RECHTBANK LIMBURG
beslissing
Zittingsplaats Maastricht
Wrakingskamer
Zaaknummer: C/03/347388 / HA RK 25-197
Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken
op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
dat strekt tot wraking van de rechter, mr. M. van der Salm, rechter-plaatsvervanger in de rechtbank Limburg.
1. De procedure
Op 26 november 2025 om 8:35 uur is ter griffie van de wrakingkamer een bericht ontvangen van verzoeker, inhoudende een verzoek tot wraking van de rechter in de zaak met nummer C/03/ 345897 JERK 25-1678 over de ondertoezichtstelling van [naam] . De gronden die aan dit verzoek ten grondslag liggen, zullen hieronder worden besproken.
2. De beoordeling
Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van een verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet objectief gerechtvaardigd zijn.
De wrakingskamer heeft kennisgenomen van het wrakingsverzoek. De rechter is allereerst gewraakt omdat, zo begrijpt de wrakingskamer, verzoeker veronderstelt dat de rechter geen kinderrechter is. Het verzoek tot wraking is op dit punt kennelijk ongegrond, niet alleen omdat deze rechter wel degelijk kinderrechter is, maar ook omdat deze grond geen betrekking heeft op de rechterlijke onpartijdigheid.
Verzoeker stelt verder dat hij niet geïnformeerd is over een wisseling van rechters, waar dat wel had gemoeten. De wrakingskamer stelt vast dat de zaak op 9 oktober 2025 niet is doorgegaan en recent opnieuw is gepland. Indien in een dergelijke situatie de zaak bij een andere rechter wordt aangebracht, is er geen sprake van een rechterswisseling zoals door verzoeker bedoeld. Bovendien geldt ook hiervoor dat deze grond geen betrekking heeft op de rechterlijke onpartijdigheid.
Het derde punt van verzoeker betreft een lopende AVG-beperking. Deze moet en zal ter zitting aan de orde komen. De wrakingskamer kan en mag hierover geen uitspraken doen. Deze grond richt zich bovendien niet tegen de behandelend rechter.
De wrakingskamer overweegt dat er ook overigens geen gronden zijn aangevoerd die de behandelend rechter betreffen.
De wrakingskamer is van oordeel dat het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond is en zal daarom de zaak zonder behandeling ter zitting afdoen, onder verwijzing naar artikel 4, lid 2 aanhef en onder a en e, van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Limburg.
3. De beslissing
De wrakingskamer:
- verklaart het verzoek tot wraking ongegrond.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. Y.J.C.A. Roeffen en
mr. I.R.A. Timmermans-Vermeer, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken op 1 december 2025.