RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/340009 / HA ZA 25-116
Vonnis in incident van 21 mei 2025
in de zaak van
[eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] ,
te [woonplaats 1] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] ,
advocaat: mr. E.J.H. Reitsma,
tegen
[gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] ,
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] ,
advocaat: mr. J.R.G. Smulders.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding tevens houdend incidentele vordering tot het treffen van voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv met producties 1 t/m 16- de incidentele conclusie van antwoord met producties 1 t/m 3,
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie.
De zaak is verwezen naar de rol van 25 juni 2025 voor conclusie van antwoord in reconventie. Tevens is vonnis in het incident is bepaald op heden.
2. De feiten
Beide partijen zijn de enige kinderen voortgekomen uit het huwelijk tussen [erflater] (hierna: vader) en [erflaatster] (hierna: moeder). Vader is overleden op [overlijdensdatum 1] 2010, moeder op [overlijdensdatum 2] 2023.
Bij testament van 10 juli 1986 heeft moeder over haar nalatenschap beschikt. Op 26 augustus 2010 heeft moeder nog een aanvullend testament laten verlijden. Partijen zijn de enige erfgenamen. Zij hebben ieder een vordering op de nalatenschap van moeder op grond van de overbedeling van moeder als gevolg van de testamentair bepaalde verdeling van de nalatenschap van vader.
3. Het geschil
in de hoofdzaak
in conventie
[eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] wenst tot verdeling van de nalatenschap van moeder te komen en vordert – kort samengevat – dat de rechtbank bij vonnis de wijze van verdeling van de nalatenschap van moeder vaststelt, waarbij op de door [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] voorgestane wijze de tot de nalatenschap behorende woning, banktegoeden en roerende zaken worden verdeeld nadat aan [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] een bedrag van door hem voorgeschoten kosten is uitgekeerd alsmede rekening wordt gehouden met de schuld van de nalatenschap aan [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] in verband met de nalatenschap van vader.
in reconventie
[gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] wenst eveneens tot verdeling van de nalatenschap van moeder te komen en vordert – kort samengevat – dat de rechtbank de nalatenschap verdeeld, waarbij op de door [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] voorgestane wijze de tot de nalatenschap behorende woning, banktegoeden en roerende zaken worden verdeeld alsook dat bepaalde schulden aan [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] worden toegedeeld.
in het incident
[eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] vordert – samengevat - dat de rechtbank bij wijze van voorlopige voorziening [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] zal bevelen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, binnen één week na betekening van dit vonnis:
I. de Rabobank schriftelijk op te dragen ten laste van de ervenrekening een bedrag van € 16.003,99 te doen bijschrijven op de bankrekening van [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] , op straffe van verbeurte van een dwangsom;
II. al het nodige te doen dat op haar weg ligt om te bewerkstelligen dat [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] bij de Rabobank op gelijke voet als zij, toegang krijgt tot de ervenrekening en komt te beschikken over een bankpas alsmede de benodigde inlogapparatuur, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
III.. al het nodige te doen dat op haar weg ligt om te bewerkstellingen dat zij en [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] uitsluitend gezamenlijk gemachtigd zijn om over de tegoeden op de ervenrekening te beschikken, zulks op verbeurte van een dwangsom;
IV. al het nodige te doen om te bewerkstellingen dat [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] vanuit de banktegoeden van de nalatenschap een bedrag van € 87.500,00 uitgekeerd krijgt ten titel van de gedeeltelijke aflossing van de overbedelingsvordering die hij van overlijden van vader op moeder heeft verkregen, op straffe van verbeurte van een dwangsom.
Ter onderbouwing van zijn vorderingen voert [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] aan dat hij een bedrag van € 16.003,99 uit eigen middelen heeft voorgeschoten aan kosten die door de nalatenschap van moeder gedragen moeten worden. Hij stelt dat dit bedrag een aanzienlijke hap uit zijn financiële reserves is, die hij inmiddels dringend nodig heeft. Voor wat betreft het voorschot van € 87.500,00 ten titel van de overbedelingsvordering in verband met de verdeling van de nalatenschap van vader stelt hij dat deze vordering opeisbaar is geworden, zodat hij onmiddellijke betaling mag verwachten. Bovendien was er bij overlijden van moeder een totaal banktegoed aanwezig van € 215.357,00. Nu alle externe crediteuren zijn voldaan, kan dat bedrag worden aangewend om een deel van de overbedelingsschuld te voldoen. [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] stelt dat het spoedeisend belang voor wat betreft deze vordering er (mede) in is gelegen dat hij, gelet op zijn gezondheidstoestand, behoefte heeft aan rust en regelmaat.
[gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling in het incident
In artikel 223 Rv is bepaald dat tijdens een aanhangig geding iedere partij kan vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding, mits de voorlopige voorziening samenhangt met de vordering in de hoofdzaak. Toewijzing van een vordering tot een voorlopige voorziening voor de duur van het geding is alleen mogelijk wanneer daarbij voldoende belang is. Dit kan bijvoorbeeld daarin bestaan dat de afloop van de hoofdzaak niet kan worden afgewacht. Indien aan deze twee (processuele) vereisten is voldaan, dient vervolgens de gevorderde voorziening inhoudelijk te worden beoordeeld. Evenals in kort geding komt het daarbij aan op de vraag of een afweging van de belangen van partijen de gevorderde ordemaatregel op dit moment rechtvaardigt, onder meer gelet op de proceskansen in de hoofdzaak.
