RECHTBANK LIMBURG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 december 2025 in de zaak tussen
[eiser 1] , uit [woonplaats 1] ,
[eiser 2] , uit [woonplaats 2] ,
[eiser 3] , uit [woonplaats 3] ,
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummers: ROE 24/4560, 24/4566 en 25/1137
(gemachtigde: mr. drs. C.R. Jansen),
(gemachtigde: [eiser 2] )
hierna bij naam of gezamenlijk aangeduid als: eisers,
en
(gemachtigde: mr. A. Verkroost).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde-partij] uit [plaats 1] , vergunninghouder
(gemachtigde: mr. R.A.M. Verkoijen).
1. Deze uitspraak gaat over de toekenning van een omgevingsvergunning aan vergunninghouder om een loods te bouwen, waarbij de vergunning tevens ziet op afwijken van het bestemmingsplan voor zover het de bouw- en goothoogte betreft. Eisers zijn het niet eens met de omgevingsvergunning en hebben allen beroep ingesteld. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de omgevingsvergunning.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de verleende omgevingsvergunning rechtmatig is. Wel bevatten de bestreden besluiten een motiveringsgebrek. Dit gebrek is echter door de aanvullende motivering van verweerder hersteld. Aangezien uit deze aanvullende motivering blijkt dat verweerder ook zonder het motiveringsgebrek niet anders zou hebben besloten, passeert de rechtbank dit gebrek. De beroepen zijn daarmee ongegrond en eisers krijgen geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. [derde-partij] heeft op 14 december 2023 een aanvraag ingediend voor de (her)bouw van een loods. Verweerder heeft de daarvoor benodigde omgevingsvergunning bij besluit van 16 mei 2024 verleend. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen deze vergunning, omdat zij toenemende overlast vrezen van het gebruik van de loods. Met de bestreden besluiten van 24 september 2024 op de bezwaren van eisers is verweerder bij de toekenning van de omgevingsvergunning gebleven.
Eisers hebben vervolgens beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. De gemachtigde van vergunninghouder heeft hier op gereageerd.
Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Gelijktijdig met dit verweerschrift heeft verweerder op 9 oktober 2025 de motivering van het bestreden besluit aangevuld. De rechtsgevolgen van de bestreden besluiten worden evenwel in stand gelaten: de omgevingsvergunning wordt gehandhaafd. Verder zijn op 17 oktober nog stukken door verweerder ingediend. Het betreft bijlagen bij de omgevingsvergunning van 16 mei 2024.
De rechtbank heeft de beroepen op 23 oktober 2025 gevoegd op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van [eiser 1] , de gemachtigde van verweerder, vergunninghouder en de gemachtigde van vergunninghouder.
Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van [eiser 1] met toestemming van partijen een aantal foto’s van de actuele feitelijke situatie over gelegd.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 14 december 2023 heeft [derde-partij] een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het (her)bouwen van een loods op het perceel [adres] in [plaats 2] . De loods, die eerder op het perceel stond, is afgebrand. [derde-partij] wilde de loods opnieuw bouwen en daarbij gelijk uitbreiden. Uit het bouwplan bleek dat een hogere bouw- en goothoogte wordt beoogd dan het ter plaatse geldende bestemmingsplan toestaat. Namelijk een bouwhoogte die 0,51 meter hoger is dan toegestaan en een goothoogte die 1 meter hoger is dan toegestaan. Daarmee is de aanvraag tevens een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan.
4. Bij het besluit op aanvraag heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘het gebruiken van gronden in strijd met een bestemmingsplan’. Hij heeft daarbij toepassing gegeven aan de wettelijke mogelijkheid om af te wijken van het bestemmingsplan binnen de daarvoor in het bestemmingsplan gestelde randvoorwaarden (het zogenoemde binnenplans afwijken).
