ECLI:NL:RBLIM:2025:11985

ECLI:NL:RBLIM:2025:11985, Rechtbank Limburg, 04-12-2025, C/03/344630 KG ZA 25-317

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 04-12-2025
Datum publicatie 19-12-2025
Zaaknummer C/03/344630 KG ZA 25-317
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Maastricht

Samenvatting

Burgerlijk Recht, Handel, Kort geding (conventie en reconventie). De vorderingen van de vrouw in conventie, tot medewerking van de man aan de verkoop en levering van de woning, worden afgewezen. Vrouw moet inning van dwangsommen staken.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: C/03/344630 / KG ZA 25-317

Vonnis in kort geding van 4 december 2025

in de zaak van

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie] ,

te [woonplaats] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. R. Engwegen,

tegen

[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] ,

te [woonplaats] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. J.E.A. Hendrix.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in kort geding van 20 augustus 2025, met de producties 1 t/m 8,

- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met de producties 1 en 2,

- de mondelinge behandeling van 6 november 2025,

- de aanhouding ten behoeve van partijen, ter beproeving van een regeling,

- de berichten aan de griffier op 20 november 2025, waarbij partijen vonnis hebben gevraagd.

2. De feiten

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, die in 2019 is beëindigd.Partijen hebben gezamenlijk in eigendom een woning te [woonplaats] , aan het adres [adres] (hierna: de woning). De man is na de beëindiging van de relatie in de woning blijven wonen. De vrouw woont sedertdien met de zoon van partijen elders.

De vrouw heeft de man gedagvaard in de bodemprocedure met zaaknummer C/03/321619 / HA ZA 23-385. De mondelinge behandeling in die procedure heeft plaatsgevonden op 11 maart 2024. In het proces-verbaal van die mondelinge behandeling is de volgende overeenkomst tussen partijen opgenomen:

1. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] krijgt de woning aan de [adres] te [woonplaats] toegedeeld tegen vergoeding van de overbedeling ten bedrage van € 27.500,00. Daarvoor zal [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] de hypotheek overnemen althans ervoor zorgdragen dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de bestaande geldlening, uiterlijk op 11 juni 2024, op welke datum ook uiterlijk de levering moet plaatsvinden.

2. Indien [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] de woning niet conform het hiervoor bepaalde kan overnemen, zal de woning te koop worden gezet bij makelaar [naam makelaar 1] , waaraan beide partijen volledige medewerking zullen verlenen.

3. Bij verkoop van de woning aan een derde zal de overwaarde bij helfte worden verdeeld.

4. Tot het moment dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] is ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid blijft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] de hypotheek en de overige aan de woning verbonden lasten doorbetalen.

De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de man de bovenstaande afspraken niet is nagekomen, waarna de vrouw de man opnieuw heeft gedagvaard, nu in kort geding (zaaknummer C/03/333328 / KG ZA 24-271). In dit kort geding heeft de voorzieningenrechter op 26 september 2024 vonnis gewezen en onder andere beslist:

veroordeelt [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] om – binnen zes weken na betekening van dit vonnis – zijn medewerking te verlenen aan de onderhandse verkoop van de woning, staande en gelegen te [woonplaats] aan het adres [adres] , waarbij onder verkoop moet worden begrepen het aanstellen van [naam makelaar 1] als makelaar, het toelaten van deze makelaar en gegadigden voor bezichtigingen tot de woning, het ondertekenen van de verkoopopdracht aan de makelaar en het ondertekenen van de koopovereenkomst met de koper,

veroordeelt [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] om – binnen vier weken nadat de koopovereenkomst is getekend – zijn medewerking te verlenen aan het ondertekenen van de notariële leveringsakte,

bepaalt dat [naam makelaar 1] bindend de vraag- en laatprijs van de woning zal bepalen, indien partijen hierover geen overeenstemming bereiken binnen genoemde termijn van zes weken,

bepaalt dat, indien [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] niet aan de veroordelingen onder 5.1 en 5.2 van dit vonnis voldoet, dit vonnis in de plaats treedt van zijn handtekening op:

- de verkoopopdracht aan de makelaar [naam makelaar 1] ;

- de koopovereenkomst voor de minimaal door de makelaar geadviseerde laatprijs;

- de notariële leveringsakte,

bepaalt dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] een dwangsom verbeurt van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte hiervan dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] de makelaar en gegadigden voor bezichtigingen niet tot de woning toelaat, tot een maximum aan eventueel te verbeuren dwangsommen van € 20.000,- is bereikt,

bepaalt dat met de verkoopopbrengst van de woning de hypothecaire geldlening wordt afgelost, waarbij de waarde van de spaargroeiverzekering gekoppeld aan de spaargroeihypotheek op de hypothecaire geldlening in mindering wordt gebracht, waarna de overwaarde tussen partijen bij helfte zal worden verdeeld.

