RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/346980 / KG ZA 25-432
Schriftelijke uitwerking van het kop-staart-vonnis in kort geding van 18 november 2025
in de zaak van
[eiseres] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiseres,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. T. Kahya-Ekinci,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] , thans feitelijk verblijvende te [plaats] ,
gedaagde,
hierna te noemen: de man,
verschenen in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 november 2025 met de producties 1 tot en met 8,
- het verzoek van de man van 17 november 2025 tot aanhouding van het kort geding,
- het bezwaar van de vrouw van 17 november 2025 tegen de aanhouding van de procedure,
- het bericht van de griffie met de mededeling dat de mondelinge behandeling op de geplande datum doorgang zal vinden,
- de ongenummerde producties van de vrouw van 17 november 2025 betreffende WhatsApp-correspondentie van de vrouw met Buurtteams Heerlen, een bankafschrift, en een brief van Veilig Thuis,
- de mondelinge behandeling van 18 november 2025.
In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 18 november het kop-staart-vonnis uitgesproken. Dit is de schriftelijke uitwerking daarvan.
2. De feiten
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
Tijdens de relatie hebben partijen de woning aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: “de woning”) gezamenlijk aangekocht. Partijen zijn ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van de woning.
De vrouw heeft op 20 oktober 2025 de politie gebeld vanwege een geweldsincident met de man. Naar aanleiding van deze melding is de man aangehouden door de politie. Op 21 oktober 2025 heeft de vrouw aangifte gedaan tegen de man van mishandeling. Er is eveneens melding gemaakt bij de instantie Veilig Thuis.
Naar aanleiding van de op 21 oktober 2025 uitgevoerde Risicotaxatie Huiselijk Geweld (hierna: de risicotaxatie), is bij beschikking van de burgemeester van de gemeente Heerlen een huisverbod aan de man opgelegd geldend vanaf 21 oktober 2025 13:45 uur voor een periode van tien dagen. Het huisverbod is hierna nog eenmaal verlengd tot 18 november 2025 13:45 uur.
De vrouw woont momenteel nog steeds in de woning. De man huurt thans woonruimte in [plaats] .
3. Het geschil
De vrouw vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. aan de vrouw het uitsluitend gebruik van de gezamenlijke woning zal toekennen voor de duur van minstens één jaar, althans voor een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, zulks totdat zij financieel in staat is het aandeel van de man in de woning over te nemen en volledige eigendom van de woning te verkrijgen;
II. de man zal bevelen om de woning aan de [adres] [woonplaats] niet te betreden daarin aanwezig te zijn en/of zich daarbij op te houden, voor de duur van minstens één jaar, althans voor een in goede justitie te bepalen duur;
III. de man zal verbieden om vanaf 18 november 2025 althans vanaf de betekening van dit vonnis direct of indirect op enige wijze contact op te nemen met de vrouw en in de buurt van de vrouw te komen en/of binnen een straal van 50 meter van de vrouw te komen;
IV. bij de veroordeling onder II en III zal bepalen dat bij niet-nakoming hiervan de man aan de vrouw een dwangsom zal verbeuren van € 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan waarop de man in gebreke mocht blijven aan de veroordeling te voldoen;
Met veroordeling van de man in de kosten van dit geding.
De man voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Het spoedeisend belang
Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de vorderingen.
Het uitsluitend gebruik van de gezamenlijke woning
De vrouw vordert het uitsluitend gebruik van de gezamenlijke woning voor de duur van één jaar, zulks totdat zij financieel in staat is het aandeel van de man in de woning over te nemen.
Vooropgesteld wordt het volgende. Omdat partijen ieder voor de helft eigenaar zijn van de woning, zijn zij beiden gerechtigd de woning te gebruiken. Artikel 3:168 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat de deelgenoten het genot, het gebruik en het beheer van gemeenschappelijke goederen bij overeenkomst kunnen regelen. Voor zover een overeenkomst ontbreekt, kan de kantonrechter op verzoek van de meest gerede partij een zodanige regeling treffen. Hij houdt daarbij naar billijkheid rekening zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang. Een dergelijke regeling kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook in kort geding worden getroffen, mits aan de voorwaarden voor het treffen van een voorlopige maatregel, zoals het aanwezig zijn van een spoedeisend belang, is voldaan. Hiervoor is reeds geoordeeld dat daarvan sprake is.
De vrouw heeft gesteld dat ze zich zeer onveilig voelt in de woning, wanneer ze daar met de man samen is. De vrouw verzoekt om in de woning te kunnen blijven, omdat ze op dit moment geen andere plek heeft om naar uit te wijken. Een vrouwenopvanghuis zou volgens haar de enige optie zijn. Voorts heeft de vrouw gesteld dat de woning belangrijk is voor haar en dat ze graag wil onderzoeken of zij het aandeel van de man in de woning kan overnemen. Bovendien zou een verhuizing zeer belastend zijn wegens haar medische situatie, aldus de vrouw.