Toetsingskader
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag is door [derde-partij] ingediend op 14 december 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Het toepasselijk kader onder de Wabo en het ter plaatse geldende bestemmingsplan
6. In dit geval behelst de aangevraagde bouwactiviteit een overschrijding van de bouwhoogte en de goothoogte die conform het bestemmingsplan zijn toegestaan. Daarom moet de aanvraag ook getoetst worden aan artikel 2.12 Wabo. Uit dit artikel volgt dat verweerder een belangenafweging moet maken waarbij de ruimtelijke effecten die optreden als gevolg van de vergunde afwijking van het bestemmingsplan moeten worden afgewogen tegen de met de afwijking gediende belangen. De ruimtelijke effecten van hetgeen reeds op grond van het bestemmingsplan is toegestaan, blijven daarbij buiten beschouwing. De achtergrond daarvan is dat het bestemmingsplan zelf al een goede ruimtelijke ordening behelst. Het bevoegd gezag is ook niet gehouden om andere dan ruimtelijke aspecten te betrekken bij de op grond van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo te maken afweging. Verder moet de belangenafweging blijven binnen de randvoorwaarden die het bestemmingsplan zelf bevat. In welke gevallen van de afwijkingsbevoegdheid gebruik kan worden gemaakt, moet namelijk in het bestemmingsplan voldoende duidelijk zijn omschreven.
7. Hoe luidt in dit geval de afwijkingsbevoegdheid in het bestemmingsplan? Op perceel [adres] is het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2011’ van toepassing. In dit bestemmingsplan staan de van toepassing zijnde bouwregels opgenomen, zoals de maximaal toegestane bouw- en goothoogte. Die bedraagt 10 respectievelijk 5,5 meter. Conform het bestemmingsplan mag er afgeweken worden van de bouwregels met betrekking tot bouw- en goothoogte tot maximaal 10%. Afwijkingen mogen echter slechts worden vergund indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken. Maar ook hier geldt: het zijn de ruimtelijke effecten van de afwijking die in de belangenafweging betrokken moet worden, niet van het bouwplan in zijn geheel.
Omvang van het geding
8. Eisers betwisten niet dat de afwijkende bouw- en goothoogte binnen de marges uit artikel 43 van het bestemmingsplan vallen. Het is de conform het bestemmingsplan gemaakte belangenafweging die eisers betwisten. Deze belangenafweging had, indien er zorgvuldig onderzoek was gedaan, volgens eisers ertoe moeten leiden dat er geen vergunning was aangegeven voor de afwijkende hoogtes dan wel dat er aanvullende voorwaarden verbonden hadden moeten worden aan de vergunning om overlast als gevolg van het gebruik van de loods te beperken.
9. Gelet op het hiervoor geschetste toetsingskader, moet enkel de afwijking van 0,51 meter respectievelijk 1 meter en de ruimtelijke effecten van deze afwijkingen beoordeeld worden. De volledige omvang van de loods of het bedrijfsmatig gebruik van de loods zijn geen onderdeel van de besluitvorming en daarmee verband houdende gronden kunnen daarom ook niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden.
Dit geldt ook voor een aantal argumenten die door [eiser 2] , mede namens [eiser 3] , zijn aangedragen. Het betreft dan de bouw van een schutting of muur op het perceel aan de [adres] en de stelling dat er meerdere bedrijven op het perceel staan ingeschreven. Deze argumenten vallen buiten het bestek van de bestreden vergunning en zullen daarom in het navolgende niet worden besproken.
Beroepsgronden
10. De rechtbank heeft de beroepschriften van de afzonderlijke eisers gevoegd beoordeeld, omdat deze in de kern grotendeels overlappen en mede op verzoek van partijen is besloten tot gevoegde behandeling ter zitting. De rechtbank maakt daarom tijdens de hierna volgende bespreking van de verschillende gronden geen onderscheid tussen de verschillende eisers, tenzij een bepaald punt specifiek geldt voor een van de eisende partijen.
Wat zijn de gevolgen van het niet horen van [eiser 2] in de bezwaarfase?
