ECLI:NL:RBLIM:2025:12171

ECLI:NL:RBLIM:2025:12171, Rechtbank Limburg, 10-12-2025, ROE 24/4810

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 10-12-2025
Datum publicatie 06-01-2026
Zaaknummer ROE 24/4810
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Roermond

Samenvatting

Weigering omgevingsvergunning voor jachtgeweeractiviteit. Aan eiser is binnen vier jaar voorafgaand aan de aanvraag een strafbeschikking opgelegd voor het plegen van een misdrijf (opzettelijk onjuist indienen aangifte omzetbelasting en meerdere malen valselijk opmaken van stukken). De minister heeft het risico mogen aannemen van misbruik van de vergunning. De weigering levert geen dubbele bestraffing op en is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Een waarschuwing kan geen alternatief (lichter middel) zijn voor weigering van een vergunning. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

de Minister van Justitie en Veiligheid

Samenvatting

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: ROE 24/4810

en

(gemachtigde: mr. Van Wielink).

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van de aanvraag van eiser tot verlenging van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit (de omgevingsvergunning). Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister in redelijkheid heeft kunnen komen tot het weigeren van de omgevingsvergunning.

De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat er grond is om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser misbruik zal maken van de bevoegdheden die de omgevingsvergunning hem geeft of dat hij zodanig gebruik zal maken van deze bevoegdheden dat hij een gevaar kan gaan vormen voor zichzelf, de openbare orde of de veiligheid. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat de weigering van de omgevingsvergunning niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Daarom heeft de minister de weigering om eiser de omgevingsvergunning te verlenen terecht in stand gelaten. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor verlenging van de omgevingsvergunning. De korpschef van de politie (de korpschef) heeft deze aanvraag op 26 juni 2024 afgewezen.

Eiser heeft hiertegen administratief beroep ingesteld bij de minister van Justitie en Veiligheid (de minister). Met het besluit van 12 november 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister het administratief beroep ongegrond verklaard en de weigering van de omgevingsvergunning in stand gelaten.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 16 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat de zaak over?

3. Eiser is ruim dertig jaar in het bezit geweest van de omgevingsvergunning. Op 9 januari 2024 heeft hij een aanvraag ingediend voor het verlengen van de omgevingsvergunning. Door de korpschef is het politiesysteem en ook het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) bevraagd. Hieruit is gebleken dat ten aanzien van eiser meerdere zaken zijn geregistreerd die verband houden met een misdrijf. Het betreft een misdrijf dat drie keer is gepleegd. Dit misdrijf ziet op het opzettelijk onjuist indienen van de aangifte omzetbelasting en het meerdere malen valselijk opmaken van stukken. Omdat de omgevingsvergunning van eiser op 31 maart 2024 afliep heeft de korpschef op 23 maart 2024 aan eiser een brief gestuurd waarin werd verzocht om de wapens en munitie elders in bewaring te geven. Uit de track & trace informatie bleek dat eiser deze brief had geweigerd. Hierdoor was het voor de korpschef onduidelijk waar de wapens en munitie zich bevonden (met het oog op de het aflopen van de geldigheid van de omgevingsvergunning). Naar aanleiding van de bevindingen uit het politiesysteem en JDS heeft de korpschef besloten de omgevingsvergunning niet te verlenen omdat het hebben van wapens of munitie aan eiser niet langer kan worden toevertrouwd.

4. Eiser stelt dat de omgevingsvergunning ten onrechte is geweigerd omdat er geen reden is om te vrezen dat hem het voorhanden hebben van wapens of munitie niet kan worden toevertrouwd. Ook stelt eiser dat het weigeren van de omgevingsvergunning leidt tot een dubbele bestraffing. Tot slot geeft eiser aan dat hij door de weigering onevenredig hard wordt geraakt. De rechtbank zal hierna de beroepsgronden van eiser afzonderlijk behandelen.