Op verzoek van de vrouw heeft de deurwaarder op 8 oktober 2024 het vonnis van 26 september 2024 aan de man betekend. De deurwaarder heeft daarbij bevel gedaan om binnen zes weken na 8 oktober 2024 aan de beslissingen onder 5.1 en 5.2 (zie rov. 2.3.) te voldoen.

Makelaar [naam makelaar 1] heeft partijen bij e-mail van 12 november 2024 bericht dat hij verwacht dat de woning een marktwaarde tussen de € 220.000,- en € 250.000,-

vertegenwoordigt. Ook heeft hij partijen meegedeeld dat hij de woning bij nader inzien niet zelf in de verkoop wil nemen. Hij heeft als makelaar geadviseerd [naam makelaar 2] (hierna: [naam makelaar 2] ) van [naam bedrijf 1] . [naam makelaar 2] was bekend met de woning uit hoofde van een eerder door de man gedane taxatieopdracht en had de woning toen, per 7 juni 2024, getaxeerd op € 230.000,-.

De advocaat van de vrouw heeft bij e-mail van 9 december 2024 de toenmalige advocaat van de man – onder andere – bericht dat de man niet voldoet aan het vonnis van26 september 2024, omdat hij niet binnen de gestelde termijn zijn medewerking heeft verleend aan de verkoop van de woning, nu niet binnen de gestelde termijn de makelaar is aangesteld en de bemiddelingsopdracht is ondertekend.

De toenmalige advocaat van de man heeft, bij e-mail van 12 december 2024, aan de advocaat van de vrouw laten weten dat de man een afspraak heeft met [naam makelaar 2] op dinsdag 17 december 2024 om 16 uur.

[naam makelaar 2] heeft de woning tot op heden niet in de verkoop genomen.

De man heeft op 9 oktober 2025 per e-mail een – door hem uitgelokt – bod op de woning ontvangen voor een bedrag van € 245.000,- k.k. Het bod werd gedaan door de heer [naam] , namens [naam bedrijf 2] te [vestigingsplaats] . Het bod werd gedaan zonder (financierings)voorbehoud en was geldig tot en met 17 oktober 2025.

3. Het geschil

in conventie

De vrouw vordert – samengevat – dat de voorzieningenrechter:

I. de man zal veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis zijn medewerking te verlenen aan de onderhandse verkoop en levering van de woning, staande en gelegen te [woonplaats] aan de [adres] , via een door de kopende partij aan te wijzen notaris, waarbij onder verkoop mede moet worden begrepen het aanstellen van een door de vrouw aan te wijzen makelaar, het toelaten van deze makelaar en gegadigden voor bezichtigingen tot de woning, het verlaten van de woning op het moment dat de door de vrouw in te schakelen makelaar met eventuele gegadigden de woning wil betreden voor een bezichtiging, het voorafgaand aan een bezichtiging toonbaar achterlaten van de woning en het ondertekenen van de verkoopopdracht aan de door de vrouw aangewezen makelaar, de koopovereenkomst en de notariële leveringsakte door de man;

II. zal bepalen dat de door de vrouw aan te wijzen makelaar de vraag- en laatprijs van de woning zal bepalen;

III. zal bepalen dat, indien de man niet binnen twee dagen na betekening van dit vonnis zijn medewerking als bedoeld onder I heeft verleend, dit vonnis in de plaats treedt van zijn handtekening op:

- de verkoopopdracht aan de door de vrouw aan te wijzen makelaar;

- de koopovereenkomst voor de minimaal door de vrouw aan te wijzen makelaar geadviseerde laatprijs;

- de notariële leveringsakte;

IV. zal bepalen dat de man een dwangsom verbeurt van € 10.000,00 met een maximum van € 500.000,00, voor iedere dag of gedeelte hiervan dat hij de makelaar en gegadigden voor bezichtigingen niet tot de woning toelaat, hij de woning niet verlaat op het moment dat de door de vrouw in te schakelen makelaar met eventuele gegadigden de woning wil betreden voor een bezichtiging en hij voorafgaand aan een bezichtiging de woning niet toonbaar heeft achtergelaten;

