RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/346037 / KG ZA 25-380
Vonnis in kort geding van 9 december 2025
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. W.J.F. Geertsen,
tegen
1. PRORAIL B.V.,
2. RAILINFRATRUST B.V.,
gevestigd te Utrecht,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: ProRail,
advocaten: mr. R.M.F. Martinus en mr. E.W.J. de Groot.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met de producties 1 tot en met 27,
- de conclusie van antwoord met de producties 1 tot en met 8, - de mondelinge behandeling van 25 november 2025,
- de door [eiser] tijdens de mondelinge behandeling ingediende akte eiswijziging,- de pleitnota van [eiser] ,- de pleitnota van ProRail.
2. De feiten
[eiser] is vanaf 1998 de eigenaar van de percelen met de nummers [kadasternummer 1] , [kadasternummer 2] , [kadasternummer 3] , [kadasternummer 4] , [kadasternummer 5] , [kadasternummer 6] en [kadasternummer 7] . Op deze percelen exploiteert het landbouwbedrijf van [eiser] een agrarisch bedrijf, waarbij de weilanden worden begraasd door melkkoeien, rundvee en schapen, maar ook worden gebruikt voor een exploitatie van voederwinning en houtopstanden.
Deze agrarische percelen grenzen aan elkaar. Ze worden doorsneden door een spoorweg. Er is een niet actief beveiligde spoorwegovergang (hierna: NABO) aanwezig. Op de kadastrale kaart is deze aangegeven met de nummers [kadasternummer 8] en [kadasternummer 9] (hierna: overweg A). [eiser] gebruikt deze overweg en beschikt over een sleutel om de hekken te kunnen openen en sluiten.
Railinfratrust is eigenaar van de spoorweg. ProRail is belast met het beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur.
Vanwege de veiligheidsproblemen met NABO’s willen het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en ProRail alle NABO’s opheffen. Omdat het opheffen van NABO’s een kostbare en tijdrovende aangelegenheid is, vindt dit stapsgewijs plaats. Inmiddels zijn 171 van de 180 overwegen aangepakt die onderdeel uitmaken van het ‘Programma NABO’. Overweg A behoorde niet tot dat programma. In 2024 is ProRail gestart met het aanpakken van de resterende NABO’s als onderdeel van de ‘Structurele Overweg Verbeteraanpak’. Overweg A maakt daarvan onderdeel uit en is nu aan de beurt.
Op 3 september 2024 heeft de machinist van een trein melding gedaan van een bijna-aanrijding met een landbouwvoertuig op overweg A. Naar aanleiding hiervan heeft [eiser] ProRail verzocht om treinen bij overweg A op bepaalde momenten hun snelheid te laten matigen, zodat hij overweg A veiliger kan passeren.
ProRail heeft [eiser] op 31 januari 2025 uitgenodigd voor een overleg om het gebruik van overweg A te bespreken.
ProRail heeft [eiser] bij e-mail van 14 februari 2025 laten weten dat er volgens ProRail geen sprake is van een erfdienstbaarheid op de onbeveiligde overweg. ProRail schrijft dat zij eenzijdig kan besluiten om de onbeveiligde overweg te sluiten, aangezien er een openbare omrijdroute beschikbaar lijkt via de beveiligde overweg aan de Stationsstraat.
ProRail maakt kenbaar bij voorkeur in overleg mogelijke oplossingen te bespreken.
Op 14 april 2025 heeft ProRail [eiser] gemaild dat zij er belang aan hecht om de overweg in mei 2025 te sluiten. ProRail meldt dat [eiser] binnenkort een formele brief van ProRail zal ontvangen met als inhoud dat ProRail de onbeveiligde overweg zal sluiten en de sanering (het weghalen van de overwegplaten) waarschijnlijk aan het eind van het jaar zal plaatsvinden.
Op 27 juni 2025 heeft overleg plaats gevonden op het kantoor van de advocaat van [eiser] . Een oplossing is toen niet bereikt.
