RECHTBANK LIMBURG
vonnis
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummer / rolnummer: C/03/340155 / HA ZA 25-121
Vonnis in incident van 21 mei 2025
in de zaak van
1. de vennootschap onder firma
[eiseres in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident sub 2],
3. [eiseres in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 3],
beiden wonende te [woonplaats 1] ,
vennoten van eisende partij sub 1,
eisende partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident ex artikel 223 Rv,
advocaat mr. M. de Marco,
tegen
[gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
verweerder in het incident ex artikel 223 Rv,
advocaat mr. M.M.J.P. Penners.
Partijen zullen hierna [eiseres in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] , [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident sub 2] , [eiseres in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 3] , en [gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident] genoemd worden.
1. Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding tevens houdende de incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening, met producties 1 t/m 23,
de conclusie van antwoord in het incident.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. De feiten in het incident
[eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident sub 2] en [eiseres in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 3] zijn in hun hoedanigheid van vennoten van de vennootschap onder firma [eiseres in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] , sinds 18 december 2000 eigenaar van het bedrijfspand met aan-en toebehoren staande en gelegen aan het adres [adres 1] te [vestigingsplaats] . [eiseres in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] exploiteert op dit adres een garagebedrijf (hierna: het bedrijfspand).
Naast het bedrijfspand van [eiseres in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] is gelegen de woning met aan-en toebehoren staande en gelegen aan het adres [adres 2] te [woonplaats 2] . De woning is eigendom van [gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident] .
Totdat [eiseres in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] het bedrijfspand in eigendom verwierf, waren de percelen waarop de woning van [gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident] en het bedrijfspand zijn gelegen in één hand. De rioleringsleidingen voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater van het bedrijfspand zijn aangesloten op het bestaande leidingwerk van de woning van [gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident] , welk leidingwerk weer is aangesloten op de inzamelleiding van het openbaar riool. Het aansluitpunt bevindt zich onder de weg ‘ [straatnaam] ’. [eiseres in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] heeft geen eigen (perceel)aansluiting op het openbaar riool.
3. Het geschil
[eiseres in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] ervaart al geruime tijd problemen met de werking van de rioleringsconstructie waardoor zich regelmatig verstoppingen voordoen. Nu partijen onderling niet tot een oplossing zijn gekomen, heeft [eiseres in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] recht en belang bij het aanleggen van een eigen, separate rioleringsleiding, aldus [eiseres in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] . Om die reden vordert zij dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
in de hoofdzaak
primair
I. [gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident] beveelt zijn medewerking te verlenen aan de realisatie van een door [eiseres in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] aan te leggen eigen rioleringsleiding van het bedrijfspand tot aan het aansluitpunt van het gemeenteriool, zulks op de voor [gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident] minst bezwarende wijze en deze minst bezwarende wijze in goede justitie te bepalen, en
II. [gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident] beveelt zijn medewerking te verlenen aan de vastlegging van de hiernavolgende afspraken over de aanleg en het onderhoud van de rioleringsleiding in een notariële akte bij wege van de vestiging van een erfdienstbaarheid, bij een door [eiseres in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] aan te wijzen notaris, waarbij naast de gebruikelijke bepalingen het volgende wordt vastgelegd:
a. Het door de rechtbank onder I. bepaalde tracé van de rioleringsleiding(en);
b. De kosten voor aanleg zijn volledig voor [eiseres in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] ;
c. De kosten voor het opmaken van de notariële akte zijn volledig voor [eiseres in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] ;
d. [eiseres in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] zal de perceelsinrichting van [gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident] zo veel mogelijk eerbiedigen, dat wil zeggen dat zaken zoals bestrating en tuininrichting zoveel mogelijk in oude staat worden teruggebracht;
e. Indien het herstel van de oude toestand (zonder noemenswaardige schade) niet of niet volledig mogelijk is, dan is [eiseres in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] jegens [gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident] voor de te lijden schade schadeplichtig. De omvang van de eventueel te lijden schade, rekening houdende met een aftrek nieuw-voor-oud, zal alsdan worden begroot door een onafhankelijk door partijen aan te wijzen taxateur. Indien partijen het niet eens worden over de aan te wijzen taxateur zullen zij de rechtbank op eenstemmig verzoek verzoeken een deskundige aan te wijzen;
f. Dat [eiseres in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] de ongehinderde toegang heeft tot het perceel van [gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident] , voor alle noodzakelijke (onderhouds)werkzaamheden, inspecties, keuringen, herstel en vervanging van de aan te leggen rioleringsleiding. Eventuele schades die uit deze werkzaamheden voortvloeien worden op een gelijke wijze als hiervoor beschreven begroot;