V. de man zal gebieden de door de vrouw ingeschakelde makelaar, evenals de vrouw, de toegang tot de woning te verschaffen in het kader van het verkooptraject, zulks middels inschakeling van een deurwaarder en met machtiging om de betreffende beslissing ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie;

VI. zal bepalen dat met de verkoopopbrengst de hypothecaire geldlening wordt afgelost, waarbij de waarde van de spaargroeiverzekering gekoppeld aan de spaargroeihypotheek op de hypothecaire geldlening in mindering wordt gebracht, waarna de overwaarde tussen partijen bij helfte zal worden verdeeld;

VII. de man zal veroordelen in de kosten van deze procedure.

De vrouw stelt ter onderbouwing van haar vorderingen – samengevat en voor zover hier van belang – dat de man iedere medewerking aan het verkooptraject inzake de woning, ook door een nieuwe makelaar, weigert. Volgens de vrouw heeft zij een spoedeisend belang bij toewijzing van de gevorderde voorzieningen. Partijen verblijven immers nog steeds in onverdeeldheid, terwijl de man op grond van de afspraken tussen partijen van 11 maart 2024 en uit hoofde van het vonnis van 26 september 2024 gehouden was (en is) om zijn medewerking aan het traject van verkoop en levering van de woning te verlenen.Doordat de bij vonnis van 26 september 2024 bepaalde makelaar [naam makelaar 1] aan partijen heeft laten weten het verkooptraject niet te zullen begeleiden, kan de verkoop en levering zoals bevolen in dat vonnis niet langer worden afgedwongen en heeft de vrouw, mede gelet hierop, de (in dit kort geding ruimer dan voorheen geformuleerde) vorderingen I tot en met V jegens de man ingesteld.Voor wat betreft de gevorderde dwangsom stelt de vrouw dat de in het vonnis van 26 september 2024 bepaalde dwangsom van € 20.000,00 al door de man is verbeurd en thans wordt geïnd door middel van loonbeslag ten laste van de man. Die dwangsom heeft echter niet het beoogde effect gehad, aangezien de man nog steeds iedere medewerking aan de verkoop van de woning via een makelaar en de levering ervan weigert. Gelet op deze opstelling van de man is dan ook een zwaardere prikkel (vordering IV) nodig, om de man te dwingen alsnog zijn medewerking te verlenen, aldus de vrouw.Ook is gelet op die houding van de man voldoende redenen om hem, in afwijking van de hoofdregel, te veroordelen in de proceskosten.

De man voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw.

in reconventie

De man vordert – mede gelet op de toelichting op vordering I zoals tijdens de mondelinge behandeling gegeven, samengevat – dat de voorzieningenrechter:

I. de vrouw verplicht binnen een week na dit vonnis haar medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan [naam bedrijf 2] , dan wel een andere gegadigde die voor de woning een boven de door [naam bedrijf 1] getaxeerde waarde biedt, waarbij dit vonnis, bij gebrek aan medewerking door de vrouw in de plaats van haar handtekening onder de koopovereenkomst zal treden;

II. de vrouw verplicht om binnen vier weken nadat de koopovereenkomst is getekend haar medewerking te verlenen aan het ondertekenen van de notariële leveringsakte, waarbij tevens wordt bepaald dat indien de vrouw haar medewerking niet verleent, dit vonnis in de plaats zal treden van haar handtekening;

III. de vrouw beveelt de inning van de dwangsommen te staken en gestaakt te houden en wel binnen twee dagen na dit vonnis;

IV. de vrouw verplicht tot terugbetaling van al hetgeen zij tot op heden heeft geïncasseerd in het kader van de executie van de niet verbeurde dwangsommen al dan niet via het beslag, alsook terugbetaling van de kosten van de betekening en de geïnde rente en alle andere verdere gerechts- en executiekosten, waaronder de kosten van het beslag. Voor zover de vrouw bij de uitbetaling van de verkoopopbrengst na verdeling niet (volledig) tot terugbetaling is overgegaan, te bepalen dat het restant in mindering wordt gebracht op haar aandeel in de overwaarde van de woning en aan de man dient te worden voldaan;

V. de vrouw verplicht medewerking te verlenen aan de verdeling van de overwaarde waarbij de door de man betaalde aanwas van de spaargroeiverzekering na april 2019 bij helfte op haar aandeel in de overwaarde in mindering zal strekken;

VI. primair: de vrouw te veroordelen tot vergoeding van de daadwerkelijk door de man

gemaakte proceskosten, hoogte P.M., aan de zijde van de man gerezen in het kader

van dit kort geding, vermeerderd met de door hem betaalde griffierechten;

subsidiair: de vrouw te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten conform het

liquidatietarief, vermeerderd met de door hem betaalde griffierechten.

