RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/274769 / HA ZA 20-116
Vonnis in verzet van 16 april 2025
in de zaak van
[oorspronkelijk gedaagde, thans opposant] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
oorspronkelijk gedaagde, thans opposant,
hierna te noemen: [oorspronkelijk gedaagde, thans opposant] ,
advocaat: mr. R.G.P. Voragen, thans geschorst voor onbepaalde tijd,
tegen
[oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde,
hierna te noemen: [oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde] ,
advocaat: mr. B.M.M. Hepkema.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis van 1 november 2023,
- de brief van deskundige Zevenbergen van 17 april 2024, - de conclusie na (niet uitgevoerd) deskundigenbericht van [oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde] .
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
Schorsing en hervatting
Uit verkregen informatie is bekend geworden dat mr. Voragen is geschorst met ingang van 2 april 2024, waardoor het geding van rechtswege vanaf die datum is geschorst.
Artikel 226 lid 1 Rv bepaalt dat in zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen, het geding van rechtswege wordt geschorst doordat de gestelde advocaat overlijdt of doordat hij zijn hoedanigheid van advocaat verliest; art. 225 lid 3 Rv bepaalt dat alle proceshandelingen, verricht nadat de schorsing is ingetreden, nietig zijn. Artikel 228 lid 1 Rv ziet op de hervatting van het geding, in welk geval artikel 228 lid 2 Rv bepaalt dat partijen opnieuw advocaat dienen te stellen.
[oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde] heeft bij brief van 11 juni 2024 aangegeven dat hij wenst dat het geding ingevolge artikel 228 Rv wordt hervat. [oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde] heeft [oorspronkelijk gedaagde, thans opposant] bij exploot van
3 juli 2024 op de hoogte gesteld van de schorsing van het geding en de schorsingsoorzaak met daarbij de aanzegging dat het geding wordt hervat in de stand waarin het geding zich bij de schorsing bevond en dat door [oorspronkelijk gedaagde, thans opposant] een andere advocaat moet worden gesteld. [oorspronkelijk gedaagde, thans opposant] heeft geen nieuwe advocaat gesteld. Gelet op het vorenstaande is de zaak hervat en verwezen naar de rol van 20 november 2024 voor voortprocederen in de stand waarin de zaak zich bevond op 2 april 2024.
De verdere beoordeling
Deze zaak gaat over de vraag of partijen een overeenkomst met een terugkoopoptie voor een bedrag van € 25.000,00 met betrekking tot perceel [kadasternummer] op 12 augustus 2003 zijn overeengekomen. De rechtbank heeft eerder overwogen dat nu [oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde] een onderhandse akte als bewijsmiddel wil gebruiken, op hem de bewijslast en daarmee het bewijsrisico van de betwiste handtekening rust. Gelet op het vorenstaande is [oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde] bij vonnis opgedragen overeenkomstig zijn stelling te bewijzen dat de handtekeningen op de overeenkomst van 12 augustus 2003 en bij het op 12 augustus 2003 gewijzigde bedrag op de volmacht van 14 juli 2003 van [oorspronkelijk gedaagde, thans opposant] afkomstig zijn.
Bij vonnis van 21 december 2022 is een deskundigenbericht bevolen teneinde de handtekening onder de overeenkomst van 12 december 2003 en in de volmacht met kenmerk 0030376/MHA/12376 van 12 augustus 2003 te onderzoeken. Tot deskundige is eerder benoemd de heer [naam deskundige] (hierna: [naam deskundige] ), verbonden aan The Maastricht Forensic Institute. [naam deskundige] heeft laten weten dat hij zijn activiteiten als gerechtelijk deskundige in civiele zaken in Nederland heeft beëindigd en naar het buitenland is verhuisd. Daarbij hadden partijen nog geen onderzoeksmateriaal aan [naam deskundige] doen toekomen, zodat hij nog geen onderzoek had kunnen doen.
Vervolgens is bij vonnis van 1 november 2023 [naam deskundige] op zijn verzoek ontslagen als deskundige en de heer P.L. Zevenbergen (hierna: Zevenbergen), forensisch schriftexpert, verbonden aan Justiniana forensisch schriftexperts, tot deskundige benoemd. Zevenbergen heeft bij brief van 17 april 2024 aan de rechtbank bericht dat hij ondanks veel schriftelijke en telefonische pogingen geen referentiemateriaal van [oorspronkelijk gedaagde, thans opposant] heeft mogen ontvangen. Bij de notaris zou één vergelijkingshandtekening beschikbaar kunnen zijn, maar met één vergelijkingshandtekening kan volgens Zevenbergen geen uitsluitsel worden gegeven over de authenticiteit van de betwiste handtekening. Gelet op het vorenstaande heeft Zevenbergen de aan hem verstrekte opdracht teruggeven aan de rechtbank. Hij zal dan ook als deskundige worden ontslagen. Omdat Zevenbergen inmiddels kosten heeft gemaakt, heeft hij een gespecificeerde declaratie opgesteld en aan de rechtbank overgelegd ter hoogte van een bedrag van € 229,90.
[oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde] heeft er in zijn conclusie na (niet uitgevoerd) deskundigenbericht onweersproken en terecht op gewezen dat [oorspronkelijk gedaagde, thans opposant] heeft geweigerd haar medewerking te verlenen aan het door de rechtbank bevolen deskundigenonderzoek. Ondanks het gegeven dat [oorspronkelijk gedaagde, thans opposant] door de deskundigen in staat is gesteld haar handtekening over te leggen, heeft zij dat, ondanks herhaaldelijk verzoek, niet gedaan noch heeft zij andere voor het onderzoek voldoende geschikte documenten overgelegd. Hoewel dit op haar weg lag, heeft [oorspronkelijk gedaagde, thans opposant] niet uitgelegd waarom zij, ondanks haar toezeggingen, niet alsnog andere documenten met daarop eerder geplaatste handtekeningen heeft overgelegd. Op een gewichtige reden voor haar gebrek aan medewerking heeft [oorspronkelijk gedaagde, thans opposant] zich niet beroepen. De rechtbank is van oordeel dat het derhalve, gelet op het bepaalde in artikel 198 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), op haar weg had gelegen om wel mee te werken aan het onderzoek. Nu [oorspronkelijk gedaagde, thans opposant] geen medewerking heeft verleend aan het door de rechtbank gelaste deskundigenonderzoek, staat het de rechtbank vrij om met toepassing van artikel 198 lid 3 Rv de gevolgtrekkingen te maken die zij geraden acht. De rechtbank acht het standpunt van [oorspronkelijk gedaagde, thans opposant] dat de handtekening onder de overeenkomst niet van haar is, niet langer geloofwaardig nu zij niet heeft meegewerkt aan het deskundigenonderzoek. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het standpunt van [oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde] , dat hij op 12 augustus 2003 een overeenkomst met [oorspronkelijk gedaagde, thans opposant] heeft gesloten en die door haar is ondertekend, waarin partijen zijn overeengekomen dat [oorspronkelijk gedaagde, thans opposant] op eerste afroep van [oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde] gehouden is het perceel [kadasternummer] aan [oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde] te leveren voor een prijs van € 25.000,00 exclusief kosten, voor waar aannemen.
Op grond van wat hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat het verzet ongegrond is. De vordering van [oorspronkelijk gedaagde, thans opposant] wordt dan ook worden afgewezen.
Nu [oorspronkelijk gedaagde, thans opposant] in het ongelijk is gesteld zal zij worden veroordeeld om de proceskosten (inclusief nakosten) te betalen (vgl. Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1942). De proceskosten omvatten ook de kosten voor deskundige Zevenbergen ter hoogte van € 229,90. De rechtbank verwijst hiervoor naar de door deskundige Zevenbergen overgelegde factuur van 17 april 2024.
De rechtbank zal voorts bepalen dat het restant van het eerder door [oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde] betaalde voorschot op de kosten van de deskundige, te weten een bedrag van € 4.111,58, door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak terug aan [oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde] zal worden overgemaakt.
[oorspronkelijk gedaagde, thans opposant] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde] worden begroot op:
- kosten deskundige
- salaris advocaat
€
€
229,90
1.842,00
(3 punten × € 614,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.249,90
3. De beslissing
De rechtbank
verklaart het verzet ongegrond en wijst de vorderingen af,
ontslaat als deskundige:
de heer P.L. Zevenbergen,
Justiniana forensische schriftexperts,
Correspondentieadres: Burgemeester Toornstralaan 2, 8051 NG Hattem,
Telefoon: 06 45430155 / 06 51289363
e-mailadres: jus@schriftexperts.nl
bepaalt dat het restant van het eerder door [oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde] betaalde voorschot op de kosten van de deskundige, te weten een bedrag van € 4.111,58, door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak terug aan [oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde] zal worden overgemaakt,
veroordeelt [oorspronkelijk gedaagde, thans opposant] in de proceskosten van € 2.249,90, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [oorspronkelijk gedaagde, thans opposant] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.E. Elzinga en in het openbaar uitgesproken op
16 april 2025.
AP