RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/332020 / HA ZA 24-289
Vonnis van 16 april 2025
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. F.G.H.J. Niemarkt,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. G.A.M.F. Galjé-Deckers.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald
- het bericht van 10 februari 2025 met producties van [gedaagde]- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 februari 2025- de akte verandering van eis
- de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling door de advocaten voorgedragen pleitnotities,
- de brief van mr. Galjé-Deckers van 28 februari 2025.
Na het sluiten van de mondelinge behandeling is vonnis bepaald.
2. De feiten
[eiser] en [gedaagde] zijn broers van elkaar.
Partijen hebben gezamenlijke ten minste vier paarden in eigendom gehad. Deze paarden zijn in beslag genomen nadat was geconstateerd dat deze werden verwaarloosd. De paarden zijn niet meer aan partijen of een van hen teruggegeven.
Op 31 december 2012 is tussen partijen een overeenkomst van geldlening gesloten, inhoudende dat [gedaagde] aan [eiser] € 2.718,00 leende, welk bedrag meteen door [gedaagde] is verstrekt.
Op 19 april 2016 is tussen partijen een overeenkomst van geldlening gesloten, inhoudende dat [eiser] aan [gedaagde] € 50.000,00 leende. Over de verschuldigde rente is het volgende overeengekomen:
‘Over de geleende som is schuldenaar – te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de geleende som – aan schuldeiser rente verschuldigd. De rente dient voldaan te worden per ultimo van ieder kalenderjaar.
Het rentepercentage wordt voorafgaande aan ieder kalenderjaar door de schuldeiser, na overleg met de schuldenaar, schriftelijk vastgesteld. Indien er geen nieuw rentepercentage wordt overeen gekomen, blijft het oude percentage voor het komende kalenderjaar gelden. Voor het eerste kalenderjaar bedraagt het rentepercentage van 3%.’
Er is na het aangaan van de overeenkomst tussen partijen geen ander rentepercentage overeengekomen dan de in de overeenkomst vermelde 3%.
Op grond van de onder 2.4. vermelde overeenkomst van geldlening heeft [eiser] op 18 december 2017 € 50.000,00 aan [gedaagde] betaald. Over de terugbetaling van de lening is in de overeenkomst opgenomen dat dit onder meer moet geschieden na opzegging door [eiser] met inachtneming van een termijn van twaalf maanden. Bij brief van 25 april 2023 aan [gedaagde] heeft [eiser] de lening opgezegd tegen 30 april 2024.
3. Het geschil
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 58.738,45, vermeerderd met rente en kosten.
[gedaagde] voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Geldlening van [eiser] aan [gedaagde]
De vordering van [eiser] is gebaseerd op de onder 2.4. vermelde geldlening. Het gevorderde bedrag is berekend aan de hand van de hoofdsom van € 50.000,00 vermeerderd met rente en verminderd met de volgens [eiser] door [gedaagde] verrichte betalingen van in totaal € 1.625,00.
[gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling (voor het eerst) gesteld dat hij méér op de lening heeft terugbetaald dan [eiser] stelt. Deze stelling is niet verder uitgewerkt, zodat daaraan voorbij wordt gegaan. Het tijdens de mondelinge behandeling gedane ongespecificeerde bewijsaanbod maakt dat niet anders. Derhalve staat in rechte vast wat [eiser] stelt over wat [gedaagde] aan hem heeft betaald in verband met de geldlening.
Tegenvorderingen?
[gedaagde] stelt verder dat hij vorderingen op [eiser] heeft die hij wenst te verrekenen met de vordering van [eiser] op hem. Die gestelde vorderingen zullen hierna worden besproken.
Geldlening van [gedaagde] aan [eiser]
[gedaagde] stelt dat [eiser] het van hem geleende bedrag van € 2.718,00 nog niet heeft terugbetaald, zodat hij ter zake nog een vordering op [eiser] heeft. [eiser] stelt dat hij wel al terugbetaalde, en wel contant, maar heeft daar geen bewijs (meer) van. Meer concrete informatie over de gestelde aflossingen van [eiser] is niet beschikbaar of in ieder geval niet gesteld. Er kan daarom niet van uit worden gegaan dat [eiser] al heeft afgelost en er zijn ook geen aanknopingspunten geboden voor verder onderzoek op dat punt. De rechtbank verwerpt daarom het standpunt van [eiser] . Weliswaar is het opmerkelijk dat, als de lening van [gedaagde] aan [eiser] in 2016 of 2017 nog niet was afgelost, deze niet is verrekend bij gelegenheid van de latere lening van [eiser] aan [gedaagde] , maar dat is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat de eerste lening toen al was afgelost.