vordering tot betaling geldsom
[eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] heeft onvoldoende onderbouwd dat hij op dit moment voldoende dringend belang heeft bij deze voorlopige voorziening, in die zin dat van hem niet kan worden verwacht dat hij de uitkomst van de bodemzaak afwacht. [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] heeft daartoe enkel gesteld dat het bedrag een aanzienlijke hap uit zijn financiële reserves is. Dat het financiële belang van [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] van dien aard is dat daarmee toewijzing van een voorschot op het gevorderde gerechtvaardigd is, in die zin dat hij de uitkomst van de bodemzaak niet kan afwachten, is daarmee – mede gelet op het verweer van [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] op dit punt – onvoldoende concreet toegelicht. Deze vordering zal worden afgewezen.
de vorderingen met betrekking tot de ervenrekening
[gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] heeft (terecht) niet betwist dat [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] als erfgenaam recht heeft op informatie over de stand van en mutaties op de ervenrekening en eveneens mede gerechtigd is tot het beheer van die rekening. Ook staat vast dat [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] geen toegang heeft tot voormelde informatie en niet in staat is mede het beheer te voeren, althans niet zonder instemming of medewerking van [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] . Gegeven het feit dat met de procedure in de hoofdzaak beoogd wordt een einde te maken aan de onverdeeldheid tussen partijen en in dat kader de verdeling van het banktegoed plaats zal vinden, heeft [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] er een voldoende spoedeisend belang bij dat hij deze rechten kan uitoefenen. Na de verdeling heeft het uitoefenen van deze rechten – zo al mogelijk – immers geen of nauwelijks zin meer. Hoewel (thans) geen expliciete vordering in de hoofdzaak is ingesteld die gericht is op inzage in en invloed op het beheer van de rekening, is er daarom ook voldoende samenhang tussen de vordering in het incident en de vordering in de hoofdzaak.
Dat tussen partijen op dit moment wellicht geen normale communicatie mogelijk is, zoals [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] stelt, is geen reden om de vorderingen af te wijzen. Integendeel, bij gebreke van normale communicatie kan er niet vanuit worden gegaan dat [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] zijn rechten op informatie en beheer kan uitoefenen als hij daarbij afhankelijk is van [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] . Daarom is ook niet van belang of [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] eerder heeft verzocht om inzage in en/of toegang tot de rekening, zoals door [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] wordt ontkend terwijl [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] (blijkens randnummer 84 van de dagvaarding) het tegendeel stelt.
Ook de stelling dat niet is gesteld of gebleken dat [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] zich geen goed beheerder heeft getoond, kan niet leiden tot afwijzing van de vordering. Slecht beheer zijdens [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] kan immers niet als voorwaarde gelden voor het door [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] kunnen uitoefenen van zijn rechten, nog afgezien van het feit dat [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] in ieder geval tot aan het instellen van de vordering, bij gebreke van inzage, geeneens een onderbouwd standpunt over (wan)beheer had kunnen innemen.
De rechtbank is het, tot slot, niet eens met [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] waar zij stelt dat de vorderingen geen voorlopig karakter hebben. Met de verdeling van de nalatenschap zal de ervenrekening worden opgeheven, althans zal het saldo daarop niet meer gemeenschappelijk zijn. Daarmee eindigt een voorziening die er toe strekt gelijke rechten toe te kennen aan beide deelgenoten van een gemeenschappelijk goed. Volledigheidshalve zal de rechtbank dat expliciteren in het dictum.
De slotsom is dat de hier besproken vorderingen op hierna in het dictum te vermelden wijze worden toegewezen. Daarbij zal de dwangsom op een lager bedrag worden bepaald dan gevorderd en zal een lager maximum aan te verbeuren dwangsommen worden bepaald. Ook zal er één dwangsom worden opgelegd voor beide vorderingen, die in elkaars verlengde liggen.
het voorschot
De vordering met betrekking tot het voorschot in verband met de overbedelingsvordering als gevolg van de verdeling van de nalatenschap van vader, zal worden afgewezen, nu [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] onvoldoende heeft gemotiveerd dat van hem niet kan worden verwacht dat hij de uitkomst in de hoofdzaak afwacht.
proceskosten
De rechtbank zal de kosten van dit incident tussen partijen, gelet op de familierelatie, compenseren
5. De beslissing
De rechtbank
in het incident
veroordeelt [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] om binnen één week na betekening van dit vonnis al het nodige te doen dat op haar weg ligt om te bewerkstelligen dat [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] voor de duur van dit geding:
- bij de Rabobank op gelijke voet als [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] , toegang krijgt tot de digitale bankomgeving voor de ervenrekening met nummer [rekeningnummer] ,
- komt te beschikken over een bankpas alsmede de daarbij behorende pasreader danwel andere door de bank te vertrekken inlogapparatuur,
veroordeelt [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] om binnen één week na betekening van dit vonnis op eerste verzoek van [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] al het nodige te doen dat op haar weg ligt om te bewerkstelligen dat [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] en [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] voor de duur van dit geding uitsluitend gezamenlijk gemachtigd zijn om over de tegoeden op de ervenrekening bij Rabobank met nummer nummer [rekeningnummer] te beschikken,
veroordeelt [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] tot het betalen van een dwangsom van € 250,00 voor elke dag of deel daarvan dat zij niet aan zowel de onder 5.1. als de onder 5.2. opgenomen veroordeling voldoet tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
compenseert de kosten van het incident, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
wijst af het meer of anders in het incident gevorderde,
in de hoofdzaak
verstaat dat de zaak is verwezen naar de rol van 25 juni 2025 voor conclusie van antwoord in reconventie,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.R.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken.
AH