11. Specifiek voor het beroep van [eiser 2] geldt dat hij heeft aangevoerd dat hij niet is gehoord in de bezwaarfase. Hij was verhinderd op de datum van de hoorzitting, maar is ondanks zijn verzoek daartoe niet op een alternatieve datum uitgenodigd. De hoorzitting heeft buiten zijn aanwezigheid plaatsgevonden. Dit is nadien ook door verweerder erkend. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in strijd heeft gehandeld met artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Er was immers geen sprake van een van de uitzonderingen op de hoorplicht. Daarmee kleeft er een gebrek aan de procedure in bezwaar. De rechtbank is echter van oordeel dat dit gebrek in de beroepsprocedure is hersteld, nu [eiser 2] in de gelegenheid is geweest om zijn beroepschrift tijdens de zitting toe te lichten en hier ook gebruik van heeft gemaakt. Daarbij is niet aangevoerd dat het bestreden besluit anders zou hebben geluid, als [eiser 2] wel gehoord zou zijn in de bezwaarfase en de rechtbank is dat ook niet gebleken. Immers, de andere eisers zijn wel gehoord en die hebben in grote lijnen dezelfde bezwaren geuit. Daarom is de rechtbank van oordeel dat [eiser 2] niet is benadeeld doordat hij niet is gehoord in bezwaar en passeert zij dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.
Kon verweerder in redelijkheid toepassing geven aan de mogelijkheid tot binnenplans afwijken?
12. Eisers voeren aan dat verweerder de aangevraagde omgevingsvergunning niet met gebruikmaking van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid had mogen verlenen. Zij betwisten dat de afwijkende hoogtes nodig zijn voor een goede bedrijfsvoering. Het landelijk uitzicht wordt volgens hen teniet gedaan. Daarnaast stellen eisers dat een grotere omvang van de loods ook tot grotere overlast zal leiden doordat de loods intensiever gebruikt zal worden. Dat gaat ten koste van hun woon- en leefklimaat, maar dit is onvoldoende onderzocht en meegewogen door verweerder. De afbreuk aan hun woon- en leefklimaat staat bovendien niet in verhouding tot het bedrijfsbelang dat met de afwijking zou zijn gediend.
13. Verweerder heeft aannemelijk geacht dat de afwijking dienstig is aan de bedrijfsvoering van vergunninghouder nu deze afwijking mogelijk zal maken dat er inpandig kan worden geladen en gelost. Dat moet eventuele overlast voor de buurt beperken. Vervolgens concludeert verweerder dat de aangevraagde afwijking geen strijd met een goede ruimtelijke ordening oplevert noch leidt tot een onevenredige afbreuk aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. De afwijking omvat namelijk een beperkte toename in hoogte en doet daardoor geen afbreuk aan de gebruiksmogelijkheden van de omliggende gronden, die grotendeels de functie ‘agrarisch’ hebben. De bedrijfsbebouwing wordt voorts ruim binnen het toegestane bouwvlak en7,5 meter achter de uiterste bebouwingsgrens aan de [straat] gerealiseerd, waardoor de beperkte toename in hoogte vanuit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar wordt geacht. De gevreesde overlast is geen ruimtelijk aspect als gevolg van de afwijking in hoogte en is daarom niet meegewogen in de besluitvorming.
14. De rechtbank stelt bij haar oordeel over de voorliggende rechtsvraag voorop dat het hiervoor onder 6 en 7 geschetste toetsingskader maakt dat de rechtsvraag concreet ziet op de 0,51 meter, waarin de goothoogte afwijkt en de 1,0 meter, waarin de bouwhoogte afwijkt. Vergunninghouder stelt dat de afwijkingen nodig zijn om de loods geschikt te maken voor het inpandig laden en lossen, zodat eventuele overlast voor omwonenden wordt beperkt. Met verweerder acht de rechtbank dit een zwaarwegend belang. Vervolgens heeft verweerder in het bestreden besluit gesteld dat zij niet aannemelijk achten dat door de (minimale) afwijking en het doel dat met de afwijking wordt nagestreefd onevenredig afbreuk wordt gedaan aan het gebruik van aangrenzende gronden en bouwwerken. In aanvulling op de motivering in het bestreden besluit, heeft verweerder in een aanvullend stuk de gemaakte belangenafweging nader toegelicht en gemotiveerd, zoals hiervoor onder 11 is weergegeven. Daarmee heeft verweerder erkend dat de motivering in het bestreden besluit op dat punt te kort schoot. Dat is de rechtbank met verweerder eens. Zo wordt pas in de aanvullende toelichting concreet toegelicht waarom verweerder meent dat de goede ruimtelijke ordening niet in geding is. Ook wordt in de aanvullende motivering pas concreet gesteld waarom de bezwaren van eisers, die verband houden met de gevreesde overlast door een intensiever gebruik van de loods, niet meegewogen zijn in de belangenafweging. In zoverre kleeft er dus een motiveringsgebrek aan het bestreden besluit.