[eiser] heeft ProRail op 3 september 2025 laten weten dat het ProRail niet is toegestaan om overweg A op te heffen vanwege een kwalitatief recht van [eiser] dat volgt uit een notariële akte van 30 maart 1894 (hierna: ‘de akte’). In de akte is tussen de rechtsvoorgangers van partijen het volgende vastgelegd:
“dat de Nederlandsche Zuiderspoorwegmaatschappij verplicht is langs de eigendommen van de verkoopers thans weiland, den spoorweg altijd tegen daar ter plaatse in vrijheid rundvee en paarden behoorlijk aan beide zijden af te sluiten. Dat de Maatschappij verplicht is twee overwegen op de eigendommen van de verkoopers daar te stellen en te allen tijde behoorlijk van afsluitingen te voorzien en te onderhouden, welke afsluitingen door de gebruikers geopend en gesloten worden.”
Op 11 september 2025 heeft ProRail [eiser] schriftelijk laten weten dat ProRail het gebruik van de overweg opzegt en de overweg op 15 oktober 2025 zal sluiten, nu partijen geen overeenstemming hebben bereikt.
Bij e-mail van 1 oktober 2025 heeft ProRail [eiser] laten weten dat er geen formeel recht gevestigd is voor het gebruik van de onbeveiligde overweg. ProRail blijft bij haar besluit om de onbeveiligde overweg op 15 oktober 2025 te sluiten.
Bij e-mail van 19 november 2025 heeft ProRail aan [eiser] laten weten in overleg te willen blijven over een oplossing rondom de onbeveiligde overweg. Mocht [eiser] daar op korte termijn niet voor open staan dan zal ProRail een datum plannen waarop zij de onbeveiligde overweg in de hekken zal zetten en op een later moment zal saneren. ProRail meldt dat de veiligheid voorop staat. Mede gezien de bijna aanrijding van vorig jaar wil ProRail deze overweg op korte termijn sluiten.
3. Het geschil
[eiser] vordert, na wijziging van de eis, dat de voorzieningenrechter bij vonnis bij wijze van een voorlopige voorziening, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. ProRail veroordeelt tot het ongewijzigd open houden van de spoorwegovergangen met perceelnummers [kadasternummer 10] , [kadasternummer 11] , [kadasternummer 8] en [kadasternummer 9] voor [eiser] en onder diens verantwoordelijkheid werkzame personen, zulks totdat de rechter in een in kracht van gewijsde gegane beslissing in een bodemprocedure anders heeft beslist,
II. ProRail veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere
dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat ProRail in strijd handelt met het hiervoor onder I opgenomen, met een maximum van € 500.000,00,
III. ProRail veroordeelt in de proceskosten, de nakosten en de wettelijke rente daarover.
[eiser] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. ProRail heeft op
15 oktober 2025 laten weten over te zullen gaan tot sluiting en later tot opheffing van overweg A. [eiser] is het daar niet mee eens. Primair doet [eiser] beroep op een kwalitatief recht dat ten gunste van zijn rechtsvoorganger bedongen is in de akte. Uit die akte blijkt dat ProRail twee overwegen voor de spoorweg moet realiseren en in stand houden en deze te allen tijde behoorlijk van afsluitingen moet voorzien en onderhouden. Subsidiair stelt [eiser] dat een erfdienstbaarheid door verjaring is ontstaan.
ProRail voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
De voorzieningenrechter stelt voorop dat uit een door ProRail overgelegde luchtfoto, waarvan de juistheid niet betwist is door [eiser] , blijkt dat ter plaatse niet twee overwegen aanwezig zijn, maar slechts één overweg, te weten overweg A.
Spoedeisend belang
Het gaat in deze zaak om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet eerst beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Verder moet de voorzieningenrechter beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor nadere bewijslevering.
[eiser] stelt een spoedeisend belang te hebben bij het onmiddellijk tegenhouden van de geplande werkzaamheden van ProRail, omdat ProRail bij brief van 15 oktober 2025 heeft laten weten over te gaan tot sluiting van de overgang.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorzieningen. Als ProRail op korte termijn overgaat tot sluiting van overweg A kan [eiser] niet meer via overweg A van zijn ene perceel naar zijn andere perceel gaan.