De man stelt ter onderbouwing van zijn vorderingen – samengevat en voor zover hier van belang – het volgende.

Hij heeft een koper voor de woning gevonden, die een heel redelijk (boven de taxatie door [naam makelaar 2] gelegen) bod van € 245.000,- heeft uitgebracht. De vrouw wil echter niet aan de verkoop en levering van de woning aan die koper meewerken.

De man stelt voorts dat hij de dwangsommen, als bepaald bij de beslissing 5.5 van het vonnis van 24 september 2024, niet heeft verbeurd en dat de inning door de vrouw van die dwangsommen door loonbeslag ten laste van de man onrechtmatig is. De vrouw wist al op 12 november 2024 dat het vonnis van 24 september 2024 niet (meer) kon worden uitgevoerd, aangezien de makelaar [naam makelaar 1] al op 12 november 2024 de vrouw had bericht dat hij de woning niet in de verkoop zou nemen. De per 19 november 2024 aangezegde dwangsommen zijn dan ook niet verbeurd en de vrouw moet de inning ervan staken en de reeds geïnde bedragen retourneren.

De man stelt tot slot dat de vrouw na de verkoop van de woning op de door de man gevorderde wijze moet meewerken aan de verdeling van de overwaarde van de woning conform het onder V gevorderde.Gelet op de opstelling van de vrouw is er alle reden om haar te veroordelen in de daadwerkelijk door de man gemaakte proceskosten.

De vrouw voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de man, met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.

in conventie en reconventie

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en in reconventie

Het gaat hier, zowel in conventie als in reconventie, om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of de vrouw respectievelijk de man ten tijde van dit vonnis bij die voorzieningen een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat, vooruitlopend daarop, toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering, zoals door het horen van getuigen.

Het spoedeisend belang in conventie en reconventie volgt uit de aard van de zaak, in die zin dat partijen ter zake de woning al sinds 2019 in onverdeeldheid verblijven, niet tegenstaande de sindsdien gevoerde procedures en de in dat kader getroffen regeling respectievelijk genomen rechterlijke beslissing.

verder in conventie

De vrouw kan worden gevolgd in haar standpunt dat het thans niet (meer) mogelijk is om de medewerking van de man aan de door de vrouw beoogde verkoop en levering van de woning af te dwingen op basis van de beslissingen in het vonnis van 26 september 2024 (zie rov. 2.3.). Daarin is enkel sprake van (als zodanig onmisbare) verkoopbemiddeling door makelaar [naam makelaar 1] , terwijl tussen partijen vaststaat dat [naam makelaar 1] heeft geweigerd om de verkoopbemiddeling op zich te nemen en partijen heeft doorverwezen naar [naam makelaar 2] (zie rov. 2.5.).De vrouw kan daarentegen niet worden gevolgd in haar standpunt dat de man nog steeds niet wil meewerken aan de verkoop van de woning aan een derde. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling onweersproken gesteld dat hij niet alleen in december 2024 een afspraak had met [naam makelaar 2] (zie rov. 2.7.), maar dat hij die afspraak ook is nagekomen en dat hij sindsdien verschillende keren contact heeft gehad met [naam makelaar 2] . Daarnaast heeft de man gesteld en onderbouwd dat hij zelf op zoek is gegaan naar een koper voor de woning. Volgens de man heeft hij die ook gevonden, zodat de inschakeling van [naam makelaar 2] of een andere makelaar niet langer nodig is (zie rov. 2.9.). De vrouw kan evenmin worden gevolgd in haar standpunt dat zij het recht had om jegens de man aanspraak te maken op betaling van de dwangsommen zoals opgelegd in het vonnis van 26 september 2024. Zoals eerder bleek, stelt de vrouw zich zelf op het standpunt dat de beslissingen in dit vonnis geheel zijn toegesneden op verkoopbemiddeling door [naam makelaar 1] (welk standpunt wordt gedeeld door de man). Dan valt niet in te zien waarom de beslissing onder 5.5. in genoemd vonnis zou zien, zoals zijdens de vrouw is gesteld tijdens de mondelinge behandeling, op de toelating tot de woning van [naam makelaar 1] en iedere andere door de vrouw in plaats van [naam makelaar 1] aangezochte makelaar (daaronder begrepen [naam makelaar 2] ). Dit door de vrouw ingenomen standpunt heeft zij niet deugdelijk weten te onderbouwen. In verband daarmee heef de vrouw ook niet de stelling van de man weten te weerleggen dat zij op 12 november 2024 wist dat [naam makelaar 1] de woning niet in de verkoop zou nemen terwijl de stappen tot inning van de dwangsommen pas daarna zijn gezet.