15. De rechtbank is echter van oordeel dat dit motiveringsgebrek met de aanvullende motivering is hersteld: deze motivering kan het bestreden besluit op het punt van de belangenafweging dragen. Ook blijkt uit deze motivering duidelijk dat verweerder ook zonder het gebrek tot eenzelfde besluit was gekomen. Dat maakt dat eisers niet zijn benadeeld door de gebrekkige motivering nu die is hersteld. Daarom passeert de rechtbank het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.
16. Behalve de zorgen rondom toekomstige overlast van het gebruik van de loods, hebben eisers niet aannemelijk gemaakt welke concrete nadelige gevolgen zij door de vergunde afwijking van 0,5 meter respectievelijk 1 meter zullen ervaren. Voor zover eisers hebben betoogd dat door de afwijking (meer) van hun uitzicht wordt ontnomen, is dit geen belang dat het nodige tegengewicht in de schaal legt. Niemand heeft namelijk een blijvend recht op uitzicht. Voor zover er door de beperkte afwijking van de toegestane bouwhoogtes al sprake is van afbreuk aan de omliggende gronden en bouwwerken van eisers, hebben zij onvoldoende gemotiveerd dat deze afbreuk onevenredig is in verhouding tot het met de afwijking nagestreefde doel qua bedrijfsvoering.
De beroepsgrond slaagt niet.
Had verweerder aanvullende voorwaarden aan de omgevingsvergunning moeten verbinden om de belangen van de omwonenden te beschermen?
17. Eisers stellen dat verweerder in strijd met de zorgvuldigheid heeft gehandeld nu er door verweerder is nagelaten om voorwaarden aan het gebruik van de loods te stellen. Een grotere loods leidt namelijk tot intensiever gebruik en daardoor tot meer overlast.
18. Verweerder stelt hier tegenover dat de gevreesde overlast geen ruimtelijk effect is van de vergunde afwijking en daarom niet aan de orde kan komen in de belangenafweging omtrent de ruimtelijke ordening.
19. De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat met de vergunde afwijking geen onevenredig afbreuk wordt gedaan aan het gebruik van aangrenzende gronden en bouwwerken. Daarmee is er ook geen reden om aanvullende voorwaarden aan de vergunning te verbinden: de goede ruimtelijke ordening is niet in het geding. Daarnaast hecht de rechtbank er aan om op te merken dat de aanvullende voorwaarden die eisers wensen ook geen verband houden met de thans verleende omgevingsvergunning. De gewenste voorwaarden dienen namelijk ter bescherming tegen mogelijke overlast van het gebruik van de loods en dat is niet waar de omgevingsvergunning op ziet.
Deze beroepsgrond slaagt evenmin.
Conclusie en gevolgen
20. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning voor de loods rechtmatig is verleend en in stand kan blijven. Omdat aan de bestreden besluiten gebreken kleven die door de rechtbank zijn gepasseerd, veroordeelt de rechtbank in de proceskosten. De proceskosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. De gemachtigde van [eiser 1] heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen (2 punten). De wegingsfactor is 1. Aan proceskosten in beroep is het college aan [eiser 1] dan ook een bedrag verschuldigd van € 1.814,00. Voor de overige eisers is niet gebleken van proceskosten die vergoed kunnen worden. Verder draagt de rechtbank verweerder op om aan eisers het griffierecht te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.E.J. Maas, rechter,
in aanwezigheid van N.I.W. Smeets, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 2 december 2025
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 2 december 2025
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.