Kwalitatief recht
[eiser] stelt primair dat hij beschikt over een kwalitatief recht dat strekt tot gebruik van overweg A. [eiser] beroept zich op de volgende zin in de akte van 30 maart 1894: “Dat de Maatschappij verplicht is twee overwegen op de eigendommen van de verkoopers daar te stellen en te allen tijde behoorlijk van afsluitingen te voorzien en te onderhouden, welke afsluitingen door de gebruikers geopend en gesloten worden.” (hierna: de Bepaling). ProRail moet zich volgens [eiser] aan de Bepaling houden, nu zij de rechtsopvolger is van de oorspronkelijke spoorwegmaatschappij die partij is bij deze akte.
ProRail wijst erop dat in de akte niet expliciet vermeld is dat de Bepaling bedoeld is als een recht dat naar huidig recht omschreven wordt als een kwalitatief recht. Nergens is bepaald dat het de bedoeling is dat rechtsopvolgers van de ‘Verkoper’ zich kunnen beroepen op de Bepaling. Verder bevat de Bepaling geen recht op het gebruik van overweg A. Als er toch sprake is van een recht van gebruik, dan gaat het om een recht om de overweg te gebruiken op een wijze zoals dat in 1894 gebruikelijk was. Het gebruik van [eiser] voldoet daar niet aan, want hij maakt gebruik van grote landbouwvoertuigen. Daar komt bij dat de spoorweg tegenwoordig een stuk intensiever wordt gebruikt dan destijds. Volgens ProRail is een kwalitatief recht bovendien een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd, die opzegbaar is. Gelet hierop dienen de vorderingen van [eiser] te worden afgewezen, aldus ProRail.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. De vraag of er sprake is van een kwalitatief recht dient gelet op het overgangsrecht te worden beantwoord aan de hand van art. 6:251 BW en niet aan de hand van art. 1354 BW (oud), nu [eiser] na de inwerkingtreding van art. 6:251 BW, eigenaar is geworden van de percelen.
In art. 6:251 BW wordt een kwalitatief recht omschreven als een uit een overeenkomst voortvloeiend en voor overgang vatbaar recht dat in zodanig verband staat met een aan de schuldeiser toebehorend goed dat hij bij dat recht slechts belang heeft zolang hij dat goed behoudt. Ingevolge art. 6:251 lid 1 gaat een dergelijk kwalitatief recht van rechtswege mee over op de rechtsopvolger onder bijzondere titel van dat goed.
Uit artikel 6:251 BW volgt niet dat pas sprake is van een kwalitatief recht als partijen expliciet verwoord hebben dat een overeengekomen recht bedoeld is als een kwalitatief recht in de zin van dat artikel. Artikel 6:251 BW stelt verder niet als eis dat partijen het recht moeten bedingen ten behoeve van rechtsopvolgers onder bijzondere titel.
Of de Bepaling als een kwalitatief recht moet worden bestempeld is een kwestie van uitleg. Deze uitleg vindt plaats volgens een geobjectiveerde variant van de Haviltex-maatstaf, waarbij aan de bewoordingen van de Bepaling, gelezen in het licht van de gehele inhoud van de overeenkomst, in beginsel doorslaggevend gewicht toekomt. Het gaat immers om een bepaling die partijen niet zelf zijn overeengekomen, maar die staat in een leveringsakte waarbij rechtsvoorgangers betrokken waren.
De voorzieningenrechter acht het aannemelijk dat in een bodemprocedure de rechter de Bepaling uitlegt als een kwalitatief recht. De percelen waar het in deze procedure om gaat, vormden ten tijde van het opstellen van de akte in 1894 een aaneengesloten agrarisch gebied. Dat gebied is doorsneden door de aanleg van de spoorweg. Het doel van de verplichting in de akte voor de rechtsvoorganger van ProRail om een overweg aan te leggen te duidelijk: op die manier kan de eigenaar via de overweg van het ene perceel naar het andere perceel. De agrarische bestemming van de percelen en het nut van de overweg ten behoeve van die percelen zijn sindsdien niet zijn gewijzigd. [eiser] heeft verklaard overweg A vooral te gebruiken als er vee staat. Ook als er gehooid wordt, wordt meerdere keren per week de overgang gebruikt. Dat in de Bepaling enkel wordt verwezen naar verplichtingen en niet naar een recht, staat er niet aan in de weg dat de Bepaling toch een kwalitatief recht van gebruik kan inhouden. De akte uit 1894 beperkt de duur van het recht niet tot een bepaalde termijn. Integendeel, er wordt gesproken over “te allen tijde”.