De man heeft op zijn beurt betwist dat hij de vrouw zou hebben mishandeld. Voorts heeft hij aangevoerd dat de woning zo snel mogelijk verkocht moet worden aan een derde. Hij wenst deze fase van zijn leven af te sluiten en dat kan volgens hem alleen als de woning verkocht wordt. Hij had met de vrouw afgesproken om de woning in twee aparte woongedeelten te splitsen, maar dat de vrouw komt daar nu eenzijdig op terug, nu zij hem uit de woning wil zetten, aldus de man.
Het is de voorzieningenrechter duidelijk dat de relatie tussen partijen is geëindigd en dat de verhouding tussen hen dermate getroebleerd is dat zij niet langer samen in de woning kunnen verblijven. Dit valt af te leiden uit de risicotaxatie, waarin onder meer het volgende is opgenomen: “[eiseres] (de vrouw) geeft aan dat hij haar inderdaad dreigde met mishandeling. Hij wenst haar wel dood maar dreigde daarmee niet, Gisteren dreigde hij ook met een smeermes haar neer te steken. [gedaagde] (de man) geeft aan dat het mes alleen maar was om de deur te openen” en “[eiseres] is heel blij als [gedaagde] een Huisverbod krijgt. De relatie is voor haar definitief beëindigd. [gedaagde] geeft aan dat het een goed Idee is om hem een Huisverbod te geven. Er is teveel ruzie.”.
Bij beantwoording van de vraag wie met uitsluiting van de ander voorlopig in de woning zal mogen blijven, gaat het om een belangenafweging. Daarbij moeten alle omstandigheden van het geval worden meegewogen. De voorzieningenrechter acht in dit geval van doorslaggevende betekenis dat de vrouw geen andere woonruimte tot haar beschikking heeft en, zoals zij ter zitting heeft toegelicht, bij afwijzing van haar vordering hoogstwaarschijnlijk in een vrouwenopvanghuis zal moeten verblijven, terwijl de man momenteel woonruimte huurt in [plaats] . Reeds om die reden is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van de vrouw, om voorlopig alleen in de woning te kunnen blijven wonen, zwaarder weegt dan dat van de man. Bovendien worden op deze manier onnodige extra verhuisbewegingen voorkomen, indien blijkt dat de vrouw de woning inderdaad kan overnemen.
Wat betreft de gevorderde termijn van één jaar voor het uitsluitend gebruik van de woning door de vrouw, ziet de voorzieningenrechter aanleiding deze termijn te verkorten. De voorzieningenrechter begrijpt dat de vrouw tijd nodig heeft om te onderzoeken of zij het aandeel van de man in de woning kan overnemen. Partijen zijn er echter bij gebaat dat er op zo kort mogelijke termijn duidelijkheid komt over de vraag of de vrouw het aandeel van de man in de woning kan overnemen of – indien dat niet mogelijk zou zijn – dat de woning eventueel aan een derde moet worden verkocht. Ter zitting heeft de vrouw verklaard dat zij, gelet op haar gezondheidssituatie, in staat is om vanaf 1 januari 2026 weer te werken. Het komt voor de voorzieningenrechter voor dat de vrouw vrij kort nadien duidelijkheid zou moeten kunnen hebben over de vraag of ze het aandeel van de man in de woning kan overnemen. Om die reden is de gevorderde termijn van één jaar te lang en zal de voorzieningenrechter deze termijn verkorten tot zes maanden na heden.
De conclusie is dat de voorzieningenrechter het uitsluitend gebruik van de woning voor een periode van zes maanden zal toewijzen aan de vrouw.
Inzake het straat- en contactverbod
Aangezien een straat- en contactverbod inbreuk maakt op het recht om vrijelijk te communiceren en zich vrijelijk te verplaatsen, stelt de voorzieningenrechter voorop dat toewijzing van dergelijke verboden pas aan de orde is, indien sprake is van in hoge mate aannemelijke feiten en omstandigheden die een dergelijke inbreuk kunnen rechtvaardigen. Er moet in ieder geval een reële dreiging bestaan van toekomstig onrechtmatig handelen van de man tegenover de vrouw. Bij de beantwoording van de vraag of de verboden gerechtvaardigd zijn, moeten alle omstandigheden van het geval alsmede de belangen van partijen in acht worden genomen.
Ter onderbouwing van haar vordering heeft de vrouw gesteld dat de verboden nodig zijn gelet op het geweld dat de man haar heeft aangedaan. Ze voelt zich onveilig en wil niet dat de man in haar buurt komt of contact met haar zoekt. De vrouw heeft ter zitting gesteld dat de man zeer impulsief en onvoorspelbaar is. Bovendien stelt de vrouw dat uit politieonderzoek is gebleken dat de man jegens zijn voormalige partner eveneens gewelddadig is geweest. Dat de man nog steeds contact met haar zoekt onderbouwt de vrouw met een bankoverschrijving, waaruit volgt dat de man via de betalingsomschrijving contact met haar heeft proberen te zoeken.
De man heeft ter zitting slechts betwist dat hij de vrouw mishandeld zou hebben.