Mocht de minister zich op het standpunt stellen dat het hebben van wapens en munitie niet langer aan eiser kan worden toevertrouwd?

5. Eiser betoogt dat de feiten die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd onvoldoende zijn om te concluderen dat het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer aan hem kon worden toevertrouwd. Eiser stelt dat de strafrechtelijke veroordeling wegens Btw-fraude geen invloed kan hebben op de verstrekking van de omgevingsvergunning. Volgens eiser moet een onderscheid worden gemaakt tussen economische misdrijven en veiligheidsrisico’s die gerelateerd zijn aan het bezit van de omgevingsvergunning. Het plegen van Btw-fraude heeft geen directe relatie met handelingen die een gevaar kunnen vormen voor de openbare orde en veiligheid. Eiser stelt dat een houder van de omgevingsvergunning beoordeeld dient te worden op zijn verantwoordelijkheid en zorgvuldigheid ten aanzien van het gebruik van vuurwapens en zijn omgang met natuurbehoud en niet op zijn financiële integriteit. Volgens eiser zijn er geen voorbeelden waaruit blijkt dat personen die zich schuldig hebben gemaakt aan economische misdrijven ook gevaarlijke of onbetrouwbare houders van de omgevingsvergunning zijn. Daarnaast voert eiser aan dat de feiten ten aanzien van het in bewaring geven van de wapens en munitie door de korpschef onjuist zijn beschreven. Eiser stelt dat dat hij de brief over het in bewaring geven van zijn vuurwapens en munitie nooit heeft ontvangen. Ook voert hij aan dat er afspraken zijn gemaakt waaruit zou blijken dat hij zijn wapens en munitie alsnog thuis in bewaring mocht stellen. Van enige onduidelijkheid kan dan ook geen sprake zijn.

Juridisch kader

6. In artikel 8.74t, tweede lid sub a van het Bkl is bepaald dat een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit, ondanks voldoening aan de eisen, bedoeld in het eerste lid, wordt geweigerd als er grond is om aan te nemen dat de aanvrager van de bevoegdheid een geweer en munitie voorhanden te hebben, van de bevoegdheid om de jacht uit te oefenen of van hem toekomende bevoegdheden in het kader van het beheren van het beheren van populaties van in het wild levende dieren of het bestrijden van schadeveroorzakende dieren misbruik zal maken, of zodanig gebruik zal maken dat hij een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of de veiligheid kan gaan vormen. Bij de invulling van dit ‘vrees voor misbruik’ criterium heeft de korpschef beoordelingsruimte. Hierbij hanteert hij de Circulaire wapens en munitie 2019 (Cwm 2019).

Het is vaste rechtspraak dat degene aan wie een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit is verleend zich in een uitzonderingspositie bevindt ten opzichte van andere burgers, voor wie het algemene verbod op het voorhanden hebben en dragen van wapens en munitie geldt. Deze uitzonderingspositie brengt mee dat in de houder van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit het vertrouwen moet kunnen worden gesteld, dat hij zich strikt aan de toepasselijke regels zal houden en zich onthoudt van overtredingen die kunnen worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de gemaakte uitzondering is al voldoende grond om daaraan een einde te maken. Deze twijfel moet onderbouwd en objectief toetsbaar zijn. Verder blijkt uit jurisprudentie dat mag worden verwacht dat een houder van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit zich strikt houdt aan de wettelijke regels, ook als die niet direct zijn gerelateerd aan de wapenwetgeving.