Duurovereenkomst
Het betoog van ProRail dat een kwalitatief recht ook een duurovereenkomst is die opzegbaar is, volgt de voorzieningenrechter niet. De aard van een kwalitatief recht sluit uit dat het opzegbaar is voor degene tegenover wie het recht geldend wordt gemaakt.
Belangenafweging – artikel 6:248 lid 2 BW
ProRail heeft aangevoerd dat het belang van het veilig gebruik van de spoorweginfrastructuur moet wijken voor het belang van [eiser] bij het gebruik van overweg A, omdat de huidige situatie levensgevaarlijk is. Zij wijst op de bijna aanrijding die op 3 september 2024 heeft plaatsgevonden. De huidige situatie leidt tot risico’s voor machinisten, reizigers, [eiser] en personen die namens [eiser] van de overweg gebruik maken. Het huidige gebruik van het spoor is niet vergelijkbaar met 1894; er rijden meer treinen per uur en met een hogere snelheid. [eiser] kan zijn percelen bereiken door om te rijden, aldus ProRail.
Juridisch vertaald begrijpt de voorzieningenrechter dat ProRail het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar acht, na afweging van alle feiten, omstandigheden en belangen over en weer, dat [eiser] , als er sprake zou zijn van een kwalitatief recht, gebruik wil blijven maken van dat recht dat ontstaan is in 1894. De voorzieningenrechter oordeelt het aannemelijk dat in een bodemprocedure het beroep van ProRail op artikel 6:248 lid 2 BW slaagt. Dat [eiser] belang heeft bij het gebruik van de overweg is duidelijk. Het is de kortste weg om van het ene perceel naar het andere perceel te komen. [eiser] erkent dat omrijden door het dorp mogelijk is, maar het is volgens hem niet praktisch; het kost meer tijd en als er een groot voertuig in het dorp langs de straat geparkeerd staat, kan het voorkomen dat hij met een landbouwvoertuig er niet langs kan. Tegenover zijn belang staat het belang van ProRail dat er sprake is van een veilig spoor. Het beleid van de Rijksoverheid is erop gericht onveilige spoorwegovergangen aan te pakken. ProRail is belast met de uitvoering van de plannen die in verband met dat beleid gemaakt zijn. Dat er bij overweg A sprake is van een gevaarlijke situatie blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet alleen uit de bijna aanrijding in september 2024 maar ook uit het feit dat [eiser] ProRail zelf verzocht heeft om ter hoogte van overweg A langzamer te rijden, zodat hij veiliger kan oversteken. De wijze waarop in deze tijd het spoor gebruikt wordt, wijkt af van de situatie in 1894. Onbetwist is dat er tegenwoordig op dit deel van het spoor 147 treinen per dag (8 treinen per uur) rijden. Volgens ProRail rijden de treinen ter hoogte van de percelen van [eiser] 90 km per uur. Gelet op die frequentie, de snelheid en het feit dat treinen door vertragingen op afwijkende momenten kunnen langsrijden, is oversteken bij overweg A gevaarlijk, zowel voor degene die oversteekt en als voor inzittenden van de trein. Die gevaarlijke situatie kan vermeden worden. Er is immers een alternatief: [eiser] kan omrijden. ProRail heeft hem een omrijdvergoeding aangeboden als overweg A sluit, ook als [eiser] in dit kort geding ongelijk krijgt. Gelet op al deze feiten en omstandigheden is de inschatting van de voorzieningenrechter dat de bodemrechter zal oordelen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiser] het kwalitatief recht wil blijven gebruiken.
Slotsom
De voorzieningenrechter zal de vorderingen van [eiser] afwijzen.
Proceskosten
Omdat [eiser] in het ongelijk is gesteld, wordt hij veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan de zijde van ProRail begroot op:
- griffierecht € 714,00
- salaris advocaat € 1.107,00
- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals bepaald in beslissing)
Totaal € 1.999,00
De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals hierna in de beslissing is bepaald.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
wijst de vorderingen van [eiser] af;
veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van ProRail begroot op € 1.999,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Etman en in het openbaar uitgesproken op
9 december 2025.
AP