III. bepaalt dat als [gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident] zijn medewerking als bedoeld onder I. weigert, [eiseres in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] de aanlegwerkzaamheden zelf en zonder instemming van [gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident] kan verrichten als bedoeld in artikel 3:299 lid 1 BW, onder veroordeling van [gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident] in de kosten die voor de uitvoering der machtiging noodzakelijk zijn als bedoeld in artikel 3:299 lid 3 BW;
IV. bepaalt dat als [gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident] zijn medewerking als bedoeld onder II. weigert, [eiseres in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] door de rechtbank gemachtigd wordt om namens [gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident] al hetgene te doen om de hiervoor bedoelde akte van vestiging van de erfdienstbaarheid door een door [eiseres in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] aan te wijzen notaris te laten opmaken en passeren als bedoeld in artikel 3:300 lid 1 BW, althans te bepalen dat het vonnis in de plaats treedt van de akte tot vestiging van een erfdienstbaarheid als bedoeld in artikel 3:300 lid 1 en 2 BW;
subsidiair
V. indien en voor zover voormelde vordering tot de aanleg van een eigen rioleringsleiding niet toewijsbaar zou zijn, [eiseres in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] machtigt om zelf tot het in goed en deugdelijke (onderhouds)staat brengen van het bestaande stelsel van leidingen en putten over te gaan als bedoeld in artikel 3:299 lid 1 BW, met veroordeling van [gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident] in drie vierde deel, althans de helft, althans een in goede justitie te bepalen verdeling, van de kosten, en
VI. bepaalt dat
er vanwege verjaring een erfdienstbaarheid tot het lozen van afvalwater via het bestaande rioleringsstelsel van de woning van [gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident] ( [adres 2] te [woonplaats 2] ) is ontstaan;
[gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident] de verplichting heeft het gebruik van de rioleringsleiding(en) ongestoord en ongehinderd te laten plaatsvinden;
[gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident] de verplichting heeft de rioleringsleiding(en) in goede onderhoudsstaat te houden (waaronder het zo spoedig als mogelijk verhelpen van verstoppingen), en zich te onthouden van ondeugdelijk gebruik van de rioleringsleidingen, bij gebreke waarvan [gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident] per overtreding een dwangsom verbeurt van € 20.000,00 ineens en € 1.000,00 per dag of dagdeel dat de overtreding voortduurt;
[gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident] verplicht is om [eiseres in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] op eerste verzoek toe te laten tot zijn perceel, om alle huidige en toekomstig noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden, inspecties, keuringen, herstel en vervanging van de bestaande rioleringsleidingen te verrichten, bij gebreke waarvan [gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident] per overtreding een dwangsom verbeurt van € 20.000,00 ineens en € 1.000,00 per dag of dagdeel dat de verhindering voortduurt;
indien [gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident] de hiervoor onder IV genoemde zaken niet tijdig en/of deugdelijk verricht, [eiseres in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] , onverminderd de verbeurte van een dwangsom, het recht heeft alle noodzakelijke (onderhouds)werkzaamheden, inspecties, keuringen, herstel en vervanging van de bestaande rioleringsleiding(en) te verrichten, en [eiseres in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] daartoe de ongestoorde toegang heeft, een en ander op kosten van [gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident] ;
[gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident] verplicht is zijn medewerking te verlenen aan de vastlegging van de afspraken over het gebruik en het onderhoud van de bestaande rioleringsleiding in een notariële akte bij wege van de vestiging van een erfdienstbaarheid, bij een door [eiseres in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] aan te wijzen notaris, waarbij naast de gebruikelijke bepalingen in ieder geval de hiervoor onder IV. genoemde zaken wordt vastgelegd;
primair en subsidiair
VII. [gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident] veroordeelt in de proceskosten, te voldoen binnen zeven dagen na dagtekening van het vonnis en – voor het geval voldoening binnen deze termijn uitblijft – te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf bedoelde termijn voor voldoening tot aan de dag van algehele voldoening;
in het incident
I. bepaalt dat [gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident] verplicht is zijn medewerking te verlenen aan alle door een door [eiseres in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] aan te wijzen professionele derde, desgewenst uit te voeren werkzaamheden om het bestaande rioleringsstelsel in ieder geval voor de duur van dit geding in goede onderhoudsstaat te brengen;
II. bepaalt dat [gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident] bij niet naleving van het hiervoor onder I. bepaalde een dwangsom verbeurt van € 20.000,00 ineens en € 1.000,00 per dag of dagdeel dat [gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident] voor elke opvolgende keer dat medewerking aan het rioleringsstelsel noodzakelijk is, zijn medewerking weigert,
III. [gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident] veroordeelt tot betaling van de helft van de kosten die met de onder I. bedoelde onderhoudswerkzaamheden gemoeid zijn.
[gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident] voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling in het incident
In artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald dat tijdens een aanhangig geding iedere partij kan vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding, mits de voorlopige voorziening samenhangt met de vordering in de hoofdzaak. Toewijzing van een vordering tot een voorlopige voorziening voor de duur van het geding is alleen mogelijk wanneer daarbij voldoende belang is. Dit kan bijvoorbeeld daarin bestaan dat de afloop van de hoofdzaak niet kan worden afgewacht. Indien aan deze twee (processuele) vereisten is voldaan, dient vervolgens de gevorderde voorziening inhoudelijk te worden beoordeeld. Evenals in kort geding komt het daarbij aan op de vraag of een afweging van de belangen van partijen de gevorderde ordemaatregel op dit moment rechtvaardigt, onder meer gelet op de proceskansen in de hoofdzaak.
[gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident] heeft niet betwist dat sprake is van een problematische situatie, maar stelt dat de situatie niet zodanig ernstig is dat hierbij niet de uitkomst van de bodemprocedure kan worden afgewacht. Verder meent [gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident] dat toewijzing van de voorlopige voorziening in praktische zin kan worden gelijkgesteld met toewijzing van de vordering in de hoofdzaak. De rechtbank oordeelt als volgt.
De rechtbank begrijpt de toelichting op de vorderingen van [eiseres in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] aldus dat in de hoofdzaak een duurzame oplossing voor de problemen aan het rioleringsstelsel wordt gevorderd en dat de voorlopige voorziening ziet op (minder ingrijpende) noodwerkzaamheden aan de riolering voor de duur van de procedure. Gelet op de wijze waarop de vorderingen in het petitum van de dagvaarding zijn geformuleerd, is het onderscheid tussen de gevorderde voorziening en het in de hoofdzaak subsidiair gevorderde onder V. op dit moment onvoldoende duidelijk. Om te kunnen beoordelen of [eiseres in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] voldoende processueel belang heeft bij de gevraagde voorziening, in die zin dat deze voor de duur van de aanhangige bodemprocedure kan worden gegeven, zal [eiseres in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] eerst moeten specificeren welke concrete werkzaamheden voor de duur van het geding (noodreparaties) volgens haar verricht moeten worden en toelichten in hoeverre deze werkzaamheden verschillen van de werkzaamheden die nodig zijn om het bestaande stelsel van leidingen duurzaam in een goede en deugdelijke onderhoudsstaat te brengen (vordering hoofdzaak subsidiair onder punt V.). De rechtbank zal [eiseres in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] daartoe in de gelegenheid stellen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de zaak verwijzen naar de roldatum van woensdag 4 juni 2025 voor akte uitlating in het incident aan de zijde van [eiseres in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] .
5. De beslissing
De rechtbank
in het incident
verwijst de zaak naar de rol van woensdag 4 juni 2025 voor akte uitlating in het incident aan de zijde van [eiseres in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] ,
houdt iedere verdere beslissing aan,
in de hoofdzaak
verstaat dat de zaak op de rol van woensdag 21 mei 2025 staat voor conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident] ,
houdt iedere verdere beslissing aan
Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Etman en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2025.