Of het aan iemand kan worden toevertrouwd om wapens of munitie onder zich te hebben kan volgens de Cwm 2019 onder andere worden aangenomen op basis van veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken. Voor zover hier van belang volgt uit de Cwm 2019 dat de aanvrager van een omgevingsvergunning van een jachtgeweeractiviteit op het moment van de aanvraag niet binnen de laatste vier jaar mag zijn veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een geldboete of een taakstraf is opgelegd. Ook volgt uit de Cwm 2019 dat een strafbeschikking wordt gelijkgesteld met een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

7. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat er grond is om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser misbruik zal maken van de bevoegdheden die de omgevingsvergunning hem geeft of dat hij zodanig gebruik zal maken van deze bevoegdheden dat hij een gevaar kan gaan vormen voor zichzelf, de openbare orde of de veiligheid. Daarom heeft de minister de weigering om eiser de omgevingsvergunning te verlenen terecht in stand gelaten. Daarbij heeft de minister betekenis mogen toekennen aan het feit dat binnen vier jaar voorafgaand aan de aanvraag aan eiser een strafbeschikking is opgelegd voor het plegen van een misdrijf. In deze strafbeschikking wordt aan eiser een taakstraf opgelegd. Uit de Cwm 2019 volgt dat een strafbeschikking gelijk wordt gesteld met een rechtelijke uitspraak. Nu sprake is van een veroordeling van een misdrijf binnen de laatste vier jaar, waarbij aan eiser een taakstraf is opgelegd, heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat sprake is van vrees voor misbruik. Dat eiser stelt dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen economische misdrijven en veiligheidsrisico’s en dat economische misdrijven niet kunnen leiden tot vrees voor misbruik volgt de rechtbank niet. De Cwm 2019 maakt weliswaar onderscheid tussen verschillende type misdrijven, maar economische misdrijven worden daarbij niet uitgesloten om vrees voor misbruik aan te nemen. Dit onderscheid wordt in de Cwm 2019 gemaakt om de terugkijktermijn te bepalen. Bij misdrijven met een verhoogd risico – zoals gewelds-, drugs- en wapendelicten – geldt een langere terugkijktermijn dan voor andere misdrijven. De rechtbank overweegt dat wapens en munitie een potentieel ernstige bedreiging vormen voor de veiligheid in de samenleving. Daarom wordt een streng beleid gevolgd bij de toepassing van het criterium ‘vrees voor misbruik’ en dient al geringe, objectief te onderbouwen twijfel aanleiding te geven om de omgevingsvergunning te weigeren of in te trekken. Tegen deze achtergrond kunnen ook misdrijven zonder gewelddadig karakter, zoals economische misdrijven, relevant zijn omdat zij kunnen duiden op het bewust overschrijden van wettelijke grenzen, het omzeilen van regels of het laten prevaleren van persoonlijke belangen boven maatschappelijke normen. Dergelijke gedragingen raken rechtstreeks aan de vraag of het voorhanden hebben van wapens en munitie aan betrokkene kan worden toevertrouwd. Met betrekking tot de stelling dat de korpschef de feiten onjuist heeft beschreven oordeelt de rechtbank als volgt. Voor zover de stellingen van eiser kloppen, leidt dit niet tot een gegrond beroep. Ook zonder de genoemde feiten had de minister de vrees voor misbruik mogen aannemen. De overige feiten en omstandigheden bieden naar het oordeel van de rechtbank namelijk voldoende onderbouwing om de vrees voor misbruik aan te nemen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Is sprake van dubbele bestraffing?

8. Eiser voert aan dat het weigeren van de omgevingsvergunning neerkomt op een dubbele bestraffing. Hij is al gestraft door de strafrechter met een taakstraf.

9. De rechtbank oordeelt dat de weigering van de omgevingsvergunning geen punitieve sanctie is omdat deze weigering niet bedoeld is om leed toe te voegen. De weigering betreft een preventieve bestuurlijke maatregel die erop is gericht te waarborgen dat legale wapens alleen in handen komen van diegenen die kunnen omgaan met de verantwoordelijkheid die bezit van vuurwapens met zich brengt. De maatregel is dus een veiligheidswaarborg en strekt daarmee tot bevordering van de bescherming van de openbare orde en de veiligheid van de samenleving. De kwalificatie die de wetgever aan de maatregel geeft, het met de maatregel beoogde doel en de aard en de zwaarte van de maatregel maken dat de maatregel niet is aan te merken als een bestraffende sanctie. Dat betekent dat geen sprake is van dubbele bestraffing voor hetzelfde feit. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Is de weigering van de omgevingsvergunning evenredig?

