bewaring bevindt en [eiseres] in zoverre geen belang heeft bij deze vordering, aangezien op grond van artikel 704 Rv het conservatoire beslag tot afgifte na betekening van een voor tenuitvoerlegging vatbare executoriale titel van rechtswege executoriaal wordt. Op die grond kan [eiseres] afgifte van de camper aan haar bewerkstellingen. Het oordeel van de strafrechter (met betrekking tot het strafvorderlijk beslag) dat de camper aan [gedaagde sub 2] moet worden afgegeven staat daaraan niet in de weg: in artikel 116 lid 5 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is immers bepaald dat de in dat artikel bedoelde beslissingen (waaronder voornoemde beslissing tot afgifte aan [gedaagde sub 2] valt) ieders rechten ten aanzien van het voorwerp onverlet laten. Nu de rechtbank in deze civiele procedure tot het oordeel is gekomen dat de camper eigendom is van [eiseres] heeft zij daarmee het sterkste recht op afgifte van de camper.

Ter voorkoming van onduidelijkheid en ter voorkoming van mogelijke problemen bij de tenuitvoerlegging van dit (civiele) vonnis zal de rechtbank echter, ondanks het verweer van C&C c.s. dat de camper niet in hun bezit is, deze vordering toewijzen – zowel jegens C&C als tegen [gedaagde sub 2] – om duidelijk te maken dat zij aan de afgifte aan [eiseres] dienen mee te werken én voor het geval dat de camper onverhoopt toch bij C&C of [gedaagde sub 2] terechtkomt. C&C en [gedaagde sub 2] dienen in die situatie ervoor te zorgen dat de camper aan [eiseres] wordt afgegeven. Afgifte dient in dat geval te geschieden binnen zeven dagen na sommatie door [eiseres] om de camper af te geven. De rechtbank ziet bij de huidige stand van zaken (zoals hierboven omschreven) geen aanleiding om dwangsommen op te leggen, zodat dit gedeelte van de vordering zal worden afgewezen.

Beslagkosten

[eiseres] vordert dat zowel C&C als [gedaagde sub 2] in de beslagkosten worden veroordeeld. Nu [gedaagde sub 2] echter slechts in dit geding is betrokken omdat het strafrechtelijk bevel is gegeven dat de camper aan hem moet worden afgegeven en de vorderingen in conventie onder I. en II. louter vanwege mogelijke problemen bij de tenuitvoerlegging ook jegens [gedaagde sub 2] zullen worden toegewezen, ziet de rechtbank aanleiding [gedaagde sub 2] niet te veroordelen in de beslagkosten van [eiseres] .

De vordering tot betaling van de beslagkosten jegens C&C is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 1.288,77‬ (€ 360,77 explootkosten; € 314,00 griffierecht, € 614,00 voor salaris advocaat (1 rekest x € 614,00)).

De gevorderde wettelijke rente over de beslagkosten is niet betwist door C&C en zal worden toegewezen zoals hierna is bepaald.

Proceskosten

[eiseres] vordert dat zowel C&C als [gedaagde sub 2] in de proceskosten worden veroordeeld. Nu [gedaagde sub 2] echter slechts in dit geding is betrokken omdat het strafrechtelijk bevel is gegeven dat de camper aan hem moet worden afgegeven en de vorderingen in conventie onder I. en II. louter vanwege mogelijke problemen bij de tenuitvoerlegging ook jegens [gedaagde sub 2] zullen worden toegewezen, ziet de rechtbank aanleiding [gedaagde sub 2] niet te veroordelen in de proceskosten van [eiseres] . Wel dient [gedaagde sub 2] de eigen proceskosten te dragen.

C&C is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

133,13

- griffierecht

6,00

( € 320,00 - € 314,00)

- salaris advocaat

1.228,00

(2 punten × € 614,00)

- nakosten

178,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.545,13

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

In voorwaardelijke reconventie

C&C c.s. hebben in reconventie vorderingen ingesteld onder de voorwaarde dat de vorderingen van [eiseres] in conventie worden afgewezen. Nu de vorderingen van [eiseres] in conventie niet zijn afgewezen, zijn de voorwaarden voor de vorderingen in reconventie niet vervuld. De rechtbank komt dus niet toe aan de beoordeling daarvan.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

verklaart voor recht dat [eiseres] enig eigenaresse van de camper is,

verklaart voor recht dat C&C jegens [eiseres] aansprakelijk is voor alle door [eiseres] geleden en te lijden schade, welke schade dient te worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet,

veroordeelt C&C en [gedaagde sub 2] , althans C&C, althans [gedaagde sub 2] , indien zij de camper feitelijk onder zich hebben, tot afgifte van de camper aan [eiseres] binnen zeven dagen na sommatie daartoe door [eiseres] en al hetgeen te doen dat redelijkerwijs in hun macht ligt om afgifte (door een derde) aan [eiseres] te bewerkstelligen,

veroordeelt C&C in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 1.288,77,

veroordeelt C&C in de proceskosten van € 1.545,13, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als C&C niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt C&C tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proces- en beslagkosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

verklaart de veroordelingen onder rov. 5.3. t/m 5.6. uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af,

in voorwaardelijke reconventie

verstaat dat de voorwaarde waaronder de eis in reconventie is ingesteld, niet is vervuld.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.C.M. Hurkens en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2025.

DS

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJFCZ 2026/29
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?