Het voorgaande samenvattend kan:(1) niet worden vastgesteld dat de omstandigheid dat het verkooptraject van de woning via een makelaar nog steeds niet is gestart, alleen of in hoofdzaak is te wijten aan onvoldoende medewerking door de man,(2) wel worden vastgesteld dat de vrouw op tot op heden niet deugdelijk onderbouwde wijze gebruik maakt van de beslissingen in het vonnis van 26 september 2024 om ten laste van de man dwangsommen te innen.

Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de vrouw, zoals door haar gevorderd onder I tot en met V, de bevoegdheid te geven om met grote zelfstandigheid, en desnoods tegen de wil van de man, de woning via een makelaar te verkopen en te leveren aan een derde.De vorderingen onder I. tot en met V. zullen daarom worden afgewezen.

Uit het door de man gestelde ter onderbouwing van zijn reconventionele vordering onder V. volgt dat hij het niet eens is met de vordering onder VI. van de vrouw, die neerkomt op een verdeling van de netto-overwaarde van de woning bij helfte. De vrouw heeft haar verdelingsvordering daarop niet nader onderbouwd. De voorzieningenrechter ziet daarin aanleiding om ook de vordering onder VI. af te wijzen.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

verder in reconventie

De man stelt zich, zoals is gebleken, op het standpunt dat de woning dient te worden verkocht en geleverd aan [naam bedrijf 2] te [vestigingsplaats] . Volgens de man zijn de geboden koopprijs en de andere gestelde voorwaarden gunstig en daarmee ook in het voordeel van de vrouw. De vrouw heeft het door de man gestelde gemotiveerd betwist.De voorzieningenrechter zal de gegrondheid van het over en weer gestelde verder in het midden laten, omdat ook de man erkent dat thans geen geldig bod van de door hem beoogde koper voorligt en omdat tijdens de mondelinge behandeling zijdens de man niet is gesteld en onderbouwd dat [naam bedrijf 2] haar bod zal vernieuwen en op welke wijze dat zal geschieden. Daardoor is geheel onzeker wat de verkoop en levering aan [naam bedrijf 2] zal inhouden. Dit geldt des te meer voor verkoop en levering aan ‘een andere gegadigde die voor de woning een boven de door [naam bedrijf 1] getaxeerde waarde biedt’. Daar komt bij dat de door de man overgelegde taxatie van [naam makelaar 2] /- [naam bedrijf 1] te oud is om op basis daarvan een reële, actuele, laatprijs voor de woning vast te stellen. De vorderingen onder I. en II. zullen daarom worden afgewezen.

De vordering onder III. zal daarentegen worden toegewezen. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar hetgeen werd overwogen en beslist inrov. 4.3., laatste alinea.

De vordering onder IV. is niet zonder grond; dat is in het voorgaande gebleken. De vordering is echter te onbepaald om haar thans toe te wijzen, des te meer omdat waar het betreft de toewijzing van geldvorderingen in kort geding enige terughoudendheid op zijn plaats is. De vordering onder IV. zal daarom worden afgewezen.

Hetzelfde zal gebeuren met de vordering onder V., die, los van de onderbouwing ervan, te onbepaald is om thans, in kort geding, te kunnen worden toegewezen.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

wijst af het gevorderde,

compenseert de kosten in conventie van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in reconventie

beveelt de vrouw de inning van de dwangsommen binnen twee dagen na dit vonnis te staken en daarna gestaakt te houden,

verklaart dit vonnisten aanzien van de beslissing onder 5.3. uitvoerbaar bij voorraad,

compenseert de kosten in reconventie van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Beurskens en in het openbaar uitgesproken.

CM

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?