Dat voldaan is aan de eisen die artikel 6:127 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) stelt aan verrekening, is niet betwist. Door het beroep van verrekening door [gedaagde] gaan de vorderingen van partijen over en weer daarom tot het gezamenlijk beloop teniet, met terugwerkende kracht tot aan het einde van de laatste termijn waarover opeisbare rente is voldaan (artikel 6:127 lid 1 BW jo. artikel 6:129 lid 1 en 2 BW). Uit de stellingen van [eiser] over de rentebetalingen die [gedaagde] heeft verricht, volgt dat de laatste betalingen hebben gezien op het jaar 2023, terwijl uit de geldleningsovereenkomst volgt dat de rente steeds per eind van het kalenderjaar opeisbaar is. Dit betekent dat de vordering van [gedaagde] op [eiser] wordt afgetrokken van de vordering van [eiser] op [gedaagde] tegen de stand per
31 december 2023. Met een door [eiser] verschuldigde rentevergoeding wordt geen rekening gehouden. [gedaagde] stelt weliswaar aanspraak te maken op (wettelijke) rente maar heeft die stelling van geen enkele onderbouwing voorzien.
Een en ander zal op hierna te melden wijze in het dictum worden verwerkt.
Gebruiksvergoeding
[gedaagde] stelt dat [eiser] van april 2019 tot en met september 2022 bij [gedaagde] heeft ingewoond, maar daar niet voor heeft betaald. [gedaagde] stelt daarom een vordering op [eiser] te hebben op grond van ongerechtvaardigde verrijking dan wel omdat er sprake was van gebruik en bewoning als bedoeld in artikel 3:226 BW.
[eiser] stelt dat hij weliswaar regelmatig heeft verbleven op de boerderij van [gedaagde] , maar betwist bij [gedaagde] te hebben ingewoond. Als hij er verbleef, heeft hij naar eigen zeggen onder meer de paarden van [gedaagde] verzorgd. Er zijn, aldus [eiser] , geen afspraken gemaakt over een aan [gedaagde] te betalen vergoeding.
Nog afgezien van de vraag of [gedaagde] voldoende heeft gesteld ter onderbouwing van zijn stelling dat hij is verarmd - nu hij niet heeft aangevoerd dat hij het beweerdelijk door [eiser] gebruikte deel van de boerderij anders had willen of kunnen inzetten – kan het beroep van [gedaagde] op ongerechtvaardigde verrijking van [eiser] niet slagen. Dat zou namelijk alleen tot een vordering kunnen leiden voor zover dat redelijk is. Gegeven het feit dat gebleken is dat partijen over het verblijf geen afspraken zijn gemaakt – dat erkende [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling – en gezien hun familieverhouding, is het niet passend om [eiser] te ‘overvallen’ met een aanspraak waarmee hij redelijkerwijs geen rekening hoefde te houden. In het midden kan daarom blijven of [eiser] daadwerkelijk heeft ingewoond bij [gedaagde] , of [eiser] werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van [gedaagde] en zo ja, of dat had te gelden als tegenprestatie voor het kunnen verblijven op de boerderij.
Artikel 3:226 BW gaat over het beperkt recht van gebruik en bewoning. Alleen al omdat niet is gesteld of gebleken dat dit recht is gevestigd, kan dat geen basis vormen voor een vordering van [gedaagde] op [eiser] .
Het standpunt van [gedaagde] dat hij een met de vordering van [eiser] te verrekenen vordering heeft in verband met de gestelde inwoning van [eiser] , wordt dus verworpen.
Kosten voor dieren [eiser]
Enkele dieren van [eiser] (paarden en/of pony’s en/of een ezel, partijen nemen daarover verschillende standpunten in) hebben gestald gestaan in een door [gedaagde] gebruikte stal bij zijn boerderij en hebben gegeten uit de ruif waaruit ook de paarden van [gedaagde] aten. [gedaagde] maakt aanspraak op een vergoeding van in totaal € 31.500,00 op grond van ‘huur c.q. gebruik, althans redelijkheid en billijkheid’ in verband met deze situatie die volgens hem jarenlang heeft bestaan. Ook meldt ook dat hij dat hij is verarmd, dus doet hij kennelijk ook hier een beroep op ongerechtvaardigde verrijking van [eiser] .