Gelet op deze blote betwisting heeft de vrouw naar oordeel van de voorzieningenrechter aannemelijk gemaakt dat een reële dreiging bestaat van toekomstig onrechtmatig handelen van de man. De voorzieningenrechter weegt hierbij mee dat de burgemeester naar aanleiding van de risicotaxatie een huisverbod aan de man heeft opgelegd en dit huisverbod tevens heeft verlengd. Uit de verlenging van het huisverbod blijkt het volgende: “Er is nu nog onvoldoende zicht op de toekomstplannen van beiden en deze lijken nu niet op een lijn te liggen. Het gegeven dat beiden in hun gezamenlijke koopwoning gaan verblijven na afloop van het huisverbod en het feit dat achterblijver aangeeft dat uithuisgeplaatste het niet accepteert dat de relatie verbroken is en het gezamenlijke huis dus niet aangehouden kan worden door uithuisgeplaatste, maakt de kans op herhaling van huiselijk geweld aannemelijk. Ook de geschiedenis die zich voor uithuisgeplaatste lijkt te herhalen (in het feit dat hij zijn koopwoning zal moeten verkopen) zorgt voor onveiligheid.”.
De man heeft voorts geen redenen of belangen genoemd die in de weg staan aan toewijzing van het gevorderde straat- of contactverbod. Het argument van de man dat hij voor werk mogelijk projecten in [woonplaats] zal moeten uitvoeren is onvoldoende concreet om het gevorderde straatverbod rondom de woning af te wijzen dan wel te beperken. In dat licht rechtvaardigen voornoemde feiten en omstandigheden een inbreuk op het recht van de man om zich vrijelijk te verplaatsen en vrijelijk te communiceren door middel van het gevorderde straat- en contactverbod. Het straat- en contactverbod zullen beiden worden toegewezen met inachtneming van de navolgende kanttekeningen.
Ter verduidelijking van het gevorderde onderdeel van het straatverbod onder II dat de man ‘zich niet bij de woning mag ophouden’, zal de voorzieningenrechter bepalen dat de man zich niet binnen een straal van 50 meter van de woning mag ophouden.
Het onderdeel van het gevorderde straatverbod onder III dat de man ‘niet binnen een straal van 50 meter van de vrouw mag komen’, acht de voorzieningenrechter te onbepaald. Een straatverbod binnen een straal van 50 meter van de vrouw zal in de praktijk handhavingsproblemen veroorzaken, nu de man niet steeds zal weten waar de vrouw zich bevindt. Gelet op die mogelijke executieproblemen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om dit deel van de vordering onder III af te wijzen.
Het gevorderde contactverbod onder III zal in die zin worden beperkt dat contact via de advocaat van de vrouw mogelijk moet zijn in het kader van de verdeling van de woning van partijen, althans de (eventuele) verkoop aan een derde. Partijen zullen het gesprek met elkaar daarover moeten aangaan, zodat indirect contact via advocaten mogelijk moet zijn.
De vrouw heeft een termijn van één jaar verbonden aan de door haar gevorderde verboden. In lijn met hetgeen hiervoor is geoordeeld inzake het uitsluitend gebruik van de woning zal de voorzieningenrechter deze verboden ook voor de duur van zes maanden opleggen. De voorzieningenrechter verwacht dat tegen die tijd meer duidelijkheid over de overname of verkoop van de woning zal bestaan en dat partijen hopelijk in een rustiger vaarwater terecht zullen zijn gekomen.
De vrouw vordert dat de man wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom indien hij het straat- of contactverbod overtreedt. De man heeft ter zitting verklaard dat hij de vrouw niet zal benaderen en uit haar buurt zal blijven. Ondanks die mededeling acht de voorzieningenrechter het geboden om toch een dwangsom aan de veroordeling te verbinden, zij het dat de dwangsommen zullen worden gematigd en gemaximeerd als in de beslissing vermeld.
Proceskosten
Hoewel de vrouw heeft verzocht om de man in de kosten te veroordelen, worden die kosten, gelet op de affectieve relatie die partijen met elkaar hebben gehad, gecompenseerd, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
kent aan de vrouw het uitsluitend gebruik van de gezamenlijke woning aan de [adres] te [woonplaats] toe voor de duur van zes maanden na heden,
verbiedt de man om de woning aan de [adres] te [woonplaats] te betreden, daarin aanwezig te zijn en/of zich binnen een straal van 50 meter daarvan op te houden, voor de duur van zes maanden na heden,
verbiedt de man gedurende zes maanden na heden – anders dan via de advocaat van de vrouw – persoonlijk, schriftelijk en/of telefonisch contact op te nemen met de vrouw,
bepaalt dat de man een dwangsom zal verbeuren van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de in 5.2. en/of 5.3. uitgesproken veroordeling(en) voldoet, tot een maximum van in totaal € 10.000,00 is bereikt,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. V.E.J. Noelmans en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2025 en aangevuld met de feiten en de motivering, waarop de gegeven beslissing steunt op 2 december 2025.
DS