10. Eiser voert aan dat hij al dertig jaar zonder problemen in het bezit is geweest van de omgevingsvergunning. Daarnaast wijst eiser erop dat hij zich als vrijwilliger inzet bij Stichting Vergeten Groenten en zich op verschillende andere manieren maatschappelijk nuttig maakt. Eiser benadrukt dat hij zijn leven op orde heeft. Hij is nooit eerder met justitie in aanraking geweest en uit niks blijkt dat hij een risico vormt voor de samenleving. Volgens eiser zou het weigeren van de vergunning, gelet op deze omstandigheden, onevenredig zwaar voor hem uitpakken. Daarnaast voert eiser aan dat het niet verlenen van de omgevingsvergunning een disproportionele maatregel is die verder gaat dan wat redelijk en noodzakelijk is voor de bescherming van de openbare orde en veiligheid. Volgens eiser was een waarschuwing hier op zijn plek geweest. Tot slot stelt eiser aan dat hij slachtoffer is geworden van een datalek. Het gebrek aan opvolging van zijn gemaakte melding over deze datalek versterkt het gevoel dat hij onrechtmatig wordt behandeld, zowel op het gebied van de omgevingsvergunning als in bredere context van zijn rechtspositie.

11. De rechtbank is van oordeel dat hoewel de gevolgen van de weigering voor eiser groot zijn, van een onevenredig besluit geen sprake is. De maatregel is noodzakelijk, omdat degene aan wie de omgevingsvergunning is verleend zich in een uitzonderingspositie bevindt ten opzichte van andere burgers, voor wie het algemene verbod op het voorhanden hebben en dragen van wapens en munitie geldt. Deze uitzonderingspositie brengt met zich mee dat in de houder van de omgevingsvergunning het vertrouwen moet kunnen worden gesteld, dat hij zich strikt aan de toepasselijke regels zal houden en zich onthoudt van overtredingen die kunnen worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de gemaakte uitzondering is al voldoende grond om daaraan een einde te maken. Juist van de houder van de omgevingsvergunning mag strikte naleving van de regelgeving worden verwacht. Ook is de maatregel evenwichtig in de situatie van eiser. Dat hij al dertig jaar over de omgevingsvergunning beschikt doet niet af aan het feit dat sprake is van een misdrijf. Dat eiser al dertig jaar over een vergunning beschikt maakt juist dat hij zich bewust moet zijn van de waarde van de voorschriften die zijn verbonden aan de omgevingsvergunning. Hiermee is de rechtbank van oordeel dat de minister meer gewicht heeft mogen toekennen aan het belang van de algemene veiligheid in de samenleving dan aan het persoonlijke belang van eiser. Voor zover is betoogd dat de korpschef aanleiding had moeten zien om een waarschuwing op te leggen in plaats van de omgevingsvergunning te weigeren, is de rechtbank van oordeel dat dit alleen bij de beoordeling van een besluit tot intrekking van de omgevingsvergunning kan worden betrokken. Bij de vraag of de korpschef de omgevingsvergunning heeft kunnen weigeren is deze vraag niet relevant omdat een waarschuwing geen alternatief kan zijn voor een weigering van een gevraagde vergunning. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Daarnaast begrijpt de rechtbank dat het datalek voor eiser vervelend is. De rechtbank overweegt dat dit punt geen betrekking heeft op het bestreden besluit. Het datalek kan het bestreden besluit dan ook niet onrechtmatig of onevenredig maken. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de weigering van de aanvraag van de omgevingsvergunning in stand blijft. Eiser krijgt daarom geen gelijk. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R.N. Crombaghs, rechter, in aanwezigheid van M.L. Neumann, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025 .

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 10 december 2025

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.R.N. Crombaghs

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?