[eiser] stelt dat zijn dieren mee aten uit de ruif zonder dat daarvoor kosten betaald zouden hoeven te worden. Hij voert in dat kader opnieuw aan dat hij werkzaamheden voor [gedaagde] verrichte en ook dat de paarden van het paardenpension van [gedaagde] stonden en staan op het weiland dat in gezamenlijk eigendom is van partijen en hun andere broer, zonder dat [gedaagde] hiervoor een vergoeding heeft betaald en betaalt.
Nu vaststaat dat partijen geen afspraken hebben gemaakt over een door [eiser] te betalen vergoeding, zou [gedaagde] alleen op basis van een buiten-contractuele rechtsgrond een aanspraak kunnen claimen. Gegeven het feit dat partijen dus geen afspraken hebben gemaakt en niettemin geruime tijd hebben gehandeld zoals zij hebben gedaan zonder dat [gedaagde] toentertijd aanspraak maakte op betaling en gegeven de familieband, kan in de redelijkheid en billijkheid geen basis voor toewijzing van een vordering worden gevonden. Van ongerechtvaardigde verrijking is evenmin sprake omdat het in de gegeven omstandigheden niet redelijk is dat [gedaagde] achteraf een aanspraak claimt. Dit betekent dat niet verder hoeft te worden ingegaan op – de door [gedaagde] betwiste – stelling dat [gedaagde] om niet gebruik heeft gemaakt en maakt van het gezamenlijke weiland van de broers [familienaam] .
Kosten in verband met tractor
[gedaagde] stelt dat [eiser] een tractor, die van de vader of ouders van partijen was, onrechtmatig heeft meegenomen en in een weiland geplaatst. Een en ander zou zijn onderzocht door de politie waarbij de tractor – zo begrijpt de rechtbank het verhaal van [gedaagde] - in beslag zou zijn genomen. De kosten verbonden aan opslag en teruglevering zouden € 875,00 hebben bedragen en door [gedaagde] zijn betaald. [gedaagde] stelt dat hij voor dat bedrag een vordering op [eiser] heeft.
[eiser] stelt dat er destijds sprake was van een misverstand over waar de tractor was gestald. Hij had deze naar eigen zeggen in een weiland bij kennissen gestald omdat er werkzaamheden aan moesten worden verricht. [eiser] betwist bekend te zijn met een rekening of kosten voor opslag en teruglevering van de tractor, ‘zeker niet in relatie met [gedaagde] ’
[eiser] heeft met zijn verweer onder andere betwist dat [gedaagde] de kosten heeft voldaan. [gedaagde] heeft daar niets tegenover gesteld, zodat zijn standpunt alleen al om die reden moet worden gepasseerd.
Kosten in verband met hennepplantage
[gedaagde] stelt dat [eiser] een hennepplantage in – naar de rechtbank begrijpt – de boerderij van toen nog hun ouders heeft opgericht. Deze plantage zou op enig moment zijn ontdekt en ontmanteld, waarbij een enorme ravage zou zijn achtergelaten. [gedaagde] zou het hebben moeten opruimen. Ook moest volgens [gedaagde] de gemanipuleerde elektra-installatie door hem voor € 1.350,00 worden aangepast. Verder stelt [gedaagde] als gevolg van de plantage een hogere – verder niet becijferde – verzekeringspremie te moeten betalen. [gedaagde] stelt ter zake een vordering op [eiser] te hebben op grond van onrechtmatige daad. Van enkele kostenposten zijn facturen overgelegd.
[eiser] betwist dat er een hennepplantage is opgericht in de boerderij. Wel waren er spullen voor het oprichten van een plantage aanwezig, maar deze zouden vroegtijdig zijn afgevoerd. Van een ravage zou geen sprake zijn. Eventuele kosten zouden volgens [eiser] bovendien niet voor rekening van [gedaagde] zijn gekomen, maar van de ouders van partijen. De overgelegde facturen zijn volgens [eiser] bovendien van jaren later. [eiser] wijst erop dat het, blijkens de omschrijving bij de overboeking van het bedrag van de factuur die [gedaagde] als productie 1 overlegde, kennelijk de aanleg van elektra in de keuken betrof en, blijkens de door [gedaagde] als productie 3 overgelegde opdrachtbon, het verplaatsen van een elektra-aansluiting. Beide hebben volgens [eiser] (dus) niks te maken met een hennepplantage.
Tijdens de mondelinge behandeling is door [gedaagde] herhaald dat door [eiser] een hennepplantage is opgericht. [gedaagde] verklaarde verder dat de overgelegde facturen gaan over een deel van de schade als gevolg van het overbelasten van het stroomnet. De stellingen van [gedaagde] bij elkaar genomen zijn, ook gezien het verweer van [eiser] , echter onvoldoende ter onderbouwing van het standpunt van [gedaagde] . Dat er een hennepplantage door [eiser] is opgericht, is bloot gesteld. Het niet nader gespecificeerd bewijsaanbod maakt dat niet anders. De stelling vindt ook geen bevestiging in de door [gedaagde] overgelegde facturen, omdat het verband tussen de daarmee gefactureerde werkzaamheden en het opgericht zijn van een hennepplantage niet kan worden aangenomen, laat staan dat daaruit kan worden afgeleid dat [eiser] een plantage oprichtte. Een door [gedaagde] met de schuld aan [eiser] te verrekenen vordering kan dus niet worden vastgesteld.
Schade door verlies paarden
[gedaagde] zegt dat [eiser] verantwoordelijk was voor het verlies van de gezamenlijke paarden. Hij zou de paarden hebben verwaarloosd. De paarden waren gestald op de boerderij van (voorheen) de ouders van partijen. Volgens [gedaagde] stonden ze in een afgesloten schuur en liet [eiser] [gedaagde] niet toe tot de paarden.
[eiser] ontkent wat [gedaagde] stelt. De paarden stonden volgens [eiser] buiten en verder kon iedereen volgens hem naar binnen op de boerderij. Dat de paarden in een afgesloten stal stonden, is dus niet juist, aldus [eiser] . Hij stelt dat hij de paarden samen met [gedaagde] verzorgde.
Tijdens de mondelinge behandeling is namens [gedaagde] betwist dat de paarden gezamenlijk werden verzorgd. Een nadere feitelijke onderbouwing van het aan [eiser] verweten gedrag is echter achterwege gebleven, zodat de onderbouwing op dit punt blijft steken in blote stellingen. [gedaagde] heeft aldus, ook gezien het verweer van [eiser] , zijn standpunt volstrekt onvoldoende onderbouwd. Van een met de vordering van [eiser] te verrekenen tegenvordering is dan ook geen sprake. Het bespreken van de standpunten over de begroting van de geleden schade, is daarom niet nodig.
Conclusie
Het beroep op verrekening van [gedaagde] gaat alleen op voor wat betreft de lening van hem aan [eiser] .
Rente
[eiser] stelt dat ook na opzegging van de lening de contractuele rentevergoeding geldt en daar sluit [gedaagde] zich kennelijk bij aan. Dit betekent dat de rente toewijsbaar is zoals deze in de overeenkomst is neergelegd. Omdat de rente van 3% per jaar nooit is aangepast, zal van dat percentage worden uitgegaan. De nog te beantwoorden vraag is die of het enkelvoudige of samengestelde rente betreft. [eiser] vordert klaarblijkelijk samengestelde rente. Dat blijkt uit het gevorderde bedrag en de ter onderbouwing daarvan overgelegde berekening. In de correspondentie voorafgaand aan deze procedure en in lichaam van de dagvaarding is echter uitgegaan van enkelvoudige rente. Dat niettemin samengestelde rente wordt gevorderd, had daarom moeten worden toegelicht, wat niet is gebeurd. In zoverre heeft [eiser] niet voldaan aan zijn stelplicht. De rechtbank zal enkelvoudige rente toewijzen.
Proceskosten
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Ondanks dat partijen broers zijn, ziet de rechtbank geen aanleiding om de proceskosten te compenseren, gelet op het feit dat beiden de veroordeling van de ander in de proceskosten vorderen en dus zelf niet vinden dat hun familieband reden is voor compensatie. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
136,72
- griffierecht
€
1.325,00
- salaris advocaat
€
2.428,00
(2 punten × € 1.214,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.067,72
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De rechtbank
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 50.000,00,
- te vermeerderen met de overeengekomen enkelvoudige rente van 3% per jaar vanaf
18 december 2017 tot de dag van volledige betaling, en
- te verminderen met de door [gedaagde] verrichte betalingen van in totaal € 1.625,00 zoals vermeld in randnummer 13 van de dagvaarding en productie 6 van [eiser] per de uit productie 6 blijkende betaaldata, en
- te verminderen met € 2.718,00 per 31 december 2023,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.067,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.R.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op